maandag, september 10, 2012

GODS OOGAPPEL? ZEKER WETEN! (preek over Psalm 17:8)


GODS OOGAPPEL?  ZEKER WETEN! (preek)
 "Behoed mij als de appel van uw oog..." Psalm 17:8
ik wil ze allemáál...
“Kinderen die vragen worden overgeslagen”. Zo luidt een oud (ouderwets misschien?) spreekwoord. Ouders leren hun kinderen, -althans, dat hoop ik voor die kinderen-  niet vrijpostig, begerig te zijn. Zoals dat meisje in dat reclamespotje over vlaaien: “Ik wil ze allemáál!!” Nee, niet vrijpostig zijn, maar nederig. Een kind, dat geduldig afwacht of en totdat het iets krijgt, dát komt goed over. Nederigheid is een deugd, zeggen we dan. En hebberig, vrijpostig van alles maar vragen, dat is het tegenovergestelde.
Maar besef wél: vrijpostigheid is niet hetzelfde als vrijmoedigheid. Als een kind vrijmoedig en open dingen aan vader of moeder vraagt, dan is dat prima. Dat laat zien, dat de relatie met zijn ouders in orde is. Dat er vertrouwen is en liefde. Dan geldt ”vragen staat vrij”. Zijn ouders zullen wel bepalen, of het wel goed voor hem is, wat hij vraagt. Want dat kan een kind lang niet altijd overzien immers?
------
David, de dichter van Psalm 17, durft ook niet bepaald een kleinigheid te vragen. Hij wil dat de HEER, zijn Vader in de hemel, hem behoedt. Dat die hem in zijn hoede neemt, hem nauwgezet en in alle opzichten bewaart in de gevaarlijke situatie, waarin hij zich bevindt.
En die situatie is gevaarlijk! En geen klein beetje ook!
Wanneer dat precies was, weten we niet. Want vijanden, daar wist David alles van. In verschillende situaties van zijn leven was hij omringd door vijanden. Denk aan de tijd, dat hij vervolgd werd door koning Saul. David had geen vlieg kwaad gedaan. Integendeel, hij had Saul en het volk gediend. Hij had zijn  leven in de waagschaal gesteld. Maar Saul haatte hem en vervolgde hem.



grot
Ik maak dat maar concreet. Hij zat werkelijk in het nauw. Met zijn mannen had hij zich achter in een grot verstopt. Als een muis in de hoek gedreven door de koning en zijn soldaten. Ze wisten dan wel niet, dat hij daar zat met zijn handjevol mannen. Maar als ze er ook maar even lucht van kregen…
Ze waren immers uit op zijn dood. Gunden hem het licht in zijn ogen niet.
In die situatie bidt de koning tot God. En natuurlijk vraagt hij om bewaring en bescherming. Daar gebruikt hij beelden voor. Hij is dichter per slot van rekening.
----
Hij gebruikt het beeld van de vogel, de kip of kloek bijvoorbeeld, die een nest jonge vogels heeft
"moeder" met "de kids"
Toen ik jong was hadden we een toom kippen in een hok achter ons huis. Als jongentje vond ik dat natuurlijk leuk, dat begrijp je. Soms broedde één van die kippen eieren uit, in een apart hokje. En dan kwamen er kuikentjes. Schitterend! maar soms kwam ik bij dat hokje en dan zag ik alleen de moederkip zitten. Waar waren de kuikentjes?
Nou, die waren er wel, maar ze zaten “onder moeders vleugels”. Heerlijk dicht bij elkaar en lekker warm en veilig onder die vleugels.
Prachtig beeld van bescherming en verzorging is dat, vind u niet? Om zo  veilig  en geborgen te zijn bij God, dat vraagt David. Omdat de onherbergzaamheid en onveiligheid zo groot is. “Verberg mij in de schaduw van uw vleugels, mijn God”.
----
Het andere beeld is dat van de oogappel. “Behoed mij als de appel van uw oog”.

oogappel
De oogappel of pupil is dat zwarte stipje in het midden van het oog. “Iris”, zo heet het ook wel. En de iiris is erg belangrijk voor het zien.
Nu zijn je ogen op zichzelf al erg belangrijk voor de mens, voor jou en mij. “Je ogen, daar heb je maar twee van”,  zeggen we dan. “Die kun je niet missen”.
In wezen kun je zelfs niet één van die twee missen. Want met één oog kun je geen afstanden schatten. En bedenk maar eens, wat dat betekent…
Ja, wees zuinig op je ogen. En zorg vooral goed voor je pupillen.
Want de  pupil heeft in dat ingewikkelde mechanisme, dat het oog is, een onmisbare functie. Het is namelijk het luikje, het zichtbare donkere stukje van het regenboogvlies, dat het licht doorlaat. Vandaar, dat het verder open gaat als het donker is. En dat het kleiner wordt naargelang er meer licht is. Zó valt er een beeld van waar je naar kijkt op het netvlies. En dat wordt dan doorgegeven aan de hersens. En zó kunnen we zien.
----
Zie je, hoe belangrijk de appel van het oog is? Van onschatbare waarde gewoon!!
En daarom worden mijn pupillen door mijn oog, door mijn lichaam zelf, heel nauwgezet bewaakt. Dat doet dat oog zelf. Of beter: dat doe je als mens. Maar het gebeurt in een reflex.
Moet je maar eens (voorzichtig, kijk uit je doppen!!) uitproberen: probeer je oogappel maar eens aan te raken met je wijsvinger. 10 tegen 1, dat je oogleden daar een stokje voor steken. Nee, raak mijn oogappel niet aan!
"mijn oogappel"
Nu kun je een mens, bijvoorbeeld je man, je vrouw, je kind ook “mijn oogappel” noemen. Daarmee geef je aan: hij of zij betekent ontzettend veel voor me. Voor hem, voor haar, daar gá ik helemaal voor. Probeer hem of haar niet iets aan te doen. Over mijn lijk!
-----
Het is dus echt niet niks, wat David aan God vraagt!  Zorg voor mij, zoals een mens in een reflex zorgt voor zijn oog in het algemeen en de appel van zijn oog in het bijzonder. Ik zit in de penarie. Maar red mij. Ga er helemaal voor, mijn God, om mij uit de nesten te halen, te bevrijden, te redden.
Waarom? Waarom zou God dat doen? Was die David zo’n beste brave broeder dan? Had hij het verdiend, dat de HEER hem zou redden? Had hij zó goed geleefd voor God, dat Die wel moest zeggen: “Nee, dat kan ik niet maken, hem in de steek te laten. Die móet ik wel helpen”.
een blinde...
Je kunt zeggen: daar sla je de spijker op de kop. Zo is het maar net. Want David zegt hier eigenlijk: Ik ben voor U net zoveel waard, als een oogappel voor een mens. U kunt zonder mij niets beginnen. Ik ben onmisbaar voor U.
-----
En toch: het ligt wel een tikkeltje anders. Je moet dat wel nuanceren.
God kan ons wél missen. Echt wel. Het is heus niet zo, dat Hij niet kan zien zonder ons. Dat hij gebrekkig is zonder ons. O nee. God is God. En Hij blijft gewoon God, ook als wij er niet zouden zijn. Of als wij hem in de steek zouden laten. Als we de biezen pakken. Stiekem, langzaam maar zeker bij hem vandaan glippen. Daar mist de HEER niets aan. In die zin zijn we niet zijn oogappel.
God kan ons wel missen. Maar hij wil ons niet missen. Hij wil, dat mensen, dat jij en ik bij hem zijn. Dat wij niet zonder HEM kunnen en willen leven.
Dát wil Hij zielsgraag. En daarom zijn wij als een oogappel voor hem. Zo beschouwt Hij ons. Zo behandelt Hij ons. Zo gaat Hij met ons om. En daarom mogen wij dit vragen. ”Behoed mij als de appel van uw oog”.
-----
Door kruis hoop
Zó kijkt God naar ons. Weet je, waarom en hoe ik dat weet? Omdat ik kijk naar Jezus, de Heiland. Hij is Gods Zoon. En dat betekent: Hij is écht Gods oogappel. Niet omdat God dat wil alleen. Maar omdat Jezus Gods Zoon is, en zo echt, helemaal Gods oogappel. De Vader zou niet Vader zijn, als die enige Zoon van Hem weg zou vallen. Dan was God geen Vader, niet God meer.
En nu kwam die Zoon als mens op aarde. Hij bleef tenvolle Gods Zoon. Maar Hij werd mens. En als mens leefde Hij, leed en stierf Hij.
Niet per ongeluk, hoor. Dat gleed God niet even door de vingers. Niks ervan.
Maar de Vader wilde dat. Zoals Jezus dat wilde. Dat was Gods plan om de mens weer zijn kind te maken. En zo zijn oogappel.
-----
Begrijp je? Ja?  Nou, dan ben je veel knapper dan ik. Want als ik dat wonder vatten wil, dan staat mijn verstand stil. Daar kan ik als vader niet bij: je eigen zoon de dood in laten gaan, de dood in sturen zelfs! En dat voor zulke stukken verdriet als jij en ik zijn! Tenminste: als God naar mij kijkt, dan moet ik me vreselijk schamen. Je eigen kind offeren voor zoiets! Onbegrijpelijk! 
En toch: God dééd het. En Jezus gáf zichzelf. En om dat offer, om der wille van Jezus, wil God dat wij zijn  oogappel zijn. En mogen we dat gebed  omhoog sturen, naar God toe. Net als David deed.
-----
...om te vullen..
Ja, dit gebed mag je bidden. Zo vrijmoedig mag je zijn. Dat is geen ongepaste vrijpostigheid, waar je de HEER boos mee maakt. Nee, het is in alle opzichten gepaste vrijmoedigheid. God wordt er niet boos om. O nee, Hij wordt er heel erg blij van!
En dat gebed word verhoord. David werd bewaard. Zoals je je ogen, het kunnen zien bewaart. Verdedigt tegen alles wat dat je af wil pakken.
Nu kunnen wij daar niet altijd tegenop. Soms moet je je eigen kind, je oogappel, prijsgeven. Machteloos, hulpeloos. Dat hoeft God niet. Hij bewaart je als je het vraagt. Zelfs door de dood heen.
Want niets is zo kostbaar voor God als zijn oogappel. En daar mag ik, mag jij ook bij behoren.
-----
Is dat niet overweldigend goed nieuws?
Amen.
-----
Aanwijzingen voor de liturgie
Psalmen:  81: 4,8,9; 17:3; 121; 18; 84
Gez. 466; 443
Zingende Gezegend 270, 322
Adem van Boven (Troost) 41:1,3, 4  (laatste couplet event. na 12 art.) *)
-----
Voor de dienst der gebeden
Het is goed in de gebeden eens te denken aan de ouders: wijsheid bij de opvoeding van de kinderen, bijv. ze te laten zien en horen wat het 10e gebod betekent voor het leven in deze wereld.
Bidden voor mensen met een heel negatief zelfbeeld en hun grote problemen.
Danken voor Gods grote liefde: We zijn voor Hem waardevol!
Danken dat Hij altijd wil én kan bewaren.
Mensen zijn vaak niet betrouwbaar; daarom is overgave en vertrouwen zo moeilijk. Daarom bidden om (meer en groter) vertrouwen.

*)A.v.B. 41:1,3,4 (melodie Gez. 415)




zaterdag, juni 30, 2012

KAMPIOEN, WIJ??

Maar wij zegevieren in dit alles glansrijk dankzij hem die ons heeft liefgehad. (Romeinen 8:37)

 Kampioen worden, ja, vóór het Europees Kampioenschap droomden velen daar wél van. Dat we dat konden en zouden worden. Dat men dat in Europa na dit EK overal zou moeten zeggen: "Die Nederlanders, dat zijn superkampioenen. Ze begonnen niet zo goed, slecht eigenlijk. Maar uiteindelijk, in de finale: super! Het zijn superkampioenen daar in dat kleine landje aan de Noordzee!"
Stel je toch eens voor, dat het zó gegaan was! Dát was even een prestatie geweest! Want de tegenstanders waren bere-sterk. Die verdedigingen van de andere teams: een ondoordringbare muur. En die spitsen, messcherp waren ze. En die verdediging van ons? Verdedigen ligt ons niet zo. We vallen liever aan. "Aanvalluh..."  Druk zetten op de tegenstander, dat ligt ons altijd het beste.
balen als eeb stekker...
Maar daar kwam eerst geen spat van terecht. Dus dachten we: we kunnen dat kampioenschap wel vergeten. Dat oranje-gedoe, die vlaggetjes, die mutsen, het kan weer de kast in. Nee, kampioen, superkampioen nog wel? Wij? Schrijf maar op je buik! Wij? Minkukels in het kwadraat!
En dan tóch, uiteindelijk: superkampioenen!
Maar zo ging het niet. Het werd inderdáád helemáál, niks. Nothing, nothing at all.
En dus nu? Balen als de bekende stekker. Een afgang, niets meer en vooral niets minder.
                                                            -----
Met mensen die in de God van de bijbel geloven lijkt het geen spat anders. Die hebben het vaak niet breed. Ze zitten nog wel eens in het hoekje waar de slagen vallen. Soms zelfs letterlijk. Worden ze vervolgd, bespot, gevangen gezet. Omdat ze zo ánders zijn, weet je. Omdat ze aan de zijlijn staan. Niet meedoen met anderen en dergelijke zaken. Anders doen, anders zijn.  Daarom: weg met die hap. Opzouten jullie!
grof vuil...
Nee, niks super-kampioenen? Máák het nou even, zeg! Bij het grof vuil, dáár kun je ze vinden!
-----
Paulus, de schrijver van dit bijbelboek, de brief aan de gemeente in Rome destijds, weet dat heel goed. Christenen hebben, als ze werkelijk zijn, zoals ze heten, een vast doel voor ogen. Net als de Oranjeploeg.  En dat doel was: de winst in de finale. Kampioen worden! Nou, christenen hebben een ander doel: voor God en de naaste leven hier en nu. En later bij God komen in zijn hemelse luister!
het zwaard....
De weg daarheen gaat bepaald niet altijd over rozen, hoor. Integendeel, ze hebben te maken met tegenstanders, die dat willen verhinderen. En die tegenstanders, dat zijn bepaald niet een stelletje amateurs. O nee, die kúnnen er wat van! Ze zetten alle kracht in. Ze werken met verenigde krachten, in dienst van de leider. En dat is, je raadt het waarschijnlijk al, de duivel, Satan, de boze, Gods tegenstander.
En reken maar: dat wordt zwaar. Dat wordt lijden. Concreet, vers 35: tegenspoed, allerlei ellende, vervolging, honger, armoede, allerlei gevaar, bijvoorbeeld het zwaard, dat kan doden. Nee, Gods kinderen zijn hier geen reuzenhelden, geen supperoverwinnaars. Nee, het is een kudde schapen, onderweg naar het abattoir. Ze worden geslacht. En Gods tegenstander heeft lak aan diervriendelijke methodes, houd daar wel rekening mee!
Dus er komt geen vervolg van dit verhaal? Dat is over en uit? Dat is niks en wórdt ook nooit wat? Gaat het zo? Omdat de tegenstand en de vijand zelf toch groter en sterker blijkt dan verwacht? Nou nee, dat had je verwacht misschien. Maar niets ervan!
De gelovigen konden en kunnen dat verwachten, zie je.
Kijk maar in vers 36. Dat lijden, die vervolgingen, ze zijn, zegt Paulus (in een citaat uit Psalmen 44:23) helemaal in-gecalculeerd. Dat lijden, die minachting, die vervolging, ze zijn allemaal "om u''. Om God dus. Omdat je verbonden bent aan God. Omdat je dat fijn vindt en daar rond voor uit komt. Dan komt er lijden.
Denk maar aan Paulus zelf. Wat die niet zoal meegemaakt heeft! Dat wil je gewoon niet wéten, hoor. Wat een lijdensweg was zijn leven, sinds hij Christus als Heer diende. Afschuwelijk gewoon.
vervolging
Dus die vervolging, dat lijden: opgenomen in Gods scenario, hoor. Dáárom lijkt een christen soms een echte schlemiel. Lord wanhoop in het kwadraat!  LIJKT, ja. Maar, alles is niet wat het lijkt, bedank dat wel! IN al die dingen zegevieren wij glansrijk, schrijft Paulus. Met zó'n leven vol lijden! Met een kerk, die het zó moeiljk had en heeft in de wereld! Want ja, zo noemen we de groep mensen, die vertrouwt op God. Die met hun hart houden van hun Heer, Jezus. Die noemen we Kerk, gemeenschap van mensen, die bij God horen.  En dat lijkt  beslist  geen goed team, maar een verzameling zwakke, weinig weerbare mensen. Maar ze worden kampioen, stuk voor stuk. Ieder, die van dat team van harte deel uitmaakt. Kampioen, SUPERkampoenen nog wel!
Maar de weg náár de overwinning is bepaald niet gemakkelijk. Er moet met volle inzet gestreden worden. Het doel wordt niet zómaar eventjes bereikt, o nee! Daarom LIJKT het vaak, alsof het niks is en wordt met de kerk. Daarom voel ik me vaak een loser in plaats van een kampioen. Niets triomfantelijks is er te ontdekken aan de kerk.
Je leest, hoe christenen in andere landen bloedig vervolgd worden, vermoord, onderdrukt. Je ziet om je heen, hoe de kerk afkalft. Hoe gemeenten telkens leden verliezen. Ook leden die het geloof niet meer zien zitten. Je ziet, hoe kerkenraden worstelen met de vraag: hoe verder? Hoe de mensen vasthouden, bereiken, warm houden voor de strijd? Zodat de "club" in de race blijft voor de medaille, de erekroon, het kampioenschap. Lukt niet zo erg, vind ik.
En dus: een schamel cluppie, hoor. Dat wordt niet wat. Echt niet.
                       ----- 
het pad...
Zo lijkt het. Gelukkig is het waar: alles is niet wat het lijkt. Want je weet het: er is een weg naar het kampioenschap. En die weg is een verhaal apart. Een voetbalteam kan soms spelen als een vieze vaatdoek. Niet om aan te zien! Maar als de finale maar gehaald wordt! En als dat bereikt is, dan zijn alle problemen onderweg onbelangrijk geworden. Het enige dat telt: het doel. En dát is dan binnen handbereik. Als je onderweg dat doel maar voor ogen houdt! Dáár moet je in blijven geloven. Dat helpt je er bovenop, als je een nederlaag hebt geleden. Het komt op de finale aan. Als die maar gewonnen wordt, zie je... 
Ronaldo
Nu zijn er teams, die een geheim wapen hebben. Zo was het team van Portugal helemaal opgebouwd op en rondom Ronaldo. Als die op dreef was... Niet te stoppen gewoon! Zijn solo's, zijn dribbels, schijnbewegingen, schoten, die konden leiden tot doelpunten, doelpunten. Hij kon zijn team naar de overwinning voeren, naar het kampioenschap leiden. Dat is niet gelukt uiteindlijk. Maar het had kunnen gebeuren, nietwaar?
Geweldig, als je zo'n wapen hebt!
Je kijkt je ogen uit!
Het team van de Kerk heeft ook een geheim wapen. Had je niet gedacht zeker. Maar wáár, jawel! Zo'n stille kracht, die op het veld, het slagveld dan, niet opvalt. Je ziet hem niet. Maar Hij is er wel. En die Hij, dat is Christus. En dankzij hém winnen we met glans, schrijft Paulus. Door hem zijn we superkampioenen. Dat is nu nog niet aan ons af te zien, hoor. Maar dat kómt wel. Het is nu vaak nog géén gezicht. Maar dan zul je staan te kijken!
En gelovige mensen willen wát graag bij hem en zijn team behoren.
Waarom? Om de overwinning, die we met en door hem behalen? Och ja, dat speelt altijd mee. Maar ten diepste ligt er iets anders op de achtergrond. Er staat in het zinnetje boven dit sukje (deze preek) nog iets bij over hem en zijn verhouding met ons. Namelijk, dat Hij ons heeft liefgehad.
Dat klinkt een beetje als een nostalgisch iets. Als iets van vroeger. Iets dat nu niet meer geldt. Maar bedenk wel: in de bijbel is liefhebben niet voor niets een werkwoord. Liefde is dáád. Die liefde van Jezus voor ons is niet voorbij, geweest, afgelopen, over en uit. Gelukkig, Goddank niet!
lichtend kruis...
Nee, je moet, je mag lezen: we zegevieren in de strijd met al die geweldige vijanden glansrijk - dankzij de band aan de Verlosser, die ons zijn liefde heeft betoond. En die liefde is zichtbaar geworden, uiteindelijk aan het kruis. In zijn dood, waarmee Hij de basis heeft gelegd voor de vergeving van onze zonden. En die de oorzaak is van onze glansrijke overwinning.
Want Hij overwon die dood ook. Zoals Hij de duivel en al zijn trawanten overwon. En dat is een duivels team, dat er wezen mag. Dat een mens, zelfs alle mensen zonder moeite grondig kapot kan maken. Alleen Jezus kan je redden. Want Hij heeft zich oppermachtig getoond.
En als je aan Hem door het geloof verbonden bent, dan deel je in die Goddelijke kracht. Maar die kracht blijkt niet in het bewaren voor en redden uit de strijd. Maar in het helpen in het gevecht.
Als teams een speler hebben, die er ver bovenuit steekt, dan laat je dat zien. Dan erken je hem als leider. Geef je hem alle ruimte. Zó word je kampoen!

Een geweldig team, dat team van Jezus, die kerk, die gemeente!! Zeg nou zelf. Maar het is alleen zo geweldig door Hem, die er huizenhoog bovenuit steekt: Jezus, de Opperheer, de Zoon van God, de Redder van schuldige mensen.
Hoor je al bij dat team van Hem? Dat team van aanstaande kampioenen? Dat dankzij de Verlosser Jezus vér bioven elke club uit steekt? Bn je aan Hem verrbonden door een oprecht geloof?
Alleen ga je ten onder. En wat dat betekent? Dat wil je niet weten. Beter: dat moet je niet willen!
Samen met anderen in een hecht team kom je ver.
Maar samen verbonden met Jezus kom je aan het doel: de zegepraal, glansrijk!
Amen
-----------------------------------------------------------------------------------------
Aanwijzingen voor de liturgie
Psalmen: loflied  vooraf
               92: 1,2,3;   91,   46
Gez. 217, 435, 90!, 477, 441
Zingende Gezegend 196
Gods wil: bijv. Rom. 12: 9-21
                Daarbij zingen: Ev. Lb, 304 (=Opw. 350)
Opw. 124, 167
Dienst van het gebed:
 voorbede voor vervolgde kerken
                         kerken in verleiding, de zuigkracht van de wereld
                  voor de kerkenraad, die wegen zoekt.
Danken, dat we het team van JEZUS CHRISTUS zijn en daarom, toch, aan de winnende hand   

vrijdag, mei 25, 2012

ZO'N GOD ?! (preek over Genesis . 22:2)


WAT EEN GOD!  (preek over Genesis 22:2)

 “Je moet hem (je zoon) offeren…”   (Genesis 22: 2)

Er zijn verschillende goden. Er zijn aan de ene kant veel goden, die christenen áfgoden noemen. En er is de God van de bijbel. En daartussen gaapt een heel brede en diepe kloof. De God van de bijbel is volstrekt uniek. Hij is enig in zijn soort. Van Hem allen kun je met trots en bewondering zeggen: Wát een God!

Nou kun je dat ook zeggen met het oog op afgoden. Eén voorbeeld: god geld. Is toch voor veel mensen een afgod, waar of niet! Wat een god, kun je dan zeggen. Wat heb je daar veel aan. Je kunt er alles voor kopen. Nou ja, bijna alles: je omringen met luxe, een leven als een luis op dat beroemde zere hoofd, alles wat je hartje begeert. Tot liefde aan toe. Nou ja, liefde? Seks in elk geval.

(af)god geld
God geld is goed, geeft en geeft en geeft. Geeft veel in dit leven. Als je er maar genoeg van hebt. En daar gáát het dan om in het leven van velen: geld hebben, verdienen, krijgen, bijv. door de Postcodeloterij.  Mensen, je zult maar een paar miljoen winnen. Dan ligt de wereld aan je voeten. Wát een god!

En de God van de bijbel dan? Ja, wát een God! Dat kun je wel zeggen, zeker. Maar je kunt dat ook negatief bedoelen. Want het lijkt, die God, mijn God dus, het tegenovergestelde doet van de goden van nu: Hij gééft niet, maar néémt.  In Genesis 22 neemt Hij van Abraham zelfs zijn enige kind: de zoon in wie ál wat God beloofd had  samengepakt was.

De God van de bijbel is een God, die vraagt, nou en of! Hij is de God, die óffers vraagt. En niet zo’n klein beetje ook!
Nou zeg. Dan breekt je klomp toch!? Wat een God!
ontwricht...
Nou doen de afgoden van vandaag dat ook. De afgoden, die wij er op nahouden. Die jij hebt, u en ik. Want die zijn er heus, hoor. Dat kan van alles zijn: genot, je baan, je carrière, je man of vrouw, je kind. Daar  heb je letterlijk álles voor over. Daar ga je helemaal voor! Die kan je helemaal opeisen, opbranden, verteren. Je leven ontwrichten, totaal kapot maken. Zodat je leeg achterblijft, dood eigenlijk, hier en na je dood.
En de God van de bijbel vraagt, neemt. Maar Hij belooft en geeft ook, zullen we zien.
zó"n kind offeren?
Maar, het is waar: hij vraagt het offer. En in het eerste boek van de bijbel, Genesis, hoofdstuk 22 vraagt Hij:  “Abraham, roep je zoon, en offer hem”. Nou mensen, wat zeg je dáárvan! In die tijd was het brengen van een kinderoffer niet zo uitzonderlijk als het ons nu in de oren klinkt. Maar dat had je van Gód (met een hoofdletter) toch niet verwacht? Is de God van de bijbel óók zo? Wie wil zo’n God nou als zijn Meester! U, jij? Wie wil zo’n God nu dienen en gehoorzamen. Als je dat zó veel kost. Nota Bene je eigen, je enige kind?
kiezen...

En dan moet er nog wat aan toegevoegd worden. Iets, wat wij weten, maar Abraham niet. Namelijk, dat God dit bevel gaf, om de aartsvader op de proef te stellen. Een test dus. Met een vreselijk dilemma. Over de vraag: ben Ik werkelijk, ben Ik alléén je God? En niet iets of iemand daar nog naast. Ben Ik alles voor je. Of is dat je zoon, je enige, de erfgenaam. De drager van de belofte van Mij? Toe, Abraham, kies dan!

Abraham deed dat. En hij gehoorzaamde de opdracht van God.

En dat deed hij in gelóóf. Lees Rom.4:20v. Hij geloofde, tegen de klippen op. Tegen de berg op, de berg van de test. Waarbij het er om ging. Waarin alles op het spel stond. Ja, het léék, dat werkelijk alles in duigen zou vallen, aan gruzelementen uiteen zou spatten. Toen zelfs vertrouwde Abraham. Zodat je zegt: Dat is sterk! Wat een kracht! Jazeker maar dan wel die van God. Luister maar.
Abraham ging op pad, gehoorzaam. En niet zomaar, impulsief. Zodat hij als hij tot bezinning zou komen zou beseffen: “Straks kom ik alleen terug. Dan is de jongen, mijn jongen, niet meer bij me”. En dat hij dan zou omkeren en als een haas terug zou snellen naar zijn Sarai. Nee, hij is vastberaden. Hij gaat, in vol vertrouwen. Want hij gaat 3 dagen lang, samen met zijn enige zoon. naar boven. Samen beklimmen ze de berg.
Kilimanjaro
Dat een wel héél zware beklimming! Misschien wel de zwaarste klim die ooit verricht is. Want ook vandaag zijn er zware beklimmingen. Bijvoorbeeld voor wielrenners en gewone fietsers: de Alpe d’Huez! Niet bepaald een makkie!  En dan de Kilimanjaro in Afrika! Ik weet uit “Inside Information”, van heel nabij, hoe zwaar die kan zijn, met plensregen soms. Die dan dichter bij de top kan veranderen in ijsregen.

Ja, dat zijn loodzware beklimmingen. Maar deze, van Abraham, is toch veel en veel  zwaarder. Wat moet  dat een beproeving IN de beproeving geweest zijn, de gebeurtenis, beschreven in vers 7 en 8. Die vraag “Waar is het lam, Vader?”. Schrijnend toch, die vraag uit de mond van de jongen, die het lam zelf zal moeten zijn?! Maar er kwam een antwoord, dat geen noodleugentje was, maar een uiting van geloof. “God zal zelf een lam aanwijzen en geven”.

Daarmee zegt Abraham eigenlijk: God, U vraagt of ik geloof. En mijn antwoord is: " Ja, met vallen en opstaan, gebrekkig, maar toch: ja, ik geloof. Ik blijf op U vertrouwen. Ook nu. Ik blijf vasthouden, dat bouwen op U de weg is. De weg naar de vervulling van de belofte, die U mij gaf. En nu moet blijken, dat U, ja, U ook betrouwbaar bent. Bent U betrouwbaar?  Ja. de belofte, die U gegeven hebt, is al waar gebleken:  Kijk maar, daar loopt hij, naast mij: Isaäk.

Maar hoe gaat het verder? Want U beloofde méér: door en vanuit mijn zoon een groot volk. En, mijn God, wat nu?" Abraham had er alle vertrouwen in. Kun je lezen in Hebreeën 11. (vs. 8-19 gaan over Abraham.) Hij had vertrouwen in de beloften. Maar ook, allereerst, en allermeest, in de God van die beloften. Die vond de aartsvader het meest belangrijke. Van alles en van allen. Zelfs meer dan zijn zoon, en de aan die zoon verbonden belofte. Want van die God hield hij het meest, zie je!

Geloven, dat is leven met open handen, mensen. Leven van gaven en giften. Geloven is het leven met alles erop en eraan, je láten geven. Jazeker, maar geloven is ook: GEVEN, alles loslaten, jezelf incluis! Dat heeft de dichter Ad den Besten begrepen en gemerkt in zijn leven. Hij heeft dat verwoord in Gez. 484. “U maakt mij steeds meer vreemdeling. Ontvreemdt U mij dan ding voor ding al ’t oude en vertrouwde?... Mag ik niet eens mijzelf behouden? Want ik zie voor mij kruis na kruis…”

Geloven, dat is: ontvangen en geven. zelfs jezelf geven. Jezelf wéggeven, jezelf verloochenen. Ja, maar het is vóór alