zondag, oktober 29, 2006

KERSTFEEST, DE ENGELEN EN WIJ (Kerstdeclamatorium)


KERSTFEEST 2006

Kerstliturgie, voorbereiding op of viering van het Kerstfeest.


KERSTFEEST, DE ENGELEN EN WIJ



Inleidende muziek

Welkom

Gedicht: Kerstdrukte (door Johanna W. van Eelen)

’t Is Kerstfeest hier en Kerstfeest daar.
Maar nu is alles voor elkaar.
‘k Zak in mijn stoel ver onderuit.
–O, heeft die zieke al wel fruit?

’t Is kerstfeest hier en Kerstfeest daar.
Ik rende en ik draafde maar.
Nu een muziekje, maar wel zacht,
en alsjeblieft geen “Stille nacht”.

’t Is Kerstfeest hier en Kerstfeest daar.
Op ’t echte Kerstfeest ben ik klaar.
Daar wil ik anderen niet bij:

dat is voor mijn gezin en mij,

Had eens Maria zo gedacht,
dan waren herders in die nacht
nooit neergeknield bij onze Heer.
Ach, waarom denk ik dat nu weer?

Kom, ik moet nodig uit die stoel,
ik krijg zo’n naar beklemd gevoel.
Als Jezus deze nacht eens kwam…
Hij stuurt niet eerst een telegram.

Hij hoopt dat ik Hem steeds verwacht,
maar ‘k heb er weinig aan gedacht.
Nog is het tijd; stil kniel ik neer.
Mijn Jezus, o kom spoedig weer!

Zingen: Gez. 127 : 1 en 6

Komt allen tezamen,
jubelend van vreugde,
komt nu, o komt nu naar Bethlehem!
Ziet nu de vorst der eng’len hier geboren.
Komt, laten wij aanbidden (3x) .
die Koning.

O Kind, ons geboren,
liggend in de kribbe,
neem onze liefde in genade aan!
U, die ons liefhebt, U behoort ons harte!
Komt, katen wij aanbidden (3x)
die Koning

Gebed

Zingen: Zingende gezegend 113 : 1,2,3,5
(melodie Ned.Herv.Bundel 221)

God in ons midden, Heer wij aanbidden
met al uw kinderen wereldwijd,
uw trouw aan mensen,
uw onbegrensde, uw ongekende majesteit.

2. Lam dat de zonden draagt, lam dat de leeuw verjaagt,
uw wieg een kribbe, uw troon een kruis -
U spreidt geen macht ten toon,
U bent, o mensenzoon, onder een open hemel thuis.

3 Licht van de overkant, fakkel die eeuwig brandt,
o vlam die ons naar Gods land geleidt,
wie lopen in uw licht, zie over hun gezicht
valt al de glans der eeuwigheid.

5. God in ons midden, Heer wij aanbidden
met alle heiligen uw beleid,
uw trouw aan mensen,
Uw onbegrensde, uw ongekende majesteit.

Verteller:

In het Kerstfeest, zoals de wereld die vandaag “viert”, is zeker een plaats ingeruimd voor engelen. Al gelooft men totaal niet in hun bestaan, ze hangen wél te pronk in de kerstboom. En in het winkelcentrum schallen soms de “engeltjes” of “engelkens” uit de luidsprekers. En natuurlijk blijft het carillon niet achter. De engelen, ze hebben een plaats. Maar of dat de juiste plaats is….? Zijn de engelen bedoeld als “versiering”? We willen samen nadenken over de plaats van de engelen in het Kerstfeest. Maar dan wel in bijbels licht!

Zingen: Psalm 103 : 5 en 8

Zoals een vader liefdevol zijn armen
slaat om zijn kind, omringt ons met erbarmen
God, onze Vader, want wij zijn van Hem.
Hij die ons zelf uit aarde heeft genomen,
Hij weet, dat wij, uit stof aan ’t licht gekomen,
Slechts leven op de adem van zijn stem.

Hij heeft de hemel tot zijn troon verheven,
Hij heerst als koning over al het leven.
Looft engelen, zijn hoge majesteit,
krachtige helden, die aan alle oorden
als boden meldt zijn goddelijke woorden,
Hem zij uw dienst, Hem zij uw lied gewijd.

Verteller:

Wat is een engel? De naam betekent: bode, boodschapper. God heeft ze, toen Hij de hemel tot stand bracht, geschapen. Ze vormen zijn hofhouding. Ze voeren zijn woord, zijn bevelen, zijn wil uit. Zo zegt Psalm 103 dat ook: “Prijs de HEER, u die zijn boden bent, sterke helden, die doen wat Hij zegt, gehoorzaam aan het woord, dat Hij spreekt. Prijs de HEER, hemelse machten, dienaren, die doen wat Hem behaagt”.
Ja, de engelen dienen God. Ze gehoorzamen Hem. Voeren zijn wil uit.
Maar de bijbel vertelt ons ook, dat een deel van Gods hofhouding onder leiding van Lucifer “voor zichzelf begonnen is”. In opstand is gekomen.
Toen zijn ze de hemel uit geslingerd. Maar op aarde hebben ze de zaak grondig verziekt. Genesis 3 vermeldt, hoe Adam en Eva voor de verleiding zijn bezweken. Ze gingen hun eigen wetten stellen.
En wij doen dat nog elke dag… En wat de gevolgen zijn, we zien het om ons heen. In het groot, in het klein. In eigen leven, in deze wereld. In de natuur en in de samenleving

Gedicht: (A.F. Troost)

O God, de goede aarde, de tuin, die U ons gaf,
is niet meer groene gaarde, is omgewoeld: een graf.
Wij zien met vrees en beven geen rust, geen ruimte meer,
geen plaats om hier te leven. Ontferm, ontferm U, Heer!

Hoe moeten wij U loven, als al wat is, vergaat,
Verbrandt als in een oven die niets in leven laat?
Doe, God, uw zon dan schijnen en zend de vrede neer
op straten en op pleinen. Ban uit het wanbeheer!

Verteller:

De trouw gebleven engelen bleven op hun post. Ze verrichten die taak gráág. Want ze zijn zeer betrokken bij Gods werk. Bijvoorbeeld bij het grote werk van de schepping. In Job 38 : 7 lezen we, dat God de aarde schiep “terwijl de morgensterren samen jubelden en Gods zonen het uitschreeuwden van vreugde”.….
“Morgensterren” en “zonen van God”, – dat zijn in de bijbel soms aanduidingen van de engelen. Die zijn getuige van Gods scheppingswerk. En zij bejubelen de Goddelijke macht van God, die in de schepping blijkt.


