maandag, september 26, 2011

LICHT IN DE DUISTERNIS Johannes 8:12 (preek)



LICHT IN DE DUISTERNIS (Preek over Joh. 8:12)

“Hij (Jezus) zei: Ik ben het licht voor de wereld.” Johannes 8:12

Vaak treffen vakantiegangers het niet zo met het weer, vinden ze. Althans zij,die in ons mooie landje gebleven zijn. Ze hebben het zonnetje al te vaak gemist. En wat is nou vakantie zonder zon?!
Ja, wat zou het leven zijn zonder zon, kun je vragen. En het antwoord is: niets. Want er als er geen zon was zou er geen sprankje leven zijn! De zon, het licht is levensvoorwaarde nummer één, zie je!
Dat beseffen we meestal niet. Want die zon mag wel eens schuil gaan onder een dik pak wolken. Váák, té vaak naar onze smaak. Maar ja, het is waar: áchter de wolken schijnt de zon. Ook ’s nachts geeft de zon via weerkaatsing door de maan nog licht. Maar dat is niet veel.
Dat merken we in de tent. Dan heb je wel hulpmiddeltjes, maar het blijft behelpen.
In het donker buiten –voor zover het nog donker is in onze moderne wereld- kun je dat óók merken in een bewolkte nacht. Je ziet geen hand voor ogen. Je weet niet waar je loopt, kunt je nergens op oriënteren. Je dreigt te verdwalen, ergens tegenaan te lopen, te vallen, je te bezeren, zodat je niet verder kunt.
De zon, die hebben de planten nodig. En de zon, daar kunnen wij mensen niet zonder leven.
                                                   ------
God schiep het licht, op de eerste dag. En op de vierde dag de grote en de kleinere drágers van het licht. God heeft het licht, de zon aan ons gegeven. Het licht, de zon, komt van God. God is zon, licht, heerlijk, stralend licht.
En nu zegt Jezus: “Ik ben het licht voor de wereld”.
de zon komt op...
Dat betekent voor de goede verstaander nogal wat! Voor hen zegt Hij: Ik ben de door God beloofde en nu gegeven Messias. Ik kom rechtstreeks van God, HET Licht, DE Zon. En dat konden de mensen toen weten. Want de laatste profeet van het Oude Testament, Maleachi heet hij, had een belofte van God doorgegeven. Deze: “Maar voor jullie die ontzag voor mijn naam hebben zal de zon stralend opgaan, de zon die gerechtigheid brengt en genezing in haar vleugels draagt”.
Dus Jezus is die zon. Dat zegt Hij met nadruk van zich zelf. IK ben het licht voor de wereld. Dat zie je zo niet in het Nederlands. Maar neem het maar van me aan. IK ben het licht. IK ben het en anders niemand. Het licht, met gerechtigheid en genezing, dat ben IK.

een lamp
Jezus is het LICHT. We maken verschil tussen lamp en licht, bijv. daglicht, licht van de zon. Vergeleken met daglicht is lamplicht maar surrogaat. Nu, Jezus noemt Johannes de Doper een lamp. (Joh.5:35) Maar Hij noemt zichzelf het Licht. Hij is de bron, de drager van alle licht. En dat is exclusief. Het licht, dat is alleen HIJ. Zo komt het ook in het Grieks, (de taal waarin het Nieuwe Testament oorspronkelijk geschreven is) naar voren. Het Licht, dat ben IK.
Jezus komt van God. Het licht komt van God. Hij is het Licht. En Hij heeft het licht aan de mens gegeven. Daar begon de schepping zelfs mee. Op de eerste dag schiep Hij het licht. En op de vierde dag gaf Hij de Zon, de drager van het licht. God gaf aan de aarde, de planten, de dieren, de mensen dat grote geschenk: de zon, het licht.

achter de wolken...
En de zon, die IS er. Nooit kun je naar waarheid zeggen: "Waar blijft die snuiter nou weer? Alweer, net als die trein gisteren, een uur vertraging"". Je hoeft niet ’s morgens als je opstaat, je af te vragen: “Zou de zon er nog wel zijn?” Nee, ze is er, elke morgen weer. Je ziet haar niet altijd. Maar achter de wolken schijnt de zon, altijd, elke dag weer. Die levensvoorwaarde biedt onze God, zolang deze aarde bestaat. Zo lang is er lichte en warmte.
De zon is er. En zo is Jezus er ook. Daar hoeven we niets voor te doen. Helemaal niets. We hoeven Hem niet te voorschijn te roepen. Of Hem naar ons toe te roepen. Nee, Hij is er. En van die aanwezigheid mogen we “gewoon” -nou ja, gewoon?, het is een wonder van de bovenste plank- gebruik maken. En zeggen: “Dank U, dat U er bent. Dank U voor wat U hebt gedaan, voor wat U bént voor mij! Dank U, dat ik daarom mag leven. Echt mag leven, ongestoord, voor altijd”.

Zó is God, tot ons grote geluk. Hij is goddelijk royaal. Hij laat zijn zon opgaan over bozen en goeden. En zo heeft Hij zijn Zoon gegeven als licht. Als licht voor elk en iedereen. Iedereen, die dat als grote wens heeft: in het licht van Jezus te staan. Door de Heiland leven te hebben. Leven, ondanks dat wij het verprutst hebben. Leven, dat tegen alles bestand is. Dat door slopende ziekte heen, ja, door de dood heen, blijft.
Besef je wel, hoe onze situatie zonder hem zou zijn? We hebben het licht niet in bezit. Ons leven is uit onszelf van vreselijk slechte kwaliteit, weet je. Het lijkt nergens op.
                                                         -----
Want als Jezus zegt: “Ik ben het licht voor de wereld”, wat houdt “licht” dan in?
Dan gaan we maar wéér even naar het Oude Testament. Want daarin wordt immers de komst van de Heiland beloofd? Nu dan, in Jesaja 9 wordt verteld over een volk -dat is het volk van God. En dat volk zit helemaal in dichte duisternis. Dat wil zeggen: nergens is hoop, nergens is redding. Want de vijand onderdrukt het volk, maakt er slaven van.
Maar dan gebeurt er een wonder. Er komt licht in het donker. Helder, schitterend licht. Hoe komt dat dan?
De reden: “ Een kind is ons geboren, een zoon is ons gegeven”. En het is de toekomstige koning, die zal  bevrijden. Zo zal het licht gaan schijnen, de zon gaan stralen. Dus: het licht betekent verlossing, bevrijding.
En in Jesaja 49 (vers 6) staat, dat God die verlosser, de Messias, de Heer Jezus, zal maken tot een licht voor alle volken. Jezus is dus het licht, redding, bevrijding, voor de hele wereld! Jezus brengt licht in de duisternis. Hij doet de zon opgaan over je bestaan. Zodat de duisternis wijkt. De duisternis in je leven als gevolg van de zonde.

