zondag, november 27, 2005

AT YOUR SERVICE! (meditatie voor Advent)


D I E N E N !

“ ...Hier ben ik...Uw wil te doen, mijn God, verlang ik.”
Psalmen 40 : 8,9

Kinderen
zijn nog wel eens ongehoorzaam. Ze zeggen bepaald niet elke keer als ze geroepen worden: “Hier ben ik, mama.” Valt ook niet méé, als je net zo lekker aan het spelen bent buiten. Kinderen doen lang niet altijd wat hun ouders graag willen.
Dat is kinderen eigen, zeggen we. Dat hóórt er ook een beetje bij, bij kinderen. Ja, zo kun je ’t inderdaad wel zeggen. Wat niet betekent, dat je als ouders dat zonder meer moet accepteren. De opvoeding zal er toch op gericht moeten zijn, je kinderen léren te gehoorzamen.

Trouwens,
die ongehoorzaamheid is niet een kwaal, die alleen kinderen hebben. Een kinderziekte, net als mazelen. Nee, we hebben deze ziekte constant ‘onder de leden”, of beter gezegd: we lijden er voortdurend aan. Zonder er overigens erg ónder te lijden. Want ik moet toch mijn eigen leven leiden? Wat heeft een ander daarmee te maken? Velen hanteren het motto: ik doe wat ik wil en wat ik lekker vind. Ik moet tot mijn recht en aan mijn rechten komen. En ánderen, mijn medemensen? Die komen daarna aan de beurt!

Want zeggen
“At your service”, “tot uw dienst”, dát is zo moeilijk niet. Maar om het wáár te maken,! Om anderen wérkelijk te dienen! Vooral als je macht en invloed hebt! Dat is koek van een totaal ander deeg. Dat is iets, wat ons bepááld niet ligt. Dan moet je tegen de stroom van de mode in roeien. Dan moet je lijnrecht tegen jezelf in gaan zelfs!


David,
die lang geleden een heleboel mooie liederen gedicht heeft, zegt in dit lied, Psalm 40: ik wil wél gehoorzaam zijn. Toen de HEER, zijn God, hem riep om koning te worden, zei hij: “Hier ben ik”. Hij was bereid, koning te zijn. Maar dan op de goede manier.

Er wás toen een koning, Saul. Die was góed begonnen. Maar later ging hij tegen God in. En leidde hij het volk op de verkeerde manier. Zo wilde David het niet doen. Hij had een vurig verlangen in zijn hart. Het verlangen, om God te dienen. Om zijn wil te doen. En zo het volk te dienen. En het vóór te gaan op de goede weg. “Hier ben ik. Gehoorzaam wil ik koning zijn, zoals U vraagt. En ik verlang ernaar, uw wil te doen, mijn God!

En hij wás ook
een totaal andere koning dan Saul. Dat was het gevolg van twee heilzame operaties, die hij ondergaan had. De Psalm noemt een operatie aan zijn oren. “U hebt mijn oren voor U geopend”. David was door die operatie één en al oor, hórend oor, geworden voor God en wat Hij te zeggen had.

En hij wilde ook nog zielsgraag dóen wat God zei. En dat kwam door de tweede, eigenlijk eerste, eigenlijk de operatie: die aan zijn hart. Dat levensbeginsel, de zetel van de gevoelens en de wil, was dienstbaar gemaakt. Bereid om God en mensen te dienen.

Nou kwam dat er helaas beslist niet altijd uit. Je hoeft maar het levensverhaal van David (dat je in de bijbel kunt vinden) te lezen. Het willen was er wél, het doen lang niet altijd.


Dat was
bij de Zoon van David, Jezus, wél het geval. En dat was al te zien bij zijn geboorte. In de manier waarop dat gebeurde. Dat gebeurde namelijk “zoals afgesproken”, om de woorden van een bepaald STER-spotje te gebruiken. Jezus werd geboren, zoals Hij de Vader had beloofd. Vandaar die nederige geboorte. Zo was het afgesproken met de Vader. Want: zo moest het, zie je. Zo moest het, om mensen te kunnen redden uit de ellende.

En dat was nog maar het begin…
Jezus heeft in alle opzichten, heel zijn leven lang, van de eerste seconde tot en met de laatste snik, altijd en overal, Gods wil gedaan. Zijn levensmotto was: “Hier ben ik”. Of “Tot uw dienst”. En Hij was er, om God te dienen, en om mensen te dienen. Hij diende, tot in het kleinste detail.


Het is Adventstijd,
nu ik dit schrijf. En Advent, de vier weken voorafgaande aan het Kerstfeest, is: denken aan en danken voor Jezus. Jezus, onze Heiland! Hij kwam op de aarde.
Hij kwam, om onze ongehoorzaamheid weg te dragen. Zodat die er in Gods ogen gewoonweg niet meer is.

De Geest van God wil dat werk van Jezus mij toerekenen. En u en jou trouwens ook. Kwestie van vrágen…

Hij wil nog méér doen:
operaties uitvoeren aan mijn hart en oren. Zodat ook ik bereid ben, te gehoorzamen. Bereid tot dienst. En zodat ik daarvan ook zoveel mogelijk van in praktijk breng. Zoveel als mogelijk is door het geloof. Hoe vaster ik op God vertrouw, hoe meer ik van Jezus verwacht, des te meer ga ik dienen.

Dat is dus niet een zaak van telkens weer goede voornemens. Nee, daar zal echt de Chirurg aan te pas moeten komen. Die maakt mij één en al (open) oor!
(nov. '05)
Zingen/bidden: Gez. 118
-----
Gedicht van Inge Lievaart:
-----
Hier bén ik, Heer
Hier ben ik,Heer, hier zijn mijn oren,
geopend om U te verstaan,
verlangende om te vernemen
waar U mij zegt te gaan.
Hier ben ik, Heer, hier zijn mijn handen,
geopend opdat U ze vult;
ze zijn voor U om te gebruiken'
waar U ze hebben wilt.
Hier ben ik, Heer, hier zijn mijn ogen,
geopend en door U ontblind,
om in uw licht de weg te zoeken
waar ik de naaste vind.
Hier ben ik, Heer, hier zijn mijn lippen.
geopend, want een lied begint;
het is voor U dat ze bewegen,
dat ik van liefde zing.
Hier ben ik, Heer, hier zijn mijn voeten,
gekomen ver bij U vandaan;
hier ben ik, Heer, U hebt geroepen,
zeg mij waarheen, en ik zal gáán.

vrijdag, november 11, 2005

KINDEREN ZIJN HINDEREN! JA? (meditatie)


KINDEREN ZIJN HINDEREN. TOCH ?

“Toen Israël nog een kind was, had ik het lief.” Hosea 11 : 1 (NBV)

Kinderen hinderen.
Ze pakken je vrije leventje je af, wáár. Je moet altijd en overal rekening met ze houden, klopt. Ze bepalen je hele leven, inderdaad. Ze lijken wel eens meer lastposten dan goddelijk geschenk. En mensen kiezen er soms heel bewust voor, er niet aan te beginnen. Om allerlei redenen is dat. Maar soms ook om de reden, dat kinderen hebben en opvoeden “niks voor hen is”. Hun relatie willen ze daar niet mee belasten, zeggen ze. Die in stand te houden is al moeilijk genoeg.

En kinderen opvoeden is géén zacht eitje, nee. Ook, en vooral voor ouders, die christenen zijn. Die dus Christus willen navolgen. Het lijkt soms meer een heidens karwei dan een christelijke opdracht. Niet voor niks verschijnen er steeds meer programma’s op tv over opvoeden. En als je dan soms die kinderen bezig ziet… Je zou ze!
En je eigen kinderen? Dan denk je óók wel eens: je zou ze! Want opvoeden is moeilijk. En het resultaat van je beste, in elk geval goedbedóelde, pogingen is voor je soms letterlijk bedroevend. Ja, je zou ze!
Maar meestal vul je dat “je zou ze” aan met “aan je hart drukken”. Want het zijn en blijven je kinderen, zie je. Jouw kinderen. De kinderen, waar je intens van houdt.


De God van de bijbel heeft ook kinderen.
Hij heeft niet alleen een Zoon, zijn énige. Maar Hij heeft ook kinderen. Véél kinderen zelfs. Die heeft Hij allemaal geadopteerd.
Lees maar in Hosea. Door de dienst van die profeet spreekt God. En zegt Hij: Israël, dat kleine, afzichtelijke volkje, heb Ik gekozen. Nog vóór het volk bestond, tóen al. Dát volk heb Ik geadopteerd als mijn zoon.

Waarom? Waarom dát volk? Nou, ik zou het niet weten. Daar kun je logisch gezien, geen enkel argument voor opnoemen. Tenminste, geen enkele reden, die in dat volk ligt. Het was niet een volk met kwaliteiten, die het geschikt maakte. Geen enkele!
En waarom heeft God het dan toch geadopteerd, tot zijn zoon gemaakt? Nou, de enige reden daarvoor ligt in God zélf. Ik had het al lief, toen het nog een baby was, zegt God. Niet omdat het extra knap of vertederend was. Maar ”gewoon”, omdat Ik het tóen al liefhad. God had het nageslacht van Abraham vér van tevoren al bestemd om zijn volk te zijn.

Ik had Israël lief, zegt God.
Ik heb het gevoed en opgevoed, van het begin af aan. Ik heb het te eten gegeven, op de arm gedragen, leren lopen, ruimte gegeven om te leven. Ik heb het uit Egypte verlost en in het land Kanaän neergezet. Ik heb dat volk grootgebracht. Het letterlijk tot een groot volk gemaakt. Lees het maar eens na in hoofdstuk 11 van het boekje Hosea.

Wat een vader!
Als je zóveel voor aangenomen kinderen over hebt! Als je dát zoal voor die kinderen doet! Mensen, mensen, waar vind je zo’n letterlijk volmaakte vader! Kóm er eens om! Het schaamrood vliegt je naar de kaken, als je eraan denkt, wat je er zelf van terecht bracht en brengt.

Nou, denk je dan, zó’n liefderijke opvoeding. Dat moet dankbare kinderen opleveren, wis en drie. Die kinderen moeten wel erg blij met hun vader zijn. Daar moet de dankbaarheid wel vanaf druipen bij liters!

Maar helaas! Dacht het niet. Reken maar van no. God kan het vergéten. Het tegenovergestelde is het geval. Op zijn Nederlands gezegd: stank voor dank. God, hun God? De God, die hen uit Egypte verloste en hen een prachtige plek gaf in Kanaän? Die God? Dat stelt niets voor. Andere zogenaamde goden, die zijn het helemaal. Die kun je tenminste zien. Daar kom je verder mee.

Onvoorstelbaar, niet?

Waarom wás het zo met Israël gesteld? Weet u, dit was een ernstig geval van blindheid en doofheid tegelijk. Ze waren stekeblind. Namelijk voor wat God gedaan en gegeven had. Voor alles, wat dat grote hart van de HERE had voortgebracht aan onverdiende liefdedaden. Daar zagen ze totaal niets van. Met een schoolvoorbeeld van tunnelvisie zagen ze alleen die afgoden. En voor meer was er in hun leven geen plaats.

En omdat ze stekeblind waren, waren ze ook nog stokdoof. Hoorden ze niets van de liefde die doorklonk in Gods woorden. Ook al waren daar aanwijzingen bij. Dat waren voor hen alleen zaken, die hen in hun vrijheid beperkten. Dus de oren maar met kilo's watten dichtproppen ervoor. Dan had je er tenminste geen last van!

Herkenbaar?
Dat we alleen zien, wat we willen zien? Lijdt u ook aan geestelijke bedrijfsblindheid? En aan selectieve doofheid? Ernstige kwalen! Als ze niet genezen worden zelfs dodelijk van aard!

Toen Israël nog in de kinderschoenen stond, toen had ik het al lief, zegt God. Toen tóónde Ik mijn liefde al metterdaad. Met daden van verlossing en verzorging. En wij hebben zelfs het voorrecht, nu te leven. Nu Jezus de weergaloze liefde van de Vader op weergaloze wijze heeft laten zien. Waarbij het toppunt was zijn lijden en zijn sterven aan het kruis. Voor ons. In onze plaats.

Dat deed Hij, om ons die bewuste blindheid en doofheid te vergeven. En ons van die levensbedreigende kwalen áf te helpen. Als we deze arts om die genezing vragen. Hem dat láten doen.

Ja, Gods kinderen waren vreselijke hinderen voor hem. Maar Hij heeft ze niet laten vallen. Hij heeft ze niet de toegang tot zijn huis ontzegd. Zijn hart bleef voor hen openstaan. En door zijn Zoon heeft Hij de poort van zijn paleis weer wagenwijd open gezet!


Kinderen zijn hinderen.
Ja, wat kunnen ze ondankbaar zijn! Blind voor alles wat je voor ze doet. Vinden ze allemaal vanzelfsprekend. En vanuit de ouders bekeken is het dat ook. Het zijn en blijven je kinderen, per slot van rekening. Maar dat ze soms zo stekeblind zijn! En alleen maar letten op wat andere kinderen méér hebben en krijgen dan zij! En dan óók nog doof voor je goede, in elk geval goed bedoelde, aanwijzingen.

Nee, dankbaar zijn valt blijkbaar niet mee. En dat geldt zeker ook ten opzichte van de Vader in de hemel. Dankbaar zijn, echt danken, je dankbaar betonen, dankbaarheid bewijzen, het valt waarachtig niet mee. Een zware job! Danken is veel moeilijker dan bidden. In vrágen aan God zijn we grote helden. Soms is zelfs eisen, opeisen een makkie!

Hoe komt die dank er dan wél uit? Daarvoor moet je veel kijken naar de Vader en zijn bewijzen van liefde. Je leven is er propvol van! En zie eens weer, en kijk eens meer naar wat de Heiland zoal voor ons gedaan heeft en doet!

Dat is allemaal te lezen
in de bijbel. Laat dat biddend om de Geest maar goed op je inwerken.

Dáár word je dankbaar van. En niet zo zuinig ook!

Bidden, eventueel zingen: Gez. 426 : 2,3,5

(november 2005)

dinsdag, november 01, 2005

GOD KRIJGT WEER EENS DE SCHULD (preek)


GOD HEEFT HET WEER GEDAAN, ZIE JE !

Maar Noömi zei tegen hen: “Noem me niet Noömi, noem me Mara, want de Ontzagwekkende heeft mijn lot zeer bitter gemaakt” . Ruth 1 : 20 NBV

Er zijn mensen,

die je vrijwel nooit over God hoort spreken. Wat voor mooie dingen ze ook meemaken, aan God denken ze geen moment. Die mooie dingen, allemaal vanzelfsprekend. Of: dat hebben ze zélf dan maar weer mooi voor elkaar gekregen!
Alleen als er iets negatiefs in hun leven of omgeving, en ook in deze wereld, aan de hand is, dan wordt opeens God erbij gehaald. Dan krijgt HIJ de schuld. HIJ heeft het gedaan, zeggen ze. Hij laat het allemaal toe. Nee hoor, God bestaat beslist niet. Maar tóch worden dan soms de grofste dingen die God naar het naar hun mening niet bestaande hoofd geslingerd!
Ook mensen die wél geloven, lopen een gevaar. Namelijk, dat ze in tegenslagen hun eigen fouten wat verdoezelen of helemaal “vergeten”. En dat God de schuld krijgt van wat er aan ellendigs gebeurt.


Noömi ontloopt dat gevaar óók niet helemaal.

Ze staat bij een mijlpaal. Ze gaat een nieuwe fase in: ze is terug in haar oude woonplaats, Bethlehem in Juda. En ze ziet terug op haar leven tot op dat moment. En vooral op de laatste 10 jaar. Jaren, die doorgebracht zijn in het land Moab. Daar is erg veel gebeurd. En Noömi ziet daar met bitterheid op terug.Volgens haar is er weinig positiefs in te ontdekken.
En ze heeft gelijk. Ja toch? Want wat heeft ze nu helemaal nog over? Toen ze uit Bethlehem naar Moab vertrok, ging ze samen met haar man en haar twee zonen. Ging ze ook met een duidelijke verwachting. Want er was hongersnood in Bethlehem en in het land Kanaän. Honger in het land, vloeiend van melk en honing! Gebrek aan voedsel in “het huis van brood”, zoals je de naam Bethlehem letterlijk kunt vertalen!

En als ouders, die hun verantwoordelijkheid kennen, moet je dan wat doen. Elimelech en Noömi hadden gekozen voor emigratie naar Moab. En de verwachting was, zo als gezin te overleven, door de tijd van honger heen te komen.
En er wás brood op de plank in Moab. Over gebrek aan voedsel dáár wordt niet gesproken. Maar dat geeft geen garantie voor overleven. Zowel pa Elimelech als zijn beide zoons, Machlon en Chiljon, zijn in Moab gestorven.

En zo komt Noömi terug. Berooid, zonder geld en goed; want het erfdeel was natuurlijk verkocht, toen ze 10 jaar geleden vertrokken. Arm, straatarm is Noömi. Op haar oude dag moet ze nog van aalmoezen gaan leven. En bovendien: ze komt terug zonder man en kinderen.
Nu ja, schoondochter Ruth is er. Maar op het moment van de terugblik, in het gesprek met de vrouwen van Bethlehem, spreekt die aanwezigheid van Ruth Noömi niet zo aan. Zij is een vreemdelinge, een Moabietische. En ze is een weduwe en brengt verder niets mee. Nee, Noömi mist haar man en zonen. Ze noemt zich ”leeg”: ze heeft niets meer over van de rijkdom bij haar vertrek.

Dat is bitter. “De Ontzagwekkende heeft mijn lot zeer bitter gemaakt”, zegt Noömi. En ze heeft toch gelijk? God leidt toch alle dingen? Hij heeft dat mij aangedaan, zegt ze heel resoluut en direct. Hij heeft mijn man en zonen mij afgepakt. Hij heeft alles wat voor mij het leven zoet maakte weggenomen. En nu is er alleen bitterheid, gal over. En voor de rest niets.

Noömi geeft daarvan uiting aan het adres van de vrouwen van Behlehem. Die zeggen verwonderd tegen elkaar: ‘Is dat Naomi?‘. En de vrouw in kwestie hoort dat. Blijkbaar is zij in die tien jaar nogal veranderd, uiterlijk. Het verdriet heeft blijkbaar zijn sporen nagelaten.

Er kan zoveel gebeuren in je leven,

dat je niet meer de oude bent. Dat de jaren tropenjaren zijn geweest, dubbel, vierdubbel tellen. Er kunnen ingrijpende dingen plaats vinden, in je gezin, met je bedrijf, met je gezondheid. Dat kan zó ingrijpend zijn, dat het voorgoed een stempel op je drukt. Dan ben je niet meer de oude. En wórd je ook nooit meer de oude.
Zo is het blijkbaar met Noömi. Maar dan haar reactie op die vraag. “Noem me niet meer Noömi”, zegt ze. Die naam betekent zoiets als “liefelijk”,”de liefelijke”. Een mooie, positieve naam om aan je kind te geven! Maar dat klopt niet meer, zegt ze. Ik ben niet meer liefelijk! Noem me dan ook maar niet meer zo. Noem me Mara, d.i. bitterheid, gal.

Dat is wel erg zwartgallig van Naomi. Daar gaat niet bepaald veel goeds van uit. Daar houden mensen geen positieve gevoelens aan over. Niet over Noömi. Zij komt over als een verbitterd mens. En dat is ze ook wel. En bovendien: het zijn geen woorden, die een positieve indruk geven van de Heer! Je kunt nog beter zwijgen over God, dan Hem op die manier noemen. Hem in een verkeerd, negatief daglicht stellen.

Om eens over na te denken.

Laten we maar eerst tot tien tellen, voordat we voor mensen een klaaglied aanheffen. Voordat we onze woorden kruiden met alsem (afgebeeld)
Om te beginnen heeft dat al weinig zin. Je dient er niemand mee, ook jezelf niet -al meen je dat misschien, want het maakt je interessant, zie je. Tenminste in je eigen ogen! Maar zinvol? Die ander kan het wezenlijke van jouw klacht en de situatie daarachter toch niet echt inleven.
Klagen lucht wel eens even op. En soms is er iemand, die het opbrengt, klankkast te zijn. Maar denk terdege na over hoe je spreekt over de nare dingen, die gebeurd zijn in je leven.

En laten we vooral heel goed nadenken, vóórdat we iets negatiefs zeggen tegen mensen. En dan over God en zijn omgaan, handelen met ons! Want de duivel aast er op, dat te gebruiken voor zijn anti-goddelijke plannen! Hij wil graag, dat de omgang met en de dienst van God zo zwart mogelijk wordt afgeschilderd. Dat schrikt mensen af, weet je!

Nu kun je dat gemakkelijk zeggen, als je niet in een vergelijkbare situatie staat. Het is echt niet vanzelfsprekend, niets negatiefs van God en zijn doen met jou te zeggen, als daar veel van te zeggen zou zijn naar jouw mening. Als Hij je alles uit handen heeft geslagen. Dat valt waarachtig niet mee! Maar dat zoiets niet meevalt, en God aanklagen voor de hand ligt, dat is nog geen geldig excuus!

Want Noömi vergeet het een en ander.

Ze vergeet, wat ze nog wel heeft: een liefhebbende, flinke schoondochter, om maar iets te noemen. Ze vergeet ook voor het gemak maar even, dat er ook een andere kant aan die lege handen zit. Dat die lege handen niet bepaald brandschoon zijn.
Niet, dat er zo op het oog veel fouts bij haar zit. Ze is een fatsoenlijke vrouw. En ze heeft Ruth dan toch maar zóveel goeds van de God van Israël en wat Hij voor je wil betekenen voorgeleefd en -gezegd, dat het haar uitlokte, voor Hem te kiezen!
Dat was in al die ellende niet echt gemakkelijk, dat begrijpt u.

En toch…
Er zat iets fundamenteel fout bij Eliëzer, en toch ook bij Noömi. En wel in dat vertrek uit Bethlehem, 10 jaar geleden. Je kunt allerlei verzachtende omstandigheden aanvoeren voor hun besluit om weg te gaan. Je kunt iets zeggen over verantwoordelijkheid voor je kinderen, over je verstand gebruiken en zo.
Maar van God uit kun je er eigenlijk maar een ding van zeggen: dat vertrek was ongehoorzaamheid. En uiting van gebrek aan vertrouwen. Ongehoorzaamheid: want hun erfdeel hadden ze als het ware uit Gods eigen hand gekregen.


Nu kán het zijn, dat Eliëzer dat erfdeel niet heeft verkocht voordat hij vertrok. Maar hij waardeert dat geschenk van God niet erg. Hij vreest, dat je er in tijd van nood niet van leven kunt. Ook was er gebrek aan vertrouwen: ze namen zelf het heft in handen. Ze lieten het toch maar niet aankomen op de zorgende Vaderhanden.

Je gaat je eigen weg. Je schakelt God eigenlijk toch min of meer uit. En dan achteraf doe je je beklag. Zeg je, dat God je leven bitter gemaakt heeft. Maar dát gaat toch zeker niet op?

Daar bent u het vast mee eens.

Dat moet je gewoon toegeven. En toch hebben ook wij daar nog steeds een handje van. We klagen over Gods leiding in ons leven en over zijn bestuur van de wereld. En we zijn bepaald niet geneigd, de plaats van de zonde, van de menselijke schuld daarin, over te waarderen. Integendeel, we hebben de neiging die rol te kleineren of te verwaarlozen. Waar of niet?
Nu is het echt niet bijbels, te zeggen -of te denken!-, dat de ellende in ons leven puur een kwestie is van “eigen schuld, dikke bult”. Althans, dat elke zonde hier tijdens dit leven door God op een bepaalde manier afgestraft wordt. Dat je in het cachot komt of iets dergelijks. Dan zou het er niet best uitzien voor ons! Nee, dat oorzakelijk verband tussen zonde en passende straf hier en nu wijst Jezus radicaal af.

Maar je mag evenmin van bepaalde nare gebeurtenissen in je leven louter God de schuld geven en eigen zonde gemakshalve vergeten. Een bepaalde zondige levenswijze kan al bepaalde ellendige gevolgen hebben. Maar ook afgezien daarvan: we hebben geen enkele reden, God te beschuldigen en zelf de vermoorde onschuld te spelen!

Nee, Noömi zit fout.

Later zal ze dat ook inzien, al heel gauw eigenlijk. Namelijk, als Ruth met veel koren thuiskomt, van het land van hem, die de losser zal worden, Boaz. Dan roemt ze de HEER, “Die zijn trouw heeft bewezen aan de levenden én aan de doden!”
Maar dán is ze ook teruggekeerd op het erf van Gods verbond. En maakt ze via Ruth gebruik van de door God aan armen gewezen weg naar die goedheid: aren lezen op de akker. En doet ze -of laat ze Ruth doen- een beroep op die andere rijke uiting van Gods verbondstrouw: het losserschap, zeg maar gerust: de Verlosser.

Wie God en zijn wegen verlaat, heeft smart op smart te vrezen. Ja, maar dat is lang niet altijd zicht- en merkbaar. En het bewandelen van Gods wegen brengt zegen met zich mee. Maar ook dat is lang niet altijd een hier te constateren werkelijkheid. Maar met een beroep op Gods verbondsliefde ben je zeker goed af. En bij Noömi -en Ruth- wordt dat ook zichtbaar duidelijk.
Uiteindelijk staat Noömi met een kleinzoon op de arm. Uiteindelijk is er geen bitterheid, maar de zoetheid van het grootmoederschap. En misschien wéét u, wat vreugdevol, wat een zoete zegen het is, grootouders te mogen zijn! En je kleinkind op schoot te hebben! Noömi beleeft, totaal onverwacht, nog die zoete weelde.

En we weten,

hoe het in dit verhaal nog veel dieper gaat. Niet de bitterheid wint, maar de zoete trouw van God. Dit kleine bijbelboekje eindigt met een van die stukken, die we bij het bijbel lezen geneigd zijn over te slaan: een geslachtsregister.
Maar die is daar niet maar opgenomen, omdat de Joden daar zo gek op waren. Trouwens: ook vandaag nog wordt er door sommigen veel tijd en geld besteed aan het nagaan van de familiestamboom. Ook wij vinden onze “roots”, onze wortels belangrijk!
In de Bijbel steekt daar nog meer achter. Het nageslacht wordt belangrijk geacht -ten diepste vanwege de Messiasverwachting. Kinderloosheid betekende: niet via het nageslacht delen in het heil van de komende verlossing. Geweldig daarentegen, als je in je kindskinderen heen kon leven naar het heil van de toekomst!
God houdt er niet maar individuele gelovigen op na, hier een, daar een paar enzovoort. Nee, Hij is Koning van een volk, dat door de tijden en geslachten heen gaat!

Noömi mag in haar nageslacht heenleven naar de Toekomst. En hoe!! De naam David valt aan het eind van dat korte geslachtsregister. En dat is een belangrijke naam. Want de Messias heet ‘de Zoon van David’. Zo kom je in het boekje Ruth uit bij de Here Jezus. Vanuit Hem mogen en moeten we lezen, wat hier beschreven wordt. Want de Bijbel, Oude en Nieuwe Testament, is een geheel.
Noömi is niet Mara. Want God zet haar via haar schoondochter Ruth, de Moabitische, in de lijn, die naar de Messias, onze lieve Heiland Jezus Christus loopt.

Het is zoet,

te (s)preken en te horen over Hem, onze Heiland. Ik hoop, dat u dat ook al als zoete koek smaakt. Het is zoet voor een zondig mens, te horen van Jezus en zijn woorden en daden. Juist omdat zijn Vader zijn Zóón inderdaad wel bitterheid heeft aangedaan. Hij kreeg de zware last en de bittere beker van Gods toorn te verwerken. En dat in onze plaats. Terwijl wij de bitterheid door en door verdiend hadden!
Is het niet zoet, te mogen leven om de verdiensten van en vanuit de Here Jezus? Is het leven niet echt zoet en goed, als de bitterheid van Gods toorn weggedragen is? Dan mogen mensen je misschien beklagen, omdat je levensloop een zo bittere wending heeft genomen. Dan mogen omstanders meewarig over je praten, omdat er zoveel bittere dingen in de beker zijn gekomen, die je drinken moet. En bitter is bitter, nou en of!


Maar eigenlijk, en soms proef je het daadwerkelijk, is het leven zoet. Want God is goed. En zijn goede trouw is zoet. Eens zul je die volop proeven. Maar zo nu en dan is er al een voorproefje van. Als het er op aan komt: de Heer is goed. Hem dienen, met je liefdevolle Heiland door het leven gaan, is niet bitter.
Zullen we proberen, dat aspect wat meer naar voren te halen, als we het hebben over God en zijn doen met ons? En over zijn leiding in ons leven?

Amen

Voorstel voor een orde van dienst:

Eventueel vooraf Ps. 89: 1,6;
Na votum en groet Gez.. 452: 2,3;

(in een ochtenddienst: schuldbelijdenis: Zach. 3:3, zingen gez. 449:1;
genadeverkondiging: Zacharia.3:4,5; zingen Gez. .449:3,4;
Gods wil: Ex.20+Ef. 5:1,2, Gez..449:5)

Lezing: Ruth.1:19-22;
Ps.77:2,3;
preek;
Ps.73: 8-10;
Slot Gez. 90:1,2 (middagdienst: geloofsbelijdenis.), 11.


Suggesties voor dienst der gebeden

-Voorbede voor allen, die menselijk gesproken reden hebben in verbittering terug te zien op hun leven tot nu toe. Vragen om verwerking in het licht van Gód en wat de bijbel zegt;
-Bidden om openheid voor de ander, zodat we misschien een beetje meer leren begrijpen waarom en waarin die ander het moeilijk heeft;
-Danken voor het goede dat er in ons leven was en is, en dat we vaak niet (zo scherp) zien.

vrijdag, oktober 21, 2005

VRAGEN NAAR DE BEKENDE WEG ? (preek)


EEN VRAAG NAAR DE BEKENDE WEG?

Jezus vroeg Bartimeüs:” Wat wilt u, dat ik voor u doe?” De blinde antwoordde: ”Rabboeni, zorg dat ik weer kan zien”. Marcus 10 : 51 NBV

Je kunt mensen vragen stellen,
waarop je het antwoord eigenlijk van tevoren al weet. “Je vraagt naar de bekende weg”, zeg je in zo’n geval.
De vraag van Jezus aan Bartimeüs lijkt óók zo’n vraag. Zijn probleem was immers bekend. Je kon het zien. Aan de manier waarop hij naar Jezus toe kwam, of naar hem toe gebracht, geleid werd kon je al zien: de man is blind. En met welke bedoeling vraagt een blinde aan Jezus om medelijden? Natúúrlijk om van die blindheid afgeholpen te worden. Dat is zo klaar als een klontje.
Toch denk ik, dat Jezus niet vraagt naar de bekende weg. Om tijd te winnen bijvoorbeeld. Nee, hij heeft er een bedoeling mee. Laten we eens wat nader naar dit verhaal kijken. Kijk je mee?


Jezus is op weg naar Jeruzalem.
Samen met zijn discipelen is hij in Jericho geweest. Nu gaat de tocht verder. Ze worden gevolgd door een grote menigte pelgrims. Het is straks Pascha per slot van rekening. In Jeruzalem, in en bij de tempel willen ze het feest vieren. Bovendien verwachten ze van de rabbi uit Nazareth grote dingen. Zal hij de kroon grijpen en koning worden? En de bezetters er uit smijten?

Maar meteen is er al een oponthoud. Net buiten Jericho vindt een incident plaats. Daar zit een bedelaar aan de kant van de weg. Ja, want Bartimeüs is niet alleen blind, hij is ook bedelaar.
Maar hij is natuurlijk allereerst blind. Dat is DE ellende voor hem.

Blind zijn
is ook vandaag een grote handicap. Maar toen was het nog erger. Nu zijn er allerlei speciale voorzieningen, om te helpen. Zodat ze toch nog aan zoveel mogelijk dingen van het leven mee kunnen doen. Toen was daar geen sprake van. Je zat gevangen in een wereld van duisternis. En werken? Onmogelijk!

Dus was bedelen
voor hem de enige manier om aan de kost te komen. Want van een WAO had men toen nog niet gehoord. En blijkbaar laten zijn familie en vrienden het ook afweten. Want God had aan zijn volk bést de verantwoordelijkheid voor elkaar bijgebracht. En dat bedelarij vóórkwam, was een teken, dat men Gods gebod, om je naaste liefde te bewijzen, aan de bekende laars lapt.
Zo is Bartimeüs vanwege zijn handicap veroordeeld tot de bedelstaf.

Hij heeft wel een daaldersplekje uitgekozen trouwens. Drommen pelgrims trekken langs. En ze zijn in een goede bui over het algemeen. Al in de feeststemming natuurlijk. Dus kunnen er gulle giften “in de pet” terechtkomen. Met vette aalmoezen kom je natuurlijk ook bij God in het gevlei. En dat is nooit wég met het oog op Pascha.

Bartimeüs zit daar trouwens altijd. Dag in dag uit. Elke morgen wéér neemt hij zijn plekje daar in. De mensen, die regelmatig reizen van Jericho naar Jeruzalem en vice versa, weten dat zo langzamerhand wel. Daar zit die blinde man. En velen weten zijn naam. Bartimeüs zit daar. Daar hóórt hij gewoon te zitten. Hij hoort bij de inventaris, zeg maar.

Ja, zo zág men hem in het algemeen, de goeden niet te na gesproken. Men zag hem niet als een geschenk van God. Een geschenk, dat je de kans gaf, de liefde tot de naaste te beleven. Om je verantwóórdelijk te weten voor zo iemand. Nee, die verantwoordelijkheid nám men niet.

Net als vandaag trouwens.
Veel mensen vinden liefdadigheid leuk. Maar dan moet het wel massaal zijn. Een of andere actie, dát is leuk om aan mee te doen. Dan voel je je voldaan en trots: “Daar heb ik ook aan bijgedragen”.
En als er publiciteit uit te halen valt. Of er een loterij aan verbonden is. Een auto winnen, mja…! En ook een leuk geldbedrag is nooit weg.
Maar anders, nee. Dat is een luxe, die ik me niet kan permitteren. Ik heb zélf al moeite om de eindjes aan elkaar te knopen. Ik moet oppassen, want anders schiet mijn vakantievliegreis er bij in.
En dus zijn er ook hedendaagse Bartimeüssen… Veraf, maar ook dichtbij.


Bartimeus zit dus aan de uitvalsweg van Jericho naar Jeruzalem. En hij wil natuurlijk graag aalmoezen. Zo komt er brood op de plank immers.
Nou, néé. De blinde wil wat anders. Hij wil méér. Hij schreeuwt. Hij wil aandacht. Van Jezus, die hij blijkt te kénnen. Van wie hij veel gehoord heeft. Bijvoorbeeld de genezing van blinden. Zelfs van een blindgeborene. Daarom heeft hij hoge verwachtingen.

Dat blijkt uit de titels, waarmee hij de Heiland aanspreekt. Nou ja, spréékt. Hij moet roepen, schreeuwen, om boven het geroezemoes van de babbelende mensen uit te komen. Want Jezus móet hem horen! Jezus, die hij bij zijn naam noemt, “Jezus”. En bij een veelzeggende titel, “zoon van David.”

Eigenlijk duidt hij de Man uit Nazareth daarmee aan als de Messias. Want er was beloofd, dat uit het nageslacht van David DE zoon van David geboren zou worden. De Messias. “Gezalfde” betekent dat. En dat geeft aan: de door God aangewezen en daartoe in staat gestelde Verlosser. Hij, die het volk uit de ellende wég zou trekken. Die dus ook hem, Bartimeüs uit zijn nood zou kunnen bevrijden.

Dit is zijn kans!
Dus roept hij uit alle macht. De mensen manen hem op het ene moment, Jezus niet te storen op zijn reis. En het andere moment, als Jezus de blinde tot zich roept, helpen ze en leiden ze hem naar Jezus. Ja, want zó veranderlijk, wispelturig zijn mensen. En zo gemakkelijk te beïnvloeden.

Maar Bartimeüs is bij Jezus! Koning Jezus verleent hem audiëntie. Ja, mensen van dat slag zijn welkom bij hem!

Kijk, wij hebben wel eens het idee, dat je niet moet omgaan met bepaalde types. We hebben de mensen eigenlijk in klassen verdeeld. In elk geval: we gaan niet met iedereen even graag om. We kiezen onze vrienden. We zoeken ze uit. Niet iedereen komt er voor in aanmerking. En vooral iemand die we hóóg hebben, moet in onze ogen kieskeurig zijn.

Maar hij, die onze koning wil zijn, gaat om met bedelaars. Zoals hij omgaat, een band schept met hoeren en tollenaars. Ze mogen bij hem horen. Hij wil hen bij zich hebben. Hij wil hen helpen. Dat betekent, dat hij jou en mij wil helpen trouwens. Want er is geen enkele reden, waarom de Heiland met bewondering naar jou of mij zou kunnen kijken. Ik vrees wel eens, dat de enige die een hoge pet van me op heeft, ik zelf ben! Herkent u dat? Dan bent u vast ook enorm in uw nopjes met deze koning!

Jezus wil de blinde bedelaar helpen.
“Wat kan ik voor je doen?“ Kijk en dát is nu zo’n rare vraag. Dat lijkt vragen naar de bekende weg. Want wat wil een blinde graag? Hij heeft maar één ding op zijn verlanglijstje. En dat is: zien. De zon zien opgaan, de bomen en bloemen, de mensen. Zo is dat toch. En Jezus wéét dat toch ook?

Waarom dan die vraag?
Ja, maar is het wel zo’n vreemde vraag? Is het vanzelfsprekend, dat hij vraagt om genezing van zijn blinde ogen? Hij zal echt wel eerder bij een dokter geweest zijn. En als hij echt blind gebóren is, dan vooral was genezing toen gewoon niet haalbaar.
Dus: een reële vraag. Wil hij nog genezen worden? Ziet hij het nog zitten? Of is hij tevreden met een flinke aalmoes. Zodat hij niet eer dag in, dag uit, in weer en wind, aan de kant van de weg hoeft te zitten om een broodje op de plank te krijgen? Dát was wellicht wél haalbaar.

Ja, door deze vraag wordt Bartimeüs ook geconfronteerd met zichzelf en met de ernst van zijn probleem. En tegelijkertijd wordt zijn aandacht op Jezus gericht. Gaat hij zich realiseren, wat Jezus voor hem kan en wil betekenen. Dat alleen Jezus hem kan helpen. En dat hij hem complete redding kan geven. Redding in letterlijk alle opzichten!

De blinde heeft dat begrepen.
Dat bleek al in wat hij éérder vroeg, beter: uitschreeuwde: “heb medelijden!” Als je dát vraagt aan Jezus, in wie je de Messias ziet! Dan vraag je om méér dan ziende ogen. Dan vraag je om het heil, om heling in alle opzichten. Dan vraag je, voorgoed bij de Heiland te mogen zijn.

Zó ziet de bedelaar het. Hij ziet Jezus als degene, bij wie je daarvoor moet zijn! Dat blijkt al uit de aanspraak in het antwoord op Jezus’zo op het oog vreemde vraag. Rabboeni. Dat betekent meester, leraar met name. En wel: leraar namens God. Degene, die je dé weg kan wijzen, de weg naar God.

Dus aan de rabbi uit Nazareth, de Messias, vraagt vraagt de blinde geen aalmoes. Maar hij vraagt nieuwe ogen. Om niet meer te hoeven bedelen, dát ook, ongetwijfeld. Maar ook ogen, die de Redder kunnen zien en zijn heerlijkheid.


En weet u,
eigenlijk stelt Jezus je vandaag nog dezelfde vraag. Wat kan ik voor je doen? Wat kan ik voor u betekenen? Wat WILT u, dat ik doe voor u? Wat MAG ik doen in je leven? Dat vráágt hij u in elke kerkdienst. En als je daar nooit komt: hij vraagt het tóch wel. Bijvoorbeeld, als je kijkt en luistert naar een collega of klasgenoot, die deze Jezus blijkt te kennen. Of als je eens “toevallig” op een verkeerd radiostation terecht komt. Of bij het zappen op een tv-zender, waar het over het geloof en over Jezus gaat. Of als je bij het surfen op het net onbedoeld iets opvangt over datzelfde onderwerp. Dan kan het gebeuren, dat de Heiland je recht in de ogen kijkt. En je voor de keus plaatst.

En? Zeg eens bij jezelf (want ik heb er niks mee te maken natuurlijk):
wat is je grote wens?
“Nou, de hoofdprijs in de Postcodeloterij, die zou al mijn problemen oplossen”. Niet iedereen zou die wens uiten. Maar ik ben bang, dat ook bij veel kerkmensen het kruis van Jezus schuil dreigt te gaan achter Euro’s! En geld kan véél problemen voor je oplossen. Maar ALLE? Geld, rijk zijn, zou dát je voorgoed volmaakt gelukkig maken? Weet u het héél zeker?

Een ander: mijn grote wens? ”Die rolstoel aan de kant”. Of “dat bed alleen voor de nacht, en overdag nooit weer zien!” Gezondheid is een grote schat. En wie niet ziek of gehandicapt is, heeft er geen benul van, hóe groot wel! Maar weer beter zijn, niet meer gehandicapt zijn, is dat het volmaakte, altijd durende geluk? Ik vrees…

Weer een ander wenst zich roem en eer. Je zult toch zo beroemd worden als David Beckham of als Marco Borsato. Of later een standbeeld krijgen als André Hazes.
Of je wenst macht en invloed. Nou ja, er zijn veel begerenswaardige zaken, die gezien worden als het toppunt van geluk. Zou dat écht zo zijn?

Intussen kijkt Jezus
u en jou nog steeds aan via deze tekst op het net (deze preek). En hij blijft zijn vraag stellen: wat kan en mag ik voor je doen?


Bartimeüs weet het héél zeker. “Meester namens God, dat ik weer kan zien “. Met andere woorden: hij wil wandelen in het licht. Hij wil alles zien. Hij wil de mensen zien. Maar hij wil vooral JEZUS zien. En hém ziet hij ook als eerste. Want Jezus maakt zijn ogen gezond. Maar hij heelt de hele méns die voor hem staat. “Daar word je een ander mens van”, zeggen we wel eens. Nu, Bartimeüs is een ander mens geworden. Een mens met geloof, zo zegt Jezus. Een behouden, geheeld mens. Een mens van Jezus. Onlosmakelijk aan de Heiland verbonden, van nu voortaan.

Het is niet voor niets, dat deze blinde een naam krijgt. Velen, verreweg de meesten die door Jezus genezen worden, blijven naamloos. Dat wil zeggen: we kénnen hun namen niet. Die van déze blinde, nu ziende, wél. Marcus kent hem. De gemeente, die zal ontstaan na Jezus’ opstanding, kent hem. Hij hoort bij hen. Want hij hoort bij Christus.

Zie maar:
“en hij volgde hem op zijn weg”.
Dat is de weg naar Jeruzalem, 30 km naar het westen. Maar het is voor de ex-blinde de weg van het licht. Maar het is wél de weg, die naar het kruis voert. Naar het lijden, naar de dood, naar het graf. Maar ook dóór het graf heen. Want het graf ging open. En de Levende kwam naar buiten. En wie hem volgt, mag dezelfde weg gaan!


En nog steeds kijkt die Jezus, die heelt, die licht en leven voorgoed in je leven brengt, je aan. En vraagt: mag ik dat ook voor jou doen? Maar nu vraag je je intussen wél af: gééft hij dat? IS hij het wel voor me? Want hem volgen, dat is niet niks! Dan moet je óók mee het donker, het lijden, de dood in! En volgen, dat wil al zeggen, dat je het zelf niet meer voor ’t zeggen hebt. Dus: wég vrijheid, je eigen gang gaan, macht, invloed en noem maar op!

Nee, dat lijkt niet aanlokkelijk. Dat WILLEN we niet uit onszelf. Dan wandelen, rennen we liever regelrecht de dood tegemoet. Dan kun je vóórdien nog zoveel mogelijk genieten, toch?
En toch: bij Jezus is licht en leven en geluk, BLIJVEND. En bij Jezus ALLEEN! De blinde Bartimeüs had het goed gezien. Dus: Jezus navolgen:
een absolute aanrader!

Of wándelt u al achter Jezus aan? Volgt u hem al heel lang? Gefeliciteerd!
Maar dat betekent niet, dat u aan die ogen van Jezus ontkomt. Ook dán moet je kiezen. Want dat volgen van Jezus moet in praktijk gebracht worden. Elke dag van je leven. In allerlei situaties moet je kiezen. Kiezen voor de Heiland.

Nee, niet, dat je altijd het lijden en de donkere wegen, de weg door de diepte moet kiezen. Je mag genieten van wat God u in dat volgen van Jezus geeft. Maar soms betekent het wél, dat het donker wordt. Dat het volgen pijn doet. Omdat je niet je eigen wensen na mag streven. Maar jezelf moet verloochenen, als je vraagt naar zijn wil.
En dat is best wel eens moeilijk. Dat is soms lóódzwaar. Dan heb je veel kracht nodig. Die is bij God trouwens volop te krijgen.

En: het gaat richting Jeruzalem.
Richting de stad met gouden poorten. Richting nieuwe hemel en aarde. En richting eeuwig licht en leven en geluk. En onderweg heb je de Heiland bij je, met ál zijn liefde!
Dus het is al die moeite, dat donker, die zelfverloochening méér dan waard!
Amen.
(oktober ’05)


Voorstel van een liturgie:

Eventueel vooraf: Gez. 16: 1,2.
Na stil gebed, votum en groet Ps. 146 : 3,4,5

[In ochtenddienst: als schuldbelijdenis en woord van genade zingen: Ps. 130 : 1,2
Gods wil: Matth. 5 : 1-12
Zingen: Gez. 437 : 1,2,3 ]

Gebed om de Geest
Schriftlezing: Marcus 10 : 46-52
Zingen: Zingende Gezegend 55 : 1,4,5 of Ps. 72 : 4,6
Schriftlezing: Matth. 16 : 24-28
Ter inleiding op de verkondiging zingen: Gez. 326 : 1,5
Verkondiging over Marcus 10 : 51
Zingen: Gez. 441 : 2,6

Gebeden
[in een middagdienst:apostolische geloofsbelijdenis]

Zingen: Zingende Gezegend 310 : 1,5 of Ps. 107 : 19,20



Handvaten voor de dienst der gebeden:

Bidden - voor de “bedelaars” van nu, ook en vooral die in arme landen
- om een goede instelling, wanneer we helpen, nl. om te dienen, niet om bij God wat te VERdienen
om een goede kijk op Jezus: niet maar e e n weg naar God, maar DE enige
om in onze wensen de goede prioriteiten te stellen; om het leven met Jezus boven alles te stellen
om verkeerde wensen af te leren
om zelfverloochening

Danken voor de sociale voorzieningen, die wij wél hebben;
Bidden voor de overheid.
voor mensen in nood in deze wereld

dinsdag, oktober 11, 2005

WERKEN EN VRIJE TIJD (meditatie)



Harmonie tussen werken en vrije tijd

“Maak buiten uw werk gereed…; daarna kunt gij uw huis bouwen”. Spreuken 24 : 27

Een groeiend aantal mensen heeft grote moeite, de juiste balans te vinden. Het evenwicht namelijk tussen werk en vrije tijd. Het leven van veel mensen, en vooral veel mannen, is werken. Vrije tijd bestáát amper voor hen. Het gezin komt er zéér bekaaid van af. De echtgenote voelt zich totaal verwaarloosd. De sociale contacten staan zwaar onder druk. Nooit komen ze klaar met het werk. Constant staan ze onder grote stress. Een burn-out dreigt. Want er moet zoveel, zie je!

De tekst hierboven
maakt dat schijnbaar niet beter. U snapt al, dat het hier over een agrarische samenleving gaat. Waar ze van tele-werken nooit gehoord hadden . Waar het werk “buiten”, op het land, was. Daar moest de grond bewerkt worden. Daar moest geploegd, gezaaid, geoogst worden. Daar moest het vee aandacht en verzorging krijgen.

Een héle klus. Dat nam in bepaalde tijden van het jaar heel veel tijd en energie van de eigenaar van het land. Zéker tóen, een tijd zonder machines en loonbedrijven.

Dát moet éérst,
zegt de wijze Spreukendichter. Maak buiten uw werk gereed. Maar dan ben je nog (lang) niet klaar. Dan moet er nog méér. Daarna kunt u uw huis bouwen. Dat wil zeggen: je geven aan je gezin, je vrouw, je kinderen. Gezelligheid, ontspanning dus.

Dat is dus niet niets-doen.Er zijn voor je vrouw, je man (als die tenminste thuis is!). Jantje helpen met zijn huiswerk (als je dat kunt althans, want er is zóveel veranderd, alwéér!). Of een spelletje of praten met de kinderen. En zó het huwelijk, het gezin opbouwen en versterken.


Nu kun je zeggen:
wát een opgave.
Móet dat allemaal? Wanneer “kom ik dan aan mezelf toe”? Ja, zo heet dat tegenwoordig, aan jezelf toekomen.

De bijbel zegt: werken, zowel “buiten” als in “huis”, mág. De opgave is een gave. En soms proef je dat nog bij mensen in het voelbare plezier, dat ze in hun werk hebben. Gelukkige mensen zijn dat…

Tegelijkertijd weet de bijbel ook, dat werken voor ons veelal van karakter veranderd is, sinds de zonde een plaats heeft gekregen hier op aarde. Werken wordt vaak ervaren als moeten. Het kost inspanning, veroorzaakt spanning. Want het moet gebeuren op een aarde, waar de vloek doorwerkt. Bijvoorbeeld in dorens en distels. Onkruid groeit vaak beter dan het gewas.

Nu weten christenen van het werk van Hem, naar wie ze heten: Christus. En wie lééft uit Hem, mag ook werken vanuit Hem. Werken vanuit zijn overwinning –Paasfeest! Want de dag van de opstanding is nog altijd de eerste dag van de week. En dat is niet maar symbolisch. Nee, dáármee mag je de week beginnen. Dáár komt je inspiratie en energie vandaan. En dán besef je weer: werken mag!

Dat kleurt in wezen je werken “buiten”, op kantoor, in de zaak. Althans hoe meer het geloof voor je leeft. Hoe meer Christus daadwerkelijk je leven bepaalt.

En dan is “je huis bouwen” zelfs voor de bouwvakker –die “buiten” ook al letterlijk moet bouwen- geen zware klus. Dan kom je tóch –en dan pas écht!- aan jezelf toe. Je mag je talenten ontplooien in je werk. En je mag je ontspannen in het opbouwen en versterken van je huwelijk en gezin.

Een beetje erg idealistisch, zegt u?
Komt daar wat van, als het de hele dag tegenzit op het werk? En als de jongens en meiden echt helemaal dwars liggen? En moet ik mijn sport er nou ook nog aangeven?

Och nee, dat laatste toch maar niet. En: och ja, de vloek blijft en werkt altijd. Maar door Christus wordt wél je houding tegenover werk en gezin anders. Dat Hij hét werk volbracht heeft, dát geeft de ware ontspanning!

Zingen/bidden: Gez. 287 : 2,3,4