Zingen: Gezang 479: 1 en 3

Aan U behoort, o Heer der heren,
De aarde met haar wel en wee,
De steile bergen, koele meren,
Het vaste land, d’onzeekre zee.
Van U getuigen dag en nacht;
U hebt ze heerlijk voortgebracht.

U hebt de bloemen op de velden
met koninklijke pracht bekleed.
De zorgeloze vogels melden
dat U uw schepping niet vergeet.
’t Is alles een gelijkenis
van meer dan aards geheimenis.

Verteller:

De engelen zijn ook erg betrokken bij de mensen en bij hun welzijn. Denk maar aan Hagar, aan Jacob, aan Lot. Ja, het is wáár:”De engel van de HEER waakt over wie Hem vrezen en bevrijdt hen” (Ps. 34:8) en “Zijn de engelen niet allen dienende geesten, uitgezonden om hen bij te staan die deel zullen krijgen aan de redding?”(Hebr. 1:14). Zijn we ons ervan bewust, dat onze God ook nu van de dienst van engelen gebruik maakt, om voor ons te zorgen en ons te beschermen?

Zingen: Evang. Liedbundel 105 : 1, 4 en 5

't Licht van de wereld is reddend verschenen;
't Woord, dat voor eeuwig bij God was, werd vlees.
Christus komt mensen met God weer verenen,
zondaars verlossen van oordeel en vlees.
Engelen, wilt uw gezangen ons lenen,
't Licht van de wereld is reddend verschenen (2x)

Christus daalt neer als het offer der zonden.
Dank en aanbidding nu Hem toegebracht!
Laat ons met d'eng'len zijn liefde verkonden,
prijzen het Lam, aan het kruishout geslacht.
Wie kan die diepten van liefde doorgronden?
Christus daalt neer als het offer der zonden (2x)

Christus daalt neer als de redder uit lijden,
trooster in droefheid, in angst en gevaar.
Hij zal ook de zijnen eens heerlijk verblijden,
vall' ook de vuurproef des levens hun zwaar.
Zegepraal-psamen vervangen het strijden.
Christus daalt neer als de redder uit lijden (2x)

Verteller:

De engelen hebben ook een opdracht, als het gaat om het heil van de mens, het heil in de Verlosser, die komen zou. Ja, want onze liefdevolle God heeft een groot en ruim hart. Onvoorstelbaar zelfs! Want Hij wil de mens terúg. Hij wil het heil voor de mensen. Hij wil u en mij héél! Hij is al in het Oude Testament bezig, dat heil te verwezenlijken. Zo lezen we over de Engel des HEREN:

Lezen: Richteren 13 : 2-5

Verteller:

De Engel des HEREN is een bijzondere engel. Hij is DE vertegenwoordiger van God op aarde. Hij kondigt hier de geboorte van Simson aan. Simson zal een verlosser zijn. En we weten allemaal van zijn gebreken en zwakheden en zonden. Toch was hij voor Israël een verlosser. En in zijn werk was hij toch een afspiegeling van de grote en volkomen Verlosser, die beloofd was.

Zingen: Ev.liedbundel 109 : 1 en 2

Al wie dolend in het donker
in de holte van de nacht
en verlangend naar een wonder
op de nieuwe morgen wacht:
Vrijheid wordt aan u verkondigd
door een koning zonder macht.

Onze lasten zal Hij dragen
onze onmacht totterdood.
Geeft als antwoord op ons vragen
ons zichzelf als levensbrood.
Nieuwe vrede zal er dagen,
liefde straalt als morgenrood.

Verteller:

Het is de engel Gabriël –die naam betekent: God heeft zich krachtig betoond-, die de geboorte van de voorloper van de Messias mag aankondigen. Hij wordt gezonden als Gods bode naar een priester, Zacharias, die dienst doet in de tempel.

Lezen: Luc. 1 :11-17

Gedicht: Zacharias (van Nel Benschop)

Er viel een stralend licht over het altaar heen;
de engel zei hem wonderlijke dingen,
maar Zacharias voelde zich alléén,
want zijn verstard geloof kon niet meer zingen.

Hoe heeft hij het Elisabeth verteld?
Hij moest de schrijfstift vaak terzijde leggen.
De blijde boodschap die de engel had gemeld
Was veel te machtig om in woorden uit te leggen.

En hij moest zwijgen, vele maanden lang –
Hij zag, dat in haart schoot het kind begon te groeien
En in zijn hart groeide een lofgezang
dat als een witte bloem zou openbloeien.

En toen het kind kwam, aarzelde hij niet
maar heeft de naam “Johannes” opgeschreven,
en van Gods Geest vervuld zong hij het lied
van vreugde, van verlossing en van léven!

Verteller:

“Johannes, de HERE is genadig, is zijn naam”.En hij zingt het uit –en wij zingen mee:

Zingen: Lofzang van Zacharias : 1

Lof zij de God van Israël,
de HEER, die aan zijn erfvolk dacht,
en door zijn liefderijk bestel
verlossing heeft teweeg gebracht,
een hoorn des heils heeft opgericht!
Wat Davids huis was toegezegd
dat wil Hij ons nu schenken.
Zoals Gods trouw van ’s aardrijks ochtendstond,
door der profeten wijze mond
zich hiertoe aan de vaderen verbond.

Verteller:

Gabriël heeft het druk in die tijd. Opnieuw wordt hij gezonden, nu naar Nazareth, een stadje in Gallilea. Daar woont een jonge vrouw, Maria, nog maagd, maar ondertrouwd met Jozef. Zij krijgt te horen, dat zij de moeder mag worden van de Zoon van God, die als mens op aarde gaat komen.

Lezen: Luc. 1 : 26 - 33

(Nazareth nu)

Verteller:

Maria aanvaardt dat grote wonder. Want zij geeft zich gelovig over aan God en zijn almacht..”De HEER wil ik dienen: laat er met mij gebeuren, wat u hebt gezegd”. En bij de ontmoeting met haar nicht zingt zij een loflied. En wij zingen mee:

Zingen: Maria’s lofzang

Mijn ziel maakt groot de Heer,
mijn geest verheugt zich zeer.
Want God heeft mij, geringe,
die Hem als dienstmaagd dien,
goedgunstig aangezien
en deed mij grote dingen.

Van nu aan, om wat Hij,
de Sterke, deed aan mij,
zullen mij zalig prijzen
alle geslachten saam,
want heilig is zijn Naam.
Hij zal zijn trouw bewijzen.

Hij heeft het lang voorzegd:
aan Israël, zijn knecht,
zal Hij genade schenken.
Hij zal aan Abraham
en al wie na Hem kwam
in eeuwigheid gedenken.

Verteller:

En het grote wonder geschiedt. Ondanks alles. Zelfs de keizer van Rome moet daar dienstbaar aan zijn. Hij vaardigt een decreet uit. En zo moeten Jozef en Maria naar Bethlehem. Want dáár zal in overeenstemming met de Schriften de Messias geboren worden. En zo geschiedt het. Want Gods wil is wet!

Lezen: Luc. 2 : 6 en 7

Gedicht: Kerst (van Enny IJskes-Kooger)

Zijn lichaam, dat in doeken was gewonden,
lag daar, belast, beladen met de zonden
van heel de mensheid, als in boeien vast.
Een kleine mens was Hij.
Een sterke God.


Zingen: Gez. 143

Stille nacht, heilige nacht,
Davids Zoon, lang verwacht,
die miljoenen eens zaligen zal,
wordt geboren in Bethlehems stal,
Hij, der schepselen Heer (2x)

Hulploos Kind, heilig Kind,
dat zo trouw zondaars mint.,
ook voor mij hebt G’ U rijkdom ontzegd,
wordt G’ op stro en in doeken gelegd.
Leer m’U danken daarvoor (2x)

Stille nacht, heilige nacht!
Vreed’ en heil wordt gebracht
aan een wereld, verloren in schuld;
Gods belofte wordt heerlijk vervuld.
Amen, Gode zij eer! (2x)


Verteller:

Dan gebeurt het grote wonder van Kerstfeest. Het Kind wordt geboren, daar waar in de winter het vee ’s nachts een plekje vond. De herders in het veld horen de boodschap. En het is wéér een engel, die het nieuws brengt. En het zijn engelen, die de glorie van God bezingen.

Lezen: Luc. 2: 8-13

Zingen: Ere zij God (staande)

Verteller:

Zo zijn de engelen blij bij de schepping, ook van de mens. Maar ze zijn ook blij bij de herschepping. Ze verheugen zich over de geboorte van de Christus. En over ónze vreugde. En wij mensen, u en ik, hebben daar veel reden voor. Want het Kerstfeest komt uit het hart van God. En dat hart is vol warmte voor ons. We mogen ons verheugen. God prijzen om zijn liefde. Laten we, ook dit jaar weer, dat wonder met ons hart beleven!

Gedicht: Simpel kerstliedje (door Sikko Landheer)

Een vader en een jonge moeder,
wat wijzen en een schapenhoeder,
een kind, een kribbe en een stal.
Dat is het al.

Te simpel haast om te geloven:
dat kind een gave Gods van boven
gekomen naar dit tranendal.
Dat is het al.

Geen wijsheid uit geleerde boeken,
uw zaligheid gehuld in doeken,
God die zijn volk verlossen zal.
Dat is het ál.

Zingen: Gez. 135 : 3

Lof aan U, die eeuwig leeft en op aarde vrede geeft,
Gij die ons geworden zijt taal en teken in de tijd.
Al Uw glorie legt Gij af ons tot redding uit het graf,
dat wij ongerept en rrein nieuwgeboren zouden zijn.
Hoor, de eng’len zingen d’eer van de nieuwgeboren Heer!

Verteller:

Het kruis komt in het zicht met Kerst, jazeker! Want het gaat nog verder. De engelen weten ook, hoe belangrijk het werk van de Redder is. Als Hij de drievoudige verzoeking in de woestijn doorstaan heeft, lezen we:”…en meteen kwamen er engelen om voor Jezus te zorgen”. En bij het lijden van de Here Jezus in Gethsémané, vlak voor zijn gevangenname, lezen we:”Uit de hemel verscheen aan Jezus een engel om Hem kracht te geven”. En dat, terwijl de discipelen slapen…
Jezus doet het grote Werk alléén. Tot het einde toe!
En als Jezus het Paasfeest gemaakt heeft, verkondigen engelen blij aan de vrouwen, hoe het werk bekroond is. Het werk van de heling van de mens is door Jezus verricht en door zijn Vader aanvaard. Nu rest ons niets meer dan te buigen. Gelovig dankbaar het grote werk te aanvaarden. En uit te zien naar de voleinding. De wederkomst, waarop engelen na de Hemelvaart de apostelen wezen: “Jezus, die uit jullie midden in de hemel is opgenomen, zal op dezelfde wijze terugkomen als jullie Hem naar de hemel hebben zien gaan”.
De wederkomst van de Koning zal door de engelen met bazuinen aangekondigd worden!


Zingen: Lied 300 : 1

Eens, als de bazuinen klinken,
uit de hoogte, links en rechts,
duizend stemmen ons omringen,
ja en amen wordt gezegd,
rest er niets meer dan te zingen -
Heer, dan is uw pleit beslecht!

Verteller:

Maar van daaruit is er ook een táák voor ons. Want het is opvallend, dat de engelen bij het Pinksterfeest niet meer naar voren komen. De mensen, wij, mogen nu God dienen hier op aarde. We mogen de vreugdevolle feiten doorgeven. En daar zijn wij door genade nog méér geschikt voor dan de engelen. Zij konden alleen van het heil spreken, wij mogen het ook en allereerst beleven. In het heil delen. Er uit leven. Het vóórleven. Dat is God dienen. Zo geschiedt Gods wil niet alleen in de hemel, maar ook op de aarde!

We sluiten met Gebed, met de woorden van een gedicht van Nel Benschop (Kerstfeest voorbij)

Zo moeilijk, Heer, om ieder jaar dezelfde woorden
opnieuw te lezen, vol verwondering,
alsof we ze voor ’t eerst, zoals de kind’ren hoorden,
voor wie een lichte wereld openging.

Zo moeilijk, Heer, om toch de vreugde te ervaren
die herders voelden in die stille nacht,
waarin de engelen de licht-getuigen waren
van ’t offer dat U aan de wereld bracht.

Zo moeilijk, Heer, om bij Uw kribbe neer te buigen,
en met een hart, vervuld van eigenwaan,
van Uw verbijsterende liefde te getuigen….
’t Was kerstfeest, Heer. - Zie ons genadig aan!

Amen

woensdag, september 20, 2006

HOOP VOOR DEZE BALLING (preek)


HOOP VOOR DEZE BALLING

Wat ben je bedroefd, mijn ziel, en onrustig in mij.
Vestig je hoop op God;
eens zal ik hem weer loven,
mijn God die mij ziet en redt. Psalmen 42:12

Politieke vluchtelingen,

er zijn er miljoenen van op deze aarde. Het is één van de problemen, die we naar het schijnt, niet kunnen oplossen. Soms kunnen we ze een nieuwe toekomst bieden, zij het ver van wat toch hun land en volk was. Maar verreweg de meest van hen zitten in kampen. Soms hebben ze nauwelijks te eten. Ze missen medische hulp. En ze wachten. Op wat? Ze zijn vaak zonder enig uitzicht op een goede toekomst. Nee, onvoorstelbaar triest, op de vlucht te zijn. In ballingschap, verbannen.

Politieke vluchtelingen zijn er eigenlijk altijd geweest. Ook in dit prachtige lied, waarvan hierboven een stukje uitgetypt staat, is een politieke vluchteling aan het woord. (Als je een bijbel hebt: de moeite waard om in zijn geheel, samen met de volgende psalm, die er één geheel mee vormt, te lezen.) Wie die man geweest is, weten we niet. Maar het lied past in de mond van vele mensen. Mensen van heel vroeger. Mensen van nu.


De dichter
hoort bij het volk Israël. En hij is een vooraanstaand man, een leider. Hij ging voorop. Misschien is het een koning. Maar misschien slaat het ook op iemand anders en een andere situatie.

Die iemand is dus banneling. Verdreven helemaal naar het noorden van het land. Dáár waar de Jordaan ontspringt. Naar het Hermongebergte. Daar is een woest, onherbergzaam gebied. Met in regentijd watervallen, grote en kleine. Die dan samen de rivier Jordaan gaan vormen. Een gebied, waar veel mensen zouden genieten van de natuur. Maar dan op een vakantietrip.

Deze dichter is daar. Maar niet op vakantie, vrijwillig. Nee, hij wordt daar vastgehouden, gevangen. Want hij hoort zijn vijanden praten. En ook wát ze zeggen. En dat is koek van een totaal ander deeg! Want waar hij nu is, daar is hij niet thuis. Zijn thuis is elders. En dat thuis, dat mist hij. En geen klein beetje ook!

Hij is bedroefd.
En zijn hart is onrustig in hem. Dat constateert hij bij zichzelf. Nou, vind je het gek! Dat kán toch niet anders! In zo’n situatie ben je ontheemd. Dan ben je letterlijk, maar ook figuurlijk vér van huis. Want je huis is je paleis, zo ongeveer luidt een engels spreekwoord. Daar ben je echt thuis.

De dichter mist zijn gewone werk van elke dag. En zijn gezin natuurlijk allereerst. Maar tóch hoor je daarover weinig of niets in dit lied. Vreemd, vind u niet? Waar je dan wél over hoort? Wat en wie hij dan wél en heel érg mist: zijn God. En de dienst van die God. En de gemeenschap, het omgaan met die God.

En de omgang met de HEER,
de God van Israël, die was in die tijd geconcentreerd in en om de tempel. Of daarvóór de tabernakel, Gods huis in de vorm van een tent. Daar was de offerdienst te beleven en alles daaromheen. En dat betekende voor deze dichter enorm veel. Dát was zijn leven!

Hij denkt eraan terug. Dát was me een feest, zeg! Niet te geloven. Wat een vreugde, samen met die grote schare! Wat een feest, dat tempelkoor te horen, met al die muziekinstrumenten. En dan die offers! Ze zeiden: je zonden zijn weg. Weggedragen. Kijk maar: het bloed vloeit. Daardoor is er leven voor jou! Ja, wat een feest!

Daarom voelt hij zich ook zo enorm gekrenkt door zijn vijanden. Namelijk als ze zeggen: “Waar is hij nu, die god van je? Waarom redt hij je niet?” Dat raakt hem diep. Dat gaat hem door merg en been. Vreselijk vindt hij dat! Dat doet het gemis schrijnen. En het is een grove belediging voor zijn God. Die is er namelijk altijd. Die kan altijd en in alle situaties helpen!

Vandaar
dat hij eigenlijk God mist. En het huis van God, de tabernakel, het heiligdom. En dat hij het huis van God veel meer mist dan zijn eigen huis! Is dát vreemd?

Nee, dat is voor een vrome Israëliet niet vreemd. Voor hem en voor iedere gelovige, ook voor de christen vandáág, is dat niet vreemd, maar heel gewoon. Alleen, het aantal vrome gelovigen is klein en dáárom komt het weinig voor. En komt het als zonderling over. Maar dat is het niet. Want het omgaan met God, dat is voor zo iemand letterlijk van levensbelang.

Dat zegt al dat beeld van die hinde. Die moetje je voorstellen in dor en droog gebied. Het beest is uitgeput van het zoeken naar water. Het moet drinken, anders gaat het dóód, zie je! Zó moet de dichter de band aan God voelen en beleven, want anders gaat hij ten onder!

Hij roept. Hij schreeuwt het uit, richting God. “God, waar bent U nou toch! Waarom merk ik niks van U? Ik ga dood zonder U, dat weet U toch? Ik kan U niet missen. Kom dan toch en help! Red me. Wanneer mag ik weer naar uw Huis? Wanneer zal ik U daar weer ontmoeten?”

Kun jij
je zulke woorden als van de dichter voorstellen? Wat zouden wij in een dergelijke situatie het meeste missen? Moeilijk te beantwoorden, want moeilijk voor te stellen. En we verkéren niet in die situatie. Maar is God en zijn dienst werkelijk belangrijk voor ons? Van levensbelang?

Hoe dat er ook met ons voorstaat, dat is wél zo. Al vóelen we het misschien anders, kunnen we God missen als kiespijn, zonder Hem is er geen leven. Komen we óm van dorst. En mét hem is er leven, dat verzeker ik je. En kijk, dát stelt jou en mij wél voor een keuze. En een keuze, waar veel, ja eigenlijk alles, van afhangt…

En, een tweede zaak,
die de dichter jou en mij aanreikt: dat samen zijn, dat is óók zoiets geweldigs. Als je dat mist, dan voel je dat. Dan doet dat echt flink pijn. Mensen, die niet (meer), al dan niet tijdelijk, de kerkdiensten kunnen bezoeken, die weten daar over mee te praten.