Want ons grootste probleem is niet die verregende vakantie. We moeten niet als centrale vraag hebben: waar blijft mijn vakantiezonnetje? Maar: hoe wordt het licht in mijn leven? Hoe kom ik van de óórzaak van de duisternis in mijn bestaan, de zonde, af?
Want het is vaak donker in ons leven. Het kan soms stikdonker zijn in een mensenleven. Ik denk, ik vrees moet ik zeggen, dat velen daarvan mee kunnen praten. Dat zouden er wel eens veel meer kunnen zijn, dan we denken. Want er zijn veel binnenvetters. Mensen die over hun gevoelsleven weinig of niets kwijt willen Of die daarover misschien erg moeilijk kúnnen spreken. Maar erg veel mensen om ons heen zitten in het donker.
Voorbeelden? Ze zijn er te óver.Je kijkt opeens naar de toekomst als naar een gapend zwart gat. Want de diagnose luidde: ASL. Of: kanker in een ver-gevorderd stadium. En een operatie is volkomen zinloos. Of: hoe moet ik verder, nu zij er niet meer is. Ze heeft je verlaten. Of hij, van wie je zo intens hield, is gestorven.
eenzaam
Wat kan het pikdonker zijn, als je altijd maar pijn hebt. Of als je je wel zó ontzettend eenzaam voelt. En bij eenzaamheid denkt u uiteraard aan een oude man of vrouw in het verzorgingscentrum. En die kunnen dat ervaren. Eén donkere nacht is hun leven!
Maar je wilt niet weten, hoeveel jonge mensen er eenzaam zijn! Eenzaam op school, in de klas. Wat een duisternis!
Duisternis, als niemand je schijnt te begrijpen. Of, want dat kan ook, dat je dreigt te verdrinken in een inktzwarte zee van zonde en schuld.

De blijde boodschap luidt:Jezus, het licht voor de wereld, kan elk mens die in het donker ronddwaalt, in het licht zetten. Elk mens bevrijden
Dat kan Hij. Kijk maar eens naar wat aan deze woorden voorafgaat. Het gaat daar over een vrouw. Ze zat bij wijze van spreken in de dodencel. Want ze was op heterdaad betrapt bij het plegen van overspel. Dus was ze op weg naar de executie: de dood door steniging. Een inktzwarte toekomst wachtte, en verder niets.

Maar ze gaat bij Jezus vandaan, wandelend in blij zonlicht. “Ga naar huis en zondig vanaf nu niet meer”, had Jezus gezegd. Vrijspraak! Jezus zet haar in het licht. Hij verlost van zonde en schuld. En maakt het zo licht in je leven. Hij laat de zon opgaan in het leven van elk die in het duister dwaalt. En dan in die duisternis Hem en zijn werk, zijn offer aanvaardt.
Zijn offer, ja dat toch echt wél. Dat was absoluut noodzakelijk, om mensen te redden, het leven te geven. Door het licht te doen opgaan. Door de zon te laten schijnen in hun leven. En waarom was dat offer van zijn leven daarvoor nodig?
Nou, het licht was niet vanzelf weggegaan uit hun leven. De zon had niet gezegd: “Aju paraplu, ik kap ermee, zoek het maar uit, zorg zelf maar voor licht voortaan.” Nee, zij hadden God, de bron van alle licht, de Zon van leven en liefde, de rug toegekeerd. “We zoeken het zelf wel uit, vaarwel, God”. Zó waren ze in het donker beland, zonder enig uitzicht.

En om dat weer in orde te maken, moest Jezus zijn leven geven. Moest Hij in de duisternis van de hel. Dat zag je al, toen Hij aan het kruis hing. En toen het drie uur lang donker werd. Toen Hij het moest stellen zonder het licht van het liefdevol gezicht van zijn Vader.
Dáárom is er licht voor mensen, die zelf het donker uitgekozen hebben. En nu met de brokken zitten. Met een heden en een toekomst zonder een sprankje licht. Voor eeuwig zonder de Zon, die God is. Zonder Jezus, het Licht voor de wereld. Zonder het licht van zijn liefde. Zijn liefde die vergeeft. Die je in de vrijheid en de vreugde van God zet. Die vriendelijk naar je kijkt om de wille van Jezus en zijn offer aan het kruis.
Er is volop licht, dát licht voor hen. Dat is er door Christus te aanvaarden. Door Hem te vragen, in je leven te komen. Dan gaat op een wonderlijke manier, door het werk van de Heilige Geest, dat echt gebeuren. Dan wandel je in het licht. En dat niet alleen als de zon écht op je bolletje schijnt. Als je levenspad over rozen gaat. Maar ook in het donker van grote problemen is er licht.
En dáárom is dat licht zo beslissend. Want het kan nu al zo donker zijn. Maar eens komt de nacht. De nacht van de dood. Maar wie gelooft, wie het Licht vertrouwt, zich daaraan toevertrouwt, die heeft ook dan licht.
Geweldig is dat! Niet te geloven, maar werkelijkheid. En dat gun je toch iedereen?

Daarom moet je, zoals het vervolg zegt, Jezus volgen. Dan wandel je zelf in het licht. En dat zien mensen, die in het donker rondtasten en aan het dwalen zijn. Wandelen in het licht. Want Jezus zegt ook tegen zijn leerlingen, tegen al zijn volgelingen: “Jullie zijn het licht voor de wereld”. Dat komt kun je zijn door de verbinding met Christus, het Licht.
De weg van de kinderen van het licht gáán, bewandelen, zo zegt Efeze 5 dat. Dat brengt goedheid voort en gerechtigheid en waarheid. In het vervolg van dat hoofdstuk wordt dat concreet gemaakt. Dat heeft te maken met je omgaan met alcohol, met dankbaarheid en gezamenlijke blijdschap, aldus Paulus. Dus dankbaarheid naar God toe. Het heeft ook te maken met je huwelijk, je omgaan met je man, je vrouw in liefde. Met je houding ten opzichte van je ouders, en je kinderen.
in de klas
Kortom: iets uitstralen, licht uitstralen, dat moet je zoeken in de zaken van het gewone leven. Dicht bij huis. Zelfs in huis. Maar ook in de klas. Ook als de leraar of lerares met de rug naar je toe staat. En op je werk. Hoe je de collega’s op kantoor benadert. Denk je er dan aan, dat Jezus het Licht voor je is? Hij is het allerbelangrijkste voor je. En je laat merken, hoe fijn het leven, dat Hij geeft wel is. En dat Hij erbij blijft en je Licht blijft, ook in tegenslag. Dat je licht hebt in het donker.
Nu zijn er veel méér mensen, die blij zijn, vriendelijk, attent, noem maar op. Maar die toch de Heiland niet kennen. Wat maakt nou het verschil? Dan gaat het om het uitgangspunt. En dat is God, het Licht. En Jezus, door God gegeven als licht voor de wereld. Hij blijft centraal staan in je leven. Daardoor kun je volharden. in die vriendelijkheid. In dat er-zijn voor de ander, zelfs ook als je zelf in de nesten zit.

En daardoor kun je vriendelijk maar beslist soms NIET meegaan met die ander. Omdat je Heiland dat niet wil. En zijn wil is wet, zie je.
Want Hem wil je nooit verliezen. En... Hem verlies je niet. Want Hij verliest jou niet, verlaat je nooit ofte nimmer! Die Zon blijft, zeker weten!

Amen dus!
-------------------------------------------------------------------------------------------------------
Handreiking voor de liturgie:
De volgende liederen zouden een plaats kunnen krijgen:
Psalmen: Ps. 27 (:1,2,) 68:7,12; 36
Gezangen:379: 1,2, en 3,5
26:1,3; 167:1,3,6 430:1,2,5,7
90:11; 75:7-9
Zingende Gezegend 310: 1,2,3
Schriftlezing: Johannes 8:1-20
---------------------------------------------------------------------------------------------------------
Tips voor de dienst der gebeden:
Bidden voor mensen die, soms om ons niet bekende redenen, in het donker zitten, hulpeloos, radeloos. Geef hun een open mond!! en een luisterend oor (die van mij, jou?)
Voor eenzamen, chronisch zieken. mensen, die elke dag moeten leven met pijn.
Danken, dat God zijn zon doet opgaan voor iedereen...
Vergeef ons neiging, Hem rug toe te keren.
Help ons Gods licht te weerkaatsen op de plaats waar we gaan/staan.

woensdag, juli 13, 2011

EEN HUILENDE REDDER, IS DAT WEL WAT? (preek)

EEN HUILENDE VERLOSSER, EEN HULPELOZE HELPER?
“…Jezus begon ook te huilen…” Johannes 11:35

Er wordt heel wat afgehuild, hier in dit verblijf, dat niet voor niets “tranendal”genoemd wordt. Als het stil blijft na de geboorte, als het kindje niet huilt, dan is er iets niet in orde. Het leven moet beginnen met huilen.
Er wordt heel wat afgehuild. En dan te weten, dat veel tranen worden teruggedrongen, weggeslikt. Want een man bijvoorbeeld, die huilde niet, zie je. Hopelijk gaan we daar tegenwoordig een beetje anders mee om. En is het ook voor een man niet altijd meer een teken van zwakte, als de waterlanders voor de dag komen. Ook mánnen kunnen huilen.
een traan...
Veel tranen hier in dit leven. Maar wél heel verschillende tranen. Uitingen van heel diverse emoties. Van verdriet. Maar ook vreugdetranen. Tranen van ontroering, omdat je de schoonheid van iets ervaart. Omdat een dichter onder woorden brengt wat jij ervaart bijvoorbeeld. Tranen, in allerlei emoties.
--------
De tekst (hierboven) is maar erg kort. Superkort. Om in het Guiness Book of Records te zetten. In een oudere vertaling van de Bijbel (die van het NBG, Nederlands Bijbel Genootschap,) bestond dit vers maar uit twee woorden, “Jezus weende”. Dat klinkt trouwens een stuk plechtiger, vind je niet? Jazeker. Maar het is de vraag, of dat de bedoeling is.. Dat het plechtig moet klinken. Omdat het over Jezus gaat misschien. Of dat het wel goed is, dat gewone, alledaagse taalgebruik “Jezus begon ook te huilen”.
Laten we eerst eens naar de situatie kijken. Waarom onze Heiland hier in tranen is.
Nou, Lazarus is overleden. En diens zussen, Maria en Marta, noemen hem in hun boodschap aan Jezus “uw vriend”. En Jezus noemt hem naar zijn leerlingen toe ook “onze vriend”. En verschillende keren staat er vermeld, dat Jezus –en zijn zussen eveneens- liefheeft. En zo staat het ook vermeld over die ene leerling, Johannes. Dat heeft niets te maken met bevoorrechten, met vriendjespolitiek of iets dergelijks. Nee, Jezus heeft grote liefde voor ieder zondig mens in zijn hart. Maar het betekent gewoon, dat Jezus en zijn leerlingen altijd welkom waren in dat huis in Betanië. En zich daar altijd welkom voelden. Er waren gewoon in het menselijke vlak wederzijds warme gevoelens.
Daarom kan de dood van Lazarus Jezus niet koud laten. Maar er is méér. Er wordt in dit gedeelte opvallend vaak over de gevoelens van de Heiland gesproken. Zo staat er (in vers 33), dat Jezus geërgerd werd toen Hij Maria en de Joden hoorde weeklagen. En ook, toen de Joden spraken over zijn gebleken onmacht tegenover de dood. Tenminste, dat meenden zij.

Dus één ding wordt duidelijk: de Heiland is niet van steen. Hij heeft gevoelens. En Hij laat die blijken ook. De mensen zien dan ook zijn tranen. En ze zien er zijn liefde voor de overledene in. En dus zijn droefheid, naar zij menen.
Maar het is zonneklaar: van Jezus mag je huilen. Van onze vaders vroeger eigenlijk niet. “Een vent loopt toch niet te snotteren. Kom op, zeg!” Of: “Je bent een grote meid. dus niet jammeren, hoor!”. Gelukkig is dat nu wel anders. Je mag nu wat meer voor je emoties uitkomen. Je verdriet, het moet eruit. Je moet het uiten.Ja, Jezus huilde. Voor die weergave kies ik toch. Jezus huilt, als volop mens. Hij huilt mee. Hij begon ook te huilen. Net zoals ménsen vaak beginnen te huilen. Zoals mensen vaak moeten huilen in het leven.

De Heiland komt hierin toch wel erg dicht bij ons, vindt u niet? Hij komt naast ons in ons verdriet. Zó is Hij. Daar krijg je toch de tranen van in je ogen? Tranen van ontroering. Van blijdschap, dat we zó’n Heiland hebben. Mag best, hoor. Het is geoorloofd, de zakdoek even te moeten trekken. Doe maar gerust! Hoeven we ons geen seconde voor te schamen!
Jezus toont emoties. De Heiland is begaan met de mens. Zijn hart staat wagenwijd voor hen open. Als zij lijden toont Hij zich niet als Khadaffi of Assad. Die laten rustig hun onderdanen omkomen, afslachten. Nee, Jezus toont, hárt te hebben voor mensen. En ook daarin laat Hij de Vader in de hemel zien. De almachtige Schepper, de Koning over alles en iedereen, heeft een hart. Heeft gevoel, kent emoties. In Hosea 11 zegt Hij: “Ach Efraïm, hoe zou ik je ooit kunnen prijsgeven…Mijn hart wordt verscheurd. Door barmhartigheid word ik bewogen…”


Zo laat Jezus hier in Betanië tranen zien. Om de ernst van de situatie te tonen.
Ja, want dáár gaat het om . Deze tranen zijn geen filmtranen, tranen voor de show. Dit zijn niet zómaar tranen. Dit zijn tranen, die de Heiland, de Redder van de wereld schreit.
En dan krab je toch wel even achter je oor. De Redder huilt – dat is toch geen gezicht? En vooral: is die dan wel geschikt voor zijn opdracht? Kan Hij die wel aan? Een huilende Helper, toont die niet, dat Hij er evenmin wat aan kan doen? Net zo min als iedereen, die zich opgeworpen heeft als redder. Of niet dan? Een huilende helper is een hulpeloze helper. En daar word je geen steek wijzer van. Dat schiet niet op! Voor geen meter! Dus: Jezus is niet de Redder??

Toch maar even wat beter kijken, lijkt je dat ook niet goed?
Deze tranen zijn wél ook tekenen van medelijden. Ze laten zien, dat Jezus dicht bij zijn mensen staat. Hij is er bij! Maar het is geen machteloos medelijden. Dat is er zoveel in deze wereld.
verloren zoon en vader
En het is fijn, als er mensen trouw zijn, dicht bij je zijn in groot verdriet, in hevige pijn. Als iemand troostende woorden spreekt. Je hand vasthoudt. Met je schreit. Dat is fijn, onuitsprekelijk heerlijk. Wat geweldig, dat er zulke mensen zijn. Want het helpt. Het helpt te dragen. Maar het neemt de pijn, het verdriet niet weg. Tranen van iemand anders, tranen van medelijden zijn in wezen tranen van onmacht.
Is dat bij Jezus ook het geval? Stijgt Hij niet boven koningin Beatrix uit? Zij is er bij, bij door een ramp getroffen Nederlanders. Ze is er bij, met hart en ziel. Dat kun je aan haar zien. Maar ook zij kan niet uit de nood en het verdriet helpen. Is dat ook het geval met koning Jezus?
Misschien is het je opgevallen, dat in dit Bijbelgedeelte woorden staan, die niet bij Jezus lijken te passen. Dit “huilen”, maar ook een woord als “ergeren”. Jezus windt zich op. De Heiland is boos, kwaad, woest. En op wie dan wel?

verloren paradijs
Nou, niet op mensen. Jezus heeft mensen alleen lief, heel erg en intens. Hij zegt ze wel de waarheid. Juist omdat Hij zo veel van hen houdt. Maar Hij is niet kwaad op hen, op u en mij. Geweldig, he?

Nee, Jezus is boos op de zonde, daar bij dat graf van zijn vriend Lazarus. Kwaad op de boze. Op de duivel en wat hij met de zonde in mensen en in de wereld zo allemaal uitricht. En dat is veel, veel en verschrikkelijk! Wat kan die ellendeling enorm huis houden! De gevolgen van de zonde zijn desastreus!
Jezus weet, hoe het ééns allemaal was. Hoe het uit Gods handen voortgekomen is. Toen mankeerde er niets, maar dan ook letterlijk niets aan! Zo gaaf als wat! En nu? Je kunt dit leven eigenlijk geen leven noemen. Dit leven, deze wereld is vérworden. Is totaal kapot.
ruïnes....
Mogen we ons best eens realiseren. Hoe meer we de duivel zijn gang laten gaan in ons, des te meer kan die zonde aan dingen kapot maken. We zondigen niet goedkoop, mensen!
We zondigen dingen kapot. En nog erger: we kunnen mensen kapot zondigen. En zo kunnen we relaties, ons huwelijk kapot zondigen. Wij mensen zondigen de natuur stuk, de samenleving. We kunnen ons eigen leven stuk-zondigen.
Ja, zondigen heeft grote gevolgen. Zonde breekt het geluk stuk. Zonde brengt dood, rouw, tranen. En de Heiland ziet en weet dat als geen ander. Daarom is Hij zo woest op de duivel en zijn snode werk.

Maar hébben we daar wat aan? Is die huilende, boze Heiland wel een sterke Verlosser?
Gelukkig, het gaat verder. Het is niet het laatste vers van Joh. 11. Jezus wordt laaiend op de dood, die Lazarus te pakken heeft gekregen. En Hij zegt: “Stop met dat gejammer! En waar is dat lichaam?” En daar láát Hij het niet bij. Zoals ds. H. Toorman schrijft (in een dagboekje van tientallen jaren geleden, maar nog altijd actueel en aansprekend): “Jezus vliegt de dood naar de keel”. Weg, aan de kant! Dood, scheer je weg! En Lazarus, mijn vriend, kom, léven, man!
Opstanding
Jezus begon ook te huilen. Net als de anderen. Maar toch totaal anders. Dit is geen machteloze Redder. Integendeel. Hij is de dood de baas, zoals iedereen ziet. Want Hij heeft de zonde weggewerkt, bedekt, zie je. En de duivel is nergens in het duel met deze Redder. En door zijn lijden en sterven, en door zijn eigen opstanding wordt het leven hersteld. Dit leven tijdelijk. En in onze beleving is het onvolkomen, ja. Maar eens wordt om Jezus’ huilen werkelijkheid: “God zal alle tranen van hun ogen afwissen”.
Dat is me wat! Onvoorstelbaar: een leven zonder tranen. Want ook zonder moeite en verdriet. EN zonder zonde, zonder enige onreinheid.
...een brullende leeuw...
Lazarus is wéér gestorven. Alle mensen hier zijn sterfelijk. De duivel sluipt rond als een grimmige, grommende leeuw. De dood grijpt en graait. Maar het laatste woord is aan de Redder. En het leven van de Levensvorst is voor ieder, die aan Hem verbonden is door een echt geloof.
Zalig, gelukkig te prijzen, wie Jezus tot zijn vriend heeft. Hier moet je soms nog huilen. En het leven, de wereld IS soms om te huilen. Maar Jezus is de Vriend, die met je grient. Nee, die voor je, ten bate van je huilt. En die je daarom eens voor eeuwig doet lachen!

Amen.
------------------
Tips voor de liturgie.

Psalmen: 68: 1,7 (bijv. vooraf); 90:4,6
Liedboek voor de kerken: Gez. 288:4,6,8 (bijv. na preek), Gez. 114:1,3; Gez. 90 (!)
Ev. Liedbundel: 413 (Lichtstad met uw gouden poorten) (als slotlied?)
Zingende Gezegend: 217: 1,2,5; 218:2,4 (bij Gods aanwijzingen voor ons leven)

dinsdag, mei 17, 2011

TEL JE ZEGENINGEN Joh.22:11 (meditatie)

TELLEN OM (BETER) TE KUNNEN VERTELLEN
“…welgeteld honderddrieënvijftig (vissen)…” Johannes 21:11
Als jongen mocht ik graag na schooltijd vissen. Dat deed ik in “het daip”. Zo noemden wij het kanaal, dat voor afvoer van het overtollige water gegraven was. En waar schepen voor het vervoer, eerst van turf alleen, later ook van aardappelen (voor de aardappelmeelfabriek) , bieten en dergelijke, gebruik van maakten.
Het ging er ons om, om de vangst van ons leven te doen. Om die reusachtige vis te vangen en die trots thuis te laten zien. En ook aan de kameraden natuurlijk, om vervolgens flink te kunnen opscheppen! Helaas: meestal vingen we alleen wat miezerige baarsjes en voorntjes.

Petrus en co doen een bijzonder goede vangst. De leerlingen van Jezus zijn nu hun Meester is gekruisigd en weer opgestaan uit de dood, een beetje de weg kwijt. Ze weten wel, dat ze eigenlijk dat goede nieuws dóór moeten vertellen. Maar hoe en wanneer precies… De moed zakt hun in de schoenen. Zeven van hen denkt aan het brood, dat op de plank moet komen. Dus weer het oude beroep eens uitgeoefend, dat van visser. Dan konden ze op de markt misschien weer wat vis verkopen.

Maar veel had een hele nacht ploeteren niet opgeleverd. Of beter gezegd: helemaal niets. Nog geen sardientje zo groot als een babypink!

Een man op de wal had de gouden tip gegeven. Op zijn aanwijzing hadden ze nog een keer de netten uitgeworpen. En ziedaar, de grote vangst! Het net was te zwaar om aan boord te hijsen. Dus maar meeslepen naar de wal.

Wat een bijzonder grote vangst! Allemaal kanjers –en daar is geen woord visserslatijn bij! En véél! Asjemenou, zeg! En allemaal voor de verkoop! Want er blijken voor het ontbijt al broden en vissen op een vuurtje een heerlijke geur te verspreiden. Dat wordt smullen! En straks naar de markt, om al die kanjers van vissen te verkopen. Kunnen ze weer dagen vooruit! Dankzij die man. En het kan niet anders: dat moet Jezus, hun Meester, zijn. De levende, de wéér levende, de opgestane Meester.

“Welgeteld 153 vissen”, schrijft Johannes. En dat is veelzeggend. Dat zegt bijvoorbeeld: hier moet een ooggetuige aan het woord zijn! Hij kreeg dit geschenk samen met de anderen. En een visser in hart en nieren herinnert zich na jaren nog precies het aantal. En denkelijk ook de goede opbrengst op de markt die dag. Kijk, en dat is geen sprookje. Zoiets verzin je toch niet?! Hier is een bewijs, dat Jezus door de dood heen werkelijk leeft.

Nou ja, bewijs… Niet iedereen zal daar zomaar door overtuigd zijn. Eigenlijk alleen maar zij, die de bijbel als het boek te zin, waarin God zelf, door de dienst van de menselijke schrijvers, spreekt.
Ik hoop, dat u en jij hier God aan het woord horen. De boodschap nog eens weer tot troost horen: we hebben een Heer, die leeft! Die bij ons hier in het land der levenden is. En ons steunt en leidt.

Dat is bemoedigend. In allerlei moeilijke omstandigheden van het leven, jazeker! Als je bedolven wordt onder moeiten en zorgen, en of! Zelfs als je de dood voor ogen hebt, wis en waarachtig!
Maar de leerlingen moesten en moeten allereerst aan iets anders denken. Dit is ook een hart onder de riem met het oog op de opdracht. En die opdracht luidde: mensen vangen.

Die opdracht hadden ze al eerder gekregen. Bij een soortgelijke gelegenheid. Toen er ook veel vissen in het net waren beland. Eveneens gestuurd door hun Meester. Een bemoediging bij het uitoefenen van dat beroep: mensenvanger zijn.

Want die opdracht geldt nog steeds, zegt de Levende-door-de-dood-heen. Die geldt nu pas écht. Nu gaat dat werk beginnen. Daar krijgen ze een opzetje, een steun in de rug bij. Déze bemoediging: de Meester zorgt, dat er mensen gevangen worden. Zij hoeven alleen maar het net uit te werpen. En dan komt de vangst. En niet zo zuinigjes ook, hoor! Geen miezerig muizenmaaltje, maar garantie voor een topdag op de markt! Dat betekent: vol vertrouwen aan het werk, om die opdracht te gaan vervullen! De Meester zelf zegent het leven en werken van ieder, die aan Hem verbonden is!

Zo kun je volvertrouwen aan het werk gaan, leerlingen van Jezus! Die leerlingen van zoveel eeuwen terug. En allen, die vandáág nog van Hem als Meester willen leren. En die Jezus willen volgen, dienen. En iets van zijn grote rijkdom in hun leven willen uitstralen en uitzeggen. Hij geeft wat Hij vraagt. Hij zegt: ga mensen vangen. Maar Hij brengt zelf die mensen in het net van het Evangelie.

Mij viel ook op dat wat vreemde getal. Zo opvallend precies in de herinnering van die oud-visser gegrift. Die man, die zo vaak netten geleegd heeft, herinnert zich die ene keer nog. Toen er niet maar een goede vangst was. Maar welgeteld 153! Inderdaad welgeteld. En wél geteld. Die ervaren vissers, ze hebben niet de vangst ruwweg geschat. “Nou, ik denk wel ruim 150 vissen, jongens”. Nee, geteld. Ze hebben ze één voor één in handen gehad, die glibberige vissen. En geteld: “1, 2, 3, …152, 153”.

En toen herkenden ze Jezus pas echt, weet je! Toen zagen ze hun Meester en wisten ze weer: zó gul is Hij! Zijn zegeningen zijn groot en zijn veel. Over Hem kun je veel goeds vertellen!

Dat hoor je nog wel eens zeggen om je heen: “Niet zeuren, man. Tel je zegeningen!”. Ze bedoelen dan: ”zeuren helpt niet. Er zijn vast en zeker ook nog wel mooie dingen, waar je op kunt letten”. Maar in de bijbel gaat het toch nog wel een flink stuk dieper. Dan blijken er zegeningen te zijn, die niet bestaan in bijvoorbeeld geld. Die niet zichtbaar zijn. Waarvan een niet-gelovige zou zeggen: “Nou, wat heb je dáár nou aan!”.

En toch is dat anders. De zaken, die een gelovige op kan noemen bij het tellen van zijn zegeningen, zijn geschenken van God. En is God zelf. Is de Heer Jezus. En zoiets zijn allesbepalend voor je geluk. En zó te tellen is: jezelf weer eens wijzen op wat je “in Christus hebt”. En dat te bedenken als je overweldigd wordt door problemen, dat doet je Jezus, je redder, weer zien. Omdat je weer iets van de gulheid ziet, die alleen Hij heeft.

Zo zegeningen tellen, “daar word je blij van”! (om de woorden van een reclamespotje te gebruiken.)
Blij, dankbaar. En zó vol van die gaven, dat je ze ook aan anderen gunt.

Jazeker, tellen om te vertellen.
.................
Zingen/bidden:

Gij hebt met vuur van liefde
een maaltijd ons bereid.
Gij scheldt ons wat U griefde,
de schuld, van harte kwijt.
Gij legt uw brood, uw vis,
in onze holle handen -
wie hier genodigd is
vindt overvolle manden.

Gij hebt met taal en teken
de duivel aangezegd,
dat eens de tijd verstreken,
het pleit zal zijn beslecht.
Zodra uw roep weerklinkt,
de zee zich leeg laat lopen
ons net vol vissen blinkt,
bloeit rood uw toekomst open.

(Zingende gezegend 172:2,3. A.F.Troost)
(melodie: psalm 107)

maandag, mei 02, 2011

1,2,3,4, KOMT ER NOG WAT VAN ? Habakuk 2:3 (preek)


1,2,3,4, KOMT ER NOG WAT VAN ?













“Wacht maar, het komt zeker
het zal niet uitblijven” . Habakuk 2 : 3b


Voorstel orde van dienst:
Eventueel vooraf Psalm 103:1,2
Na stil gebed, votum en groet: Psalm 90:1,2
(In een ochtenddienst: Gods wil voor ons leven uit 1Tess. 5: 12-24 en als antwoord Gez. 449)
Na Schriftlezingen Hab. 1:14 tot hoofdst.2:4zingen Gez.288:1,7,8
Na preek Gez. 63
Slot: Gez. 300:1,4
,6

-----------------------------------


De beloften van God zijn wel mooi. Erg mooi zelfs. Maar er is één probleem mee. Een groot probleem. Reusachtig groot. En wezenlijk. Dit probleem: ze lijken net kauwgom. Dát kun je opblazen. En dan rekt het uit, heel ver. Maar op een gegeven moment dan spat het ballonnetje uiteen. Zo lijkt wat God beloofd heeft óók van elastiek. Ze gaan heel lang mee, maar je komt nooit aan het eind, bij de vervulling. Bijvoorbeeld de belofte van Jezus’ wederkomst. En van de nieuwe hemel en aarde. Daar lijkt ook nooit iets van te komen. En zo gaat het met meer van die beloften. Vandaar het thema: 1,2,3,4, komt er nog wat van? Een liedje van ongeduld. Waarvan je misschien de melodie niet kent. Maar dat je, wellicht met andere woorden, allemaal wel eens zingt.

Habakuk was een profeet, een man die namens God diens woorden doorgaf aan het volk van God. En hij zat met precies hetzelfde probleem. Ook hij vroeg zich af, wat er van Gods beloften terecht zou komen. En hij leed met dat volk mee. Hij was niet voor niets de “man van God”. Hij stond in zekere zin tussen de HEER en dat volk in. Dus trekt hij zich dat uitblijven van wat God beloofd heeft aan. Hij huilt mee.


Daar was de situatie dan ook naar.
Hoe wás die dan? Nou, wel heel erg treurig. Zonder meer. Er is onderdrukking, geweld, onrecht. En de rechtvaardigen zijn de dupe.
De profeet trad op in de tijd van de koningen Jojakin en Zedekia. Het volk van Juda wordt onderdrukt door de Assyriërs. En dat volk kon er wat van! Die waren beroemd, beter gezegd berucht om hun wreedheid.

Nu, met die rauwe, bittere realiteit worstelt Habakuk. “Help”, dat is zijn schreeuw naar God toe. Naar de HEER, de God van zijn volk. De God van het verbond en van de trouw aan dat verbond. De God van de beloften. De beloften waar je op kunt bouwen. De beloften, die werkelijkheid worden. Ook de belofte van hulp in benauwdheid. Van de verhoring van het gebed om redding.
Maar God lijkt blind en doof. Hij lijkt het onrecht niet te zien. En het blijft.
Uiteindelijk komt het antwoord. En dat antwoord –het staat in Hab. 1:5-11- luidt: straks is het gedáán met de macht van Assyrië. Ze zullen gekortwiekt worden door de Chaldeeën. En die zullen alle volkeren onderwerpen.

Nou, je ziet de profeet opstuiteren, zeg maar. De Chaldeeën? Dat betekent alleen maar nog méér ellende.
Nog meer ellende? Dat volk kan alleen maar nog erger straffen!! Mag dat, roept de profeet. Laat U dat toe? Komt er nou nooit een dag van vrede en heil? Die vraag leeft in zijn hart.


Een vraag, waarop een antwoord moet komen. En Habakuk verwacht dat antwoord. Hij gaat zijn wachtpost betrekken. Op de uitkijk staat hij. En hij wacht.
Maar wachten duurt lang. Tenminste als het gaat om iets, waar je veel belang bij hebt. Kijk, als je lekker in het zonnetje op bus of trein zit te wachten, en je hebt geen haast, dan valt het wel mee. Maar als je de aansluiting met de laatste trein dreigt te missen, dan is het heel andere koek! Dan kruipen de minuten voorbij. Lijken dat wel uren, zie je.

Nou, bij Habakuk gaat het om wel héél belangrijke dingen. Het is nijpend, het onrecht, het leed. Levensbedreigend zelfs. En dat voor een heel volk! Het volk van God dreigt er aan ten onder te gaan! Aan de onzekerheid moet heel snel een eind komen. God moet laten horen, dat Hij zijn volk door alles heen vast zal houden, zal redden.
Dat heeft de HEER gedaan. Maar Hij laat er een ander probleem voor in de plaats komen. De problemen in levenden lijve: de Chaldeeën. Dat schiet óók voor geen meter op! Integendeel, dat is áchteruitgang. Wat moet je dáár nou mee?! Wanneer komt er dan heil?


Nu, dat komt. Zeer zeker. Wacht maar af, zegt God. “Wacht maar, het komt zeker, het zal niet uitblijven.”
Waarom niet? Omdat het door God beloofd is. En God is de HEER, de God van Israël. En die heeft hart voor zijn volk. Hij beleeft erge pijn aan die ellendige toestand. Jazeker! Dat moeten we nooit vergeten. God is niet een onbewogen toeschouwer. Hij is geen God, die onbewogen toeziet, hoe wij lijden. Al is het dan ook gevolg van onze eigen zonde, van de zonde in het algemeen, Hij heeft er enorm veel last van. Hij háát die ellende, fel en intens. Hij wil het zo snel mogelijk weg hebben, nou en of!
Vandaar: wacht maar, het komt zeker, het zal niet uitblijven.



"Het", dat “het” is het visioen, waar dit vers over spreekt. En dat visioen houdt in de openbaring van vers 4: “Wie niet oprecht is kwijnt weg, maar de rechtvaardige zal leven door zijn trouw”. Weet je, het mag dan lang duren. En velen zullen misschien afhaken. En die kwijnen weg. Die kunnen het op zeker moment niet meer aan. En gaan er onderdoor. Gaan ten onder. Gaan de dood in. Want ze laten Gods beloften en zo God zelf, los. En dan ben je nergens meer.
Maar wie zich gelovig vastklemt aan God, die gaat niet ten onder. Die kan blutsen en builen oplopen. Maar die zal leven.

Want het is gekomen. De ballingschap. Maar ook het einde daarvan. En de grote, echte, enige Verlosser is gekomen: Jezus, de Christus, de Heer. Hij heeft verlost door zelf ten onder te gaan op Golgotha. En via de weg door het oordeel, door dood en graf heen. De verlossing werd zichtbaar op Paasmorgen. In dat open en lege graf. In Jezus, die aan de zijnen verscheen. Liet zien, dat Hij de Levende is.
En ook wij nog mogen iets van die overwinning zien. En in die verlossing delen. En dat eveneens door het geloof. Door te vertrouwen op die Verlosser.

Maar ook dat is nog maar half. Het wachten is nog op de tweede komst van de Heer Jezus. En dat wachten daarop is ook alweer een zaak van lange adem. In Hebreeën 10 (voor wie het na wil lezen: vers 36-39) staan woorden, die erg lijken op die van Habakuk. Ze zijn dan ook een citaat van die profeet. Het gaat daar over de wederkomst van Christus.
Daar is volharding voor nodig, zo kun je daar lezen. Je kunt óók, als het moeilijk wordt, of als het je te lang duurt, terugdeinzen voor de consequenties. Maar ook dát blijft niet zonder gevolgen. Dan word je op de dag van het gericht niet gered. Dan ontvang je geen vrijspraak. Dan blijf je niet leven. Immers: dan verlies je de gunst van God. Is Hij je niet langer welgezind. Dan ga je ten onder. Dan is God voorgoed weg voor je. En dat is wegkwijnen. Want dat is geen leven!

Maar als je volhardt, ieder die zich blijft vastklampen met de handen van het geloof aan de Heiland, die zal, door het gericht heen, léven. Leven met de uit de hemel weergekeerde Zoon van God. Echt leven, voorgoed. Wel iets om naar uit te kijken dus. Naar al dat nieuwe en volmaakte, dat komt. En vooral en allereerst naar Hem die komt: de Verlosser, de Koning, de Heer en God.

Dat is beloofd. En het komt, jazeker. Het zal niet uitblijven. O nee, geen sprake van. God heeft een tijdstip vastgesteld. Dán gaat het gebeuren. Want hij houdt zich aan zijn woord. Het gaat wis en waarachtig door, zo vertaalt de Grunneger Biebel. Het komt niet te laat, het hijgt naar het einde, aldus de Naardense Bijbel.
Maar het duurt wel heel erg lang. Vind je niet?

Of ben je daar niet zo erg mee bezig, als je eerlijk bent? Weet je, we hebben zo ons leventje hier. En we zijn min of meer gelukkig. Want zo is het leven nu eenmaal: ieder krijgt zijn eigen baaltje of baal op de nek. En bovendien: we hebben een volle agenda. We moeten tóch al van alles. Vaak léven we niet, maar wórden we geleefd. En komen we niet toe aan genieten van wat er allemaal is. En wát er zoal is, het is zo broos, zo kort, zo beperkt. Zodat hoe eerlijker je naar jezelf, naar het leven, naar jouw leven kijkt, des te meer heb je reden om te zeggen: is dat het nou?



En dan is de boodschap van de bijbel overduidelijk: O jonge nee! Er is veel en veel méér. In het geloof hebben we door Jezus nog te wachten, wat eigenlijk het leven, de toekomst is. De toekomst van de levende Heer, die we nog te wachten hebben.

Geweldig, als je dat gelooft! Als dat ook jouw toekomst is!

Maar dat blijft en is niet onbestreden. In die zin, dat Gods vijand nog aanknopingspunten genoeg heeft, om dat aan te vechten. En dat doet hij dan ook naar hartenlust. En hij hééft er lust in. En zijn hart is boos en listig.
Hij kan je in de houdgreep krijgen. En het je behoorlijk benauwd maken. Bijvoorbeeld met die spottende vragen uit 2 Petrus 3. “Waar blijft die Jezus nu? Hij had toch beloofd te komen?“ Daar kun je ’t benauwd van krijgen, Omdat die vragen áánkomen bij ons. De landingsstrook in ons hart is vrij toegankelijk. Want er lijkt inderdaad niets van te komen. Er is nog steeds niets veranderd, zo te zien.

Maar het gáát door. Wis en waarachtig. Juist die vreselijke dingen die er gebeuren vertellen ons dat. Die rampen, oorlog, honger, natuurrampen, die steeds frequenter en heviger schijnen te worden, zeggen dat. Ook wat er rondom ons heen in de maatschappij gebeurt zijn voetstappen van de Jezus, die komt. Maar intussen gebeuren die vreselijke rampen. Zijn er ook die onvolkomenheden in ons eigen leven. Die moeiten, dat verdriet, die pijn, die eenzaamheid. Is ons leven boordevol pijnlijk vol blutsen, builen, wonden. En ook dat gebrekkige in ons geloof. Die twijfel, die onverschilligheid, die moedeloosheid. We weten van dat schild boven ons hoofd. Maar het lijkt geen spat te helpen.
En die belofte, wat komt er van terecht? Is Jezus wérkelijk onderweg?

Jazéker! Dat mogen we geloven. Is dat zeker? Zeker, ja toch wel. Het staat toch zwart op wit in het woord van God, de bijbel? In dat woord, dat in alle opzichten betrouwbaar is? Je ziet er niets van, van de vervulling van die belofte. Er is ook niets van te zien met het blote oog. Maar als Gods Geest ons oog opereert, dan zien we het wél. Dan zien we die beloften, die stáán. Als rotsen in de branding.
En dan kun je wel eens verlangen naar die toekomst. Naar wat komt. Naar Hem die onderweg is.
Want dat zal pas wat zijn! Niet maar een verbetering van de huidige situatie, maar volkomen nieuw, gloednieuw! En alles, voorgoed! Zal me dat wat zijn! Niet alleen geen tranen, rouw, pijn, maar ook geen zonden meer! Zelfs geen strijd meer tegen de zonde. Niet alleen maar blije mensen, maar ook een God en een Heiland, die nooit meer op het hart getrapt wordt. En die alleen maar lof ontvangt!

Komt er nog wat van? Nou en of! Maak je maar klaar voor het komende, eeuwige feest!
Amen.



-------------


Vergeet in je gebeden de zorgen niet, die we kunnen hebben over onze samenleving, de wel enorm groeiende onkerkelijkheid, de vele "gelovigen", die van de God van de bijbel en de Middelaar niet willen weten. Denk ook aan de (onzichtbare) eenzaamheid dichtbij en veraf.

Dank voor de vastheid van Gods beloften! En voor het feit, dat God al bezig is, alles nieuw te maken! Vraag om (meer) geloof, dat is: vertrouwen op Gods beloften.