Jammer eigenlijk, dat je dat dán pas zo gaat waarderen! Dus: geniet van dat samen zingen, samen luisteren. Van dat sámen de kerkdienst beleven. Dat samen gemeente zijn. Geniet er nu van, voordat je het, misschien lange tijd of voorgoed, moet missen…


Met God leven
is LEVEN (met hoofdletters). Leven van belang! Maar dat kan wel ánders voelen. De dichter praat tegen zichzelf. Hij moppert eigenlijk. “Wat ben je bedroefd, man. Wat een treurige zielepiet ben je. Heb je de moed nu al opgegeven? Wat ben je onrustig en depressief. Wat helpt het, jezelf zo te beklagen. Stel je vertrouwen op God. Vestig al je hoop op hem”.

Daar is alle reden voor, zegt de dichter tegen zichzelf. Er komt een andere tijd, dat is vast. De HEER zal doen, wat hij altijd heeft gedaan: redden.
Ik zit in een diepe dip. God lijkt zo ver weg. Ik zie hem niet. Merk niets van hem. Dat is nu. Maar het wórdt anders.

Want God
is er wél. Hij heeft mijn klacht gehoord. Hij is een God met oren. En met ogen. Hij ziet mij. En hij ziet mij met een blik vol liefde. En die liefde zet hem aan tot actie. Een reddingsactie komt op gang.

En die is gekómen, al weten we niet hoe. Want we kennen de dichter niet. Maar hij is gered. Deze politieke vluchteling werd geholpen. Hij kwam thuis. Dat is zeker. Want God is redder. Later heeft hij de dienst in tabernakel of tempel weer meegemaakt. Weer feest gevierd, temidden van de feestvierende menigte! Dankzij God, de redder. Ja, God is dé redder.


Dat is duidelijk geworden
voor iedereen. Namelijk toen Jezus kwam. Toen hij de offerdienst verrichtte. Zélf het Lam was. Zijn bloed stortte. Ja, daar kunnen we wel problemen mee hebben. Met dat bloederige gedoe. Dat is te begrijpen. Maar het was absoluut noodzakelijk. Anders was er géén redding, géén toekomst. Dat kon alleen zó…

En die Jezus lééft,
door de dood heen. En Hij heeft gezegd: Ik ben mét u. Hij is bij ons, als de redder. En dat hélpt, zie je! Dan moeten we ons wel láten helpen. Dan moet die noodkreet richting God. Dan mag je gerust aan Hem zeggen: “Hallo, bent U daar? Ik ben hier, hoor. Hoort U mij? Waarom vergeet u mij? Ik weet, dat ik dat driedubbel verdiend heb. Maar de Heer Jezus heeft alle schuld toch voor mij weggenomen? Help me alstublieft”.

Maar dan moet je óók jezelf aanpakken. “Wat ben je toch depressief, man! Houd toch op met dat gemekker! Vestig je hoop op God. Dankzij Hem, en zijn totaal onverdiende liefde voor je, komt het goed. Je komt thuis. Je komt thuis bij God! Wanneer dan ook, hoe dan ook. Vast!”

Dat helpt! Want Jezus redt!
Amen.
-----

Punten voor dankzegging en voorbede :

Bidden, dat echte politieke vluchtelingen hulp mogen ontvangen.
dat de oorzaak van het moeten vluchten wordt weggenomen:
oorlogen, dictatuur enz.
Bidden, dat U en uw dienst steeds belangrijker voor ons worden.
om (meer) liefde voor uw dienst en voor het gemeenschappelijke
karakter daarvan.
Bidden voor mensen, die depressief zijn, ver van huis; dat ze God aanroepen en in zijn kracht zichzelf (leren) aanspreken en aanpakken.
God prijzen, omdat Hij redt en redder is in Jezus.


Voorstel voor een orde van dienst:

Eventueel vooraf: Gez. 392:1,3,4

Na votum en groet: Zingende Gezegend 273:1,2,3


(In ochtenddienst: als verootmoediging lezen: Psalm 143: 1,2
Zingen: Ps. 143:8
Gods wil: Matth.5:13-16
Zingen: Ps. 143:9)

Gebed om de Geest
Lezen en zingen: Psalm 42 en 43 en wel: Lezen: Ps. 42:1-5, zingen: vers 3, lezen Psalm 42: 7-11, zingen vers 7; lezen: Psalm 43: 1-4, zingen: vers 5
Verkondiging
Zingen: Gez. 427: 6,7,8
Gebeden
Zingen: Ps. 149: 1 (middagdienst: 12 artikelen) en 5
Zegen.


(september 2006)

maandag, augustus 28, 2006

MAAR IK BEN TOCH BIJ JE? (meditatie)


IK BEN TOCH BIJ JE?

En houd dit voor ogen: ik ben mét jullie… Matteüs 28:20

Alléén zijn,
dat is een groot probleem. Er alleen vóór staan, of dat ménen of vóelen, dat is enorm zwaar. Als er niemand bij je is, er voor je is, dat is hopeloos. Dat kun je gewoon niet áán als mens.
Denk maar aan ziekte, ernstige ziekte. Dan kun je pijn hebben. Dan kun je sombere gedachten hebben. Dan kan het zó donker wezen. Zó zwaar aanvoelen. Zodat je het gevoel hebt: dit trék ik niet. Zo ga ik er onderdoor.
En als er dan niemand bij je is. Als er dan niemand is, met wie je kunt praten. Aan wie je die sombere gedachten, je angstige vermoedens, je pijn en verdriet kunt vertellen. Nou, dan wordt het ondraagbaar.

Of je moet iets doen, wat je niet áán kunt. Gewoon een onmogelijke opgave voor je. Je ziet er tegenop als tegen de Alpe d’Huez!

Wat een geluk, als je iemand hébt. Iemand, die kan helpen. Die naar je kan en wil luisteren. Die er voor je is, als het echt nodig is. Die dan zegt: Ik ben toch bij je?
Er zijn mensen, die dat niet hebben. Die er werkelijk alléén voor staan. Geen vrienden, geen familie, niemand.

Voor zulke mensen,
en voor iedereen trouwens, heb ik een bijzonder goede boodschap: er is iemand, die bij je, mét je wil zijn. En dat elke dag, elk moment. Tot aan het bittere einde. En zelfs nog verder. Zodat dat eind niet bitter wordt. Maar een zoet begin is. Lees maar…

Het gáát in dit gedeelte uit de bijbel over een opdracht. De 11 overgebleven leerlingen krijgen van hun meester iets te doen. Zelf heeft hij zijn werk op aarde gedaan. Het is helemaal áf: hij heeft geleden, is gestorven aan het kruis, is begraven, maar terug gekomen uit het graf. Van tussen de lijken weer naar de levenden gegaan.

Nu gaat hij naar de hemel, naar zijn vader. En de elf afgezanten van hem blijven achter. Met die opdracht. Die luidt, kort en goed: de mensen vertellen, van Jezus en zijn reddingswerk voor de mensen. En zo de mensen tot volgelingen van Jezus te maken. Te zorgen, dat ze door het horen van die boodschap volgelingen van Jezus worden. Een hele opdracht! De grote opdracht, die vandaag ook nog geldt.

Ook vandaag
hebben gelovige mensen de opdracht, getuigen van Jezus te zijn. In daden en woorden, in wat ze zeggen en in de manier waarop ze in het leven staan, laten zien en horen, wie Jezus voor hen is.
Moeilijk? Nou en of! Dat kon hun letterlijk “de kop” kosten. En dat hééft vele van Jezus’ volgelingen het leven gekost.

Nu, en dáárom komt Jezus met die belofte: houd dit voor ogen: ik ben mét jullie! Je staat er niet alleen voor. De almachtige Jezus (vers 18!) gaat naar de vader. Maar hij blijft toch bij de gelovigen. Wonderlijk, onbegrijpelijk! Maar toch wáár. Daar moeten we maar niet al te lang alleen maar over denken. Dat moeten we maar aanvaarden.

Jezus belooft dus, mét ons te zijn. Met allen, die met hem door het leven wíllen gaan. Die hem in hun nabijheid, in hun hart, in hun leven, toelaten.

Hij wil mét hen zijn
bij het volbrengen van de opdracht. Hij wil vrijmoedigheid geven, om goed over Jezus te spreken. Als daar een goede gelegenheid voor is namelijk. Maar ook die wil God geven, als je ’t vraagt. Jezus wil mét ons zijn, zodat onze manier van leven (verder) opknapt. Er een beetje fatsoenlijker uit gaat zien. Zodat de mensen minder reden hebben te zeggen: “Wat maakt die christen, zoals hij zichzelf noemt, er een troepie van!”.

Maar Jezus wil óók mét ons zijn, als er niemand is, en we toch een luisterend oor nodig hebben. Of een hand, die je vasthoudt. Als je verdrietig bent. Of eenzaam. Als het donker is en somber. Als de pijn je kwelt. Zelfs als niemand helpen kán. Ook al staan er mensen klaar die dat wel willen.

Hij wil bij je zijn, en zál bij je zijn, als je hem toelaat. Bij je, als niemand bij je kán zijn. Als je die etappe van je leven moet afleggen van volstrekte eenzaamheid. Hij gaat mee, zelfs de dood in. En…hij is daar gewéést. En weer teruggekomen.
Hij heeft een uitgang uit het graf gemaakt. En uitgang aan de andere kant, door het graf heen.

Dan zegt hij: Ik ben tóch mét je! Wees maar niet bang, ik ben toch bij je?

(september 2006)
-----

Bidden:
Of ik nu een klaproos ben
de duurste roos
of eentje ergens tussenin:
laat mij opgroeien
en open bloeien voor U,
de schepper van mijn leven,
tussen madelieven,
koren-, paardenbloem,
het maakt mij echt niet uit.
Het enige dat ik vraag:
laat mij door U zijn omgeven
.
(Tinie Goedhart)

maandag, augustus 21, 2006

HIJ SNOEIT. EN PIJN, DAT HET DOET! (preek, met persoonlijke toepassing over mijn situatie)


HIJ SNOEIT. EN PIJN, DAT HET DOET !

“Iedere rank…snoeit hij bij…” (Johannes 15:2)

Er zijn mensen,
die erg opzien tegen een bezoek aan de dokter. Of die doodsbang zijn voor de tandarts. Want weet je, die man kan je misschien erg zeer doen. En pijn, wie heeft er geen hekel aan?
Dokter en tandartsen móeten je wel eens even pijn doen. Je hebt een bepaalde injectie nou eenmaal nodig. En er móet wel eens geboord worden. En soms is een zenuwbehandeling nodig. En dat is allemaal niet prettig. Bepaald niet!

Maar ja, zachte heelmeesters maken stinkende wonden, zo luidt het gezegde. Dat prikje, die behandeling, die vieze pillen, het is allemaal voor je bestwil. Om erger te voorkomen.

Zo heeft een plant
soms ook een radicale behandeling nodig. Bijvoorbeeld een wijnrank. Die moet hardhandig, én deskundig, gesnoeid worden.

In de woorden boven deze preek is Jezus aan het woord. Hij vertelt hier een gelijkenis. Dat is een verhaal, waarin iets uit het dagelijkse leven verteld wordt. En daarin een beetje verscholen wordt iets aangegeven van de werkelijkheid in het rijk van God. Hoe het dáár toegaat, in het groot, maar ook in het klein. En daar komen wij dus volop aan bod. Gewone mensjes, zoals jij en ik.

O.K, deze gelijkenis
is dus een aspect van het gewone leven van Jezus’tijd en van het land Kanaän, zoals het in de bijbel heet. Daar was de druiventeelt een algemeen verschijnsel. Niet maar dat er druiven verbouwd werden in grote wijngaarden. Maar ook, zoals dat in mijn jeugd op het platteland hier gebruikelijk was met appel-, pruimen- en kersenbomen. Net als groenten en aardappels: je verbouwde ze zelf.

Dat is dus ééuwen geleden! Praktisch niemand had nog tv.! Zelfs een radiotoestel was een bezienswaardigheid. Stel je voor! Maar goed, zó “stok” ben ik dus. Nu is ook op het platteland een groentetuintje een rariteit. En vruchtbomen vind je ook amper. Tóen dus wėl.

Zo hadden de mensen toen en daar – in elk geval op het platteland- o.a. druiven. Het werd gezien als een teken, dat het goed ging. Dat er vrede was en welvaart. De profeet Zacharia (in hoofdstuk 3:10) kondigt aan: Indien je mij (de HEER) gehoorzaamt…zullen jullie elkaar uitnodigen onder de wijnrank en onder de vijgenboom. Ook de ranken met bladeren boden in tijden van welvaart en vrede dus schaduw, om gezellig met de visite buiten te zitten.

Dat betekent dus,
dat men algemeen wist van de hoed en van de rand. De mensen knikten bij wat Jezus zei over de wijnstok. Ze herkenden de dingen, die hij noemde.

“Ik ben de ware wijnstok”, zegt Jezus. “En mijn vader is de wijnbouwer”. En het is geen liefhebberij van God –al heeft hij zijn mensen wel heel erg lief. Maar die wijnstok is er niet een beetje bij, als hobby. Nee, het is hem echt om vrucht te doen. Heel veel en prima kwaliteit druiven, daar gáát hij voor!

Dáárvoor is Jezus gekomen. Daarvoor heeft God zijn zoon gezonden. Daarvoor is Jezus de ware wijnstok. En die wijnstok is prima. Daar mankeert helemaal niets aan. Allemaal puik, in orde, goed geregeld.

Ik ben zelf al een aantal jaren
als liefhebber bezig met het verbouwen van wat druiven om sap van te maken. Dat laatste doet mijn vrouw dan. Maar ik mag proberen ervoor te zorgen, dat de wijnstok druiven voortbrengt. Daarvoor moet je zorgen voor bemesting. En voor water, als het een periode van droogte is.

Hoe het met die druiventeelt van mij gáát? Nou ja, eigenlijk niet zo geweldig. Daarvoor heb je veel meer vakkennis nodig. Maar ja, al doende leer je. Tenminste, een beetje. En leer je vooral ook dingen áf.

Ik heb wél ontdekt, dat een wijnstok zorgt voor enorme groei van de ranken. Voor zover mijn kennis reikt: ik ken geen plant, die dat zó enorm doet. Hij zorgt voor de ranken. En ook voor vruchten. Maar daarvoor moet je die ranken wél erg in de gaten houden. Want die “misbruiken” die groeikracht nogal eens. Dan komt er wildgroei. Dan komen er te veel en te lange ranken. En verschijnt er veel te veel blad.

Als je een “dief”
–dat is een nieuwe uitloper in de oksel van een andere rank of blad- verwijdert, dan ben klaar. Denk je? In de verste verte niet! Als je na een week terugkomt, is er wéér een dief. En vaak is er óók een “reservedief” aanwezig. En soms nog een tweede. Ja, de bank met reserves zit aardig vol!

Laat je dat allemaal begáán, dan komt het niet goed. Voor geen meter! Zo komt er vrucht van likmevestje. Wéinig vrucht, en kléine druifjes! Daarom is het snoeien, knippen en snijden en met je nagels wegknijpen geblazen. Je krijgt het idee, dat je niet anders doet! En toch, die nieuwe zijscheutjes moeten allemaal weg. Want anders blijven de trossen trosjes, zie je! En dat is niet de bedoeling natuurlijk.

Ik maak dagelijks fietstochtjes. Voor mijn gezondheid is dat. Vlak bij mij in de buurt kom ik dan langs een tuintje met een wijnstok. Na twee jaar is die al uitgegroeid tot een geweldige plant. Het is allemaal blad. Maar daartussen zie je ook een paar kleine trosjes druiven. Leuk, zou je zeggen. Maar zo hóórt het niet. De plant had nog lang niet zo groot mogen worden. En er had duchtig gesnoeid moeten worden. Je moet niet bang zijn, om de plant te beknotten!


Dat doet God, mijn vader, ook,
vertelt Jezus. Als een rank geen vrucht draagt, dan moet die weggeknipt worden. En als er wél vrucht is, maar kleine trosjes, met kleine druifjes, dan moet er gesnoeid worden. En dat doet deze wijngaardenier dan ook. Hij blijft met elke rank bezig.

Dat betekent dus: God houdt zich bezig met iedere gelovige persoonlijk. En hij blijft ermee bezig. God houdt zich persoonlijk met jou bezig, je hele leven lang! Alle dagen van je leven is hij aan het snoeien!

Dat snoeien zit nu eenmaal vast aan het verbonden zijn aan Jezus de wijnstok. Aan die wijnstok en met zó’n wijnbouwer zit je goed, letterlijk. Want dan zijn er groeimogelijkheden te over! Dan kun je je ontplooien, zover je maar wilt. Alleen: de richting bepaalt God. Het gaat hém erom, dat je vruchten draagt. Grote trossen. Dat kan, door de voeding, die de wijnstok aanlevert. Ongekend veel!

Bedenk dat dus wél,
als je aan hem verbonden wilt zijn. En verbonden zijn aan hem, in hem moet je eigenlijk zeggen, is een aanrader, dat zeker! Dat wil ik hier nog eens weer met erg veel nadruk vertellen. Bij Jezus moet je zijn! Verbonden met hem is er leven, écht leven. En wáár levensgeluk, hier en voor altijd. En buiten hem niet. De ranken, die niet aan deze wijnstok verbonden zijn, die wacht níets goeds.

Dus is de keuze in wezen niet moeilijk. Dat zal ieder begrijpen. En die keuze uitstellen lost niets op. En is in wezen gevaarlijk. Letterlijk lévensgevaarlijk. Dus…

Maar het is wél een keuze met consequenties. Want dan begint het snoeien, zie je! Dat snoeien, ja, dat is me wat. Niet altijd leuk, om te doen. Altijd weer die weerbarstige ranken! Telkens verzetten ze zich. Willen ze de verkeerde kant op. Gaan ze voor groei in plaats van bloei. Voor uitbreiding in plaats van vrucht. Voor nieuwe wegen, aangenaam, aanlokkelijk voor zichzelf. Maar ten koste van goede en zoete vrucht voor de wijnbouwer.

Nee, snoeien is niet leuk soms.
Daar is veel geduld voor nodig. En geweldig, dat God dat tóch maar opbrengt. Elke dag wéér! Snoeien kost veel. Maar gesnoeid wórden is al helemáál niet prettig. Snoeien doet pijn. Erg véél pijn soms.

Mag ik deze keer een voorbeeld uit mijn eigen leven geven? Ik aarzel, om dat te doen. Al gauw leidt het af van de boodschap. Maar tóch....

Ik werkte als predikant in een fijne gemeente. Met vallen en opstaan, ook na al die jaren nog. Maar lang niet álles was verkeerd, dacht ik. Ik bracht de boodschap van de bijbel. Op mijn manier, jazeker. Maar tóch. De boodschap van God, dus: de góede tijding. En ik had nog een aantal jaren te gaan. Wat moest er nog veel gebeuren! En wat kón ik nog veel doen!

En toen, zomaar, in een onderdeel van een seconde, sloeg die ziekte toe. Die “critical illness”, zoals dat heet. En mijn leven lag overhoop. En al spoedig bleek, dat ook na lange revalidatie, werken nooit meer zou gaan. Zómaar, plotseling, kreeg mijn leven een wending. Steeds meer richting het isolement in feite. Met elke dag pijn. En elke dag die moeheid.

Over snoeien gesproken…
En over pijn gesproken… Je werk, je gemeente moeten verlaten. Je lieve kleinkinderen lang niet de aandacht kunnen geven, die je zou willen geven. Zien, hoe je wereldje steeds kleiner wordt. En hoe minder en minder je de bescheiden gaven, die je hebt gekregen, kwijt lijkt te kunnen voor God en zijn dienst. En ga maar dóór.

Zo heeft iedereen wel zijn verhaal over snoeien en pijn vanwege het snoeien…

Nu geef ik beslist Gód niet de schuld van bijvoorbeeld mijn ziekte. We krijgen echt niet de straf hier, die we verdienen. Dan zou het pas erg worden. Zó erg, dat wil je niet weten! Dat zou de hel worden in optima forma. Maar nee, dát gebeurt niet. Die straf heeft mijn Heiland uit liefde voor mij gedragen.

En bovendien: Het is beslist niet zo, dat elke nare gebeurtenis, elke pijn, elke tegenslag, elk verdriet te herleiden is tot eigen zonde. En is ook niet altijd snoeien, om vrucht te kunnen dragen. De duivel is er ook nog, weet je. En die pijnigt, uit lust tot pijnigen. En om ons los te scheuren van Jezus. Nee, niet alle pijn is te verklaren. Het leven, het geloof en de vragen, ze zijn niet op te lossen met de logica van een sudoku.

Maar eerlijk is eerlijk:
dat alles gaat niet buiten God om. En door en in dat alles is hij aan het snoeien. Snijdt hij bepaalde richtingen af. En dat doet vreselijk zéér!

Maar zó, en alléén zo, komt er vrucht. Mag ik weer naar mijn eigen leven gaan? Meer persoonlijke omgang met God. Meer zien van de gaven van het gewone leven, in de kleine dingen. Een fietstocht langs een vijver. En in de vroege zomer op een fietspad door het bos, met aan weerskanten struiken met witte bloemen en heerlijke geuren. En de vogels, die zingen. Je voelt het bijna als heiligschennis, als zondig mens daar te fietsen! Dan juicht mijn hart: hoe groot bent U! Kleine dingen, zoals het eerste bakje koffie 's morgens, samen met je vrouw. Dan juicht mijn hart soms even: hoe goed bent U, voor mij...

Meer liefde tot God. En Jezus gaat zo steeds meer voor je betekenen. Niet, dat je dat dagelijks merkt, hoor. Maar er is groei. Of in dit geval: bloei. En vrucht. De vrucht van de Geest, waar we aan het begin van de dienst over lazen. Vreugde, die behoort óók tot die vrucht. En liefde.

En dan denk ik soms:
ja, die pijn. Die maakt je wel eens chagrijnig en neerslachtig. Méér dan eens. Veel te veel eigenlijk. Alsof alleen jij alle ellende van de wereld op je schouders hebt gekregen. En tot de vrucht van de Geest behoren niet chagrijn en gemoppper en gezeur over je ziekte en problemen...

Maar ja, snoeien doet pijn, vreselijk pijn. En toch…Wát is God blij, als hij vrucht ziet! Wat verheugt Jezus zich, als hij kijkt naar zo iemand. Niet om die pijn. Maar om de vruchten.Hij gaf zijn leven. En de kracht die door hem heen stroomt, zorgt voor vrucht!

Nee, ze zijn ons bepááld niet naar de zin. Zuur, klein, die druifjes. Maar boven is er vreugde!
Ook over jou? Láát u snoeien, ook al doet het pijn! In de hemel juichen God en de engelen!

Amen.

------------------------------------------------------------------------------------------------

Voorgestelde orde van dienst:

Eventueel vooraf: Gez. 460:1,2
Na stil gebed, wijdingswoord en groet: Gez. 460:3,5
{In ochtenddienst:
Het is goed, ook als gemeente, gezamenlijk, onze zonden te belijden en te smeken om vergeving en vernieuwing; we doen dat door samen te zingen Psalm 51:2,4
Dat er genade is voor schuldige mensen, daar is de bijbel duidelijk over. We zingen daarvan met de woorden van Psalm 51:6
Gods wil voor ons leven komt tot ons uit 1 Kor. 13
We zingen Gez. 481:1}

Gebed om opening van het Woord en de leiding van de Geest
Schriftlezing: Joh. 15:1-8
We zingen Gez. 78:1,2.
2e Schriftlezing:Gal. 5:22-26
Zingen: Zingende Gezegend 70:1,2,3.
Preek over Joh. 15:2 (ged.)
Zingen: Ps. 36:2
Dankzegging en voorbeden
Dienst van het offer
Gez. 157:3
{middagdienst: Geloofsbelijdenis van Nicea}
Gez. 157:4
Zegen
Amenlied: Zingende Gezegend 76:4

-----

Punten voor voorbede en dankzegging:

Loof de Heiland, om de vruchtbaarheid die hij geven wil. Voor de kracht, die hij in ons laat stromen. Zodat wij ons kunnen ontplooien. Zodat we vruchten kunnen dragen voor God.
Prijs God voor het geduld, dat hij met ons heeft. Want we zijn zo weerbarstig. En dag in dag uit wil hij ons verzorgen. Onvoorstelbaar!

Gebed, om als rank aan Jezus verbonden te worden, als dat nog niet gebeurd is. Want anders wordt het helemaal niets met ons!
Gebed om de pijn (blijmoediger) te dragen, die het bijgesnoeid worden kost. We voelen ons zo beknot
, ingesnoerd soms! Geef kracht, om dat te dragen. Laat ons (blijven) zien, dat het gáát om de vruchten. Vrucht voor de liefdevolle en zorgzame wijnbouwer!
Voorbede voor hen, die veel pijn te dragen hebben, (veel) meer dan anderen, of dat ménen.


(augustus 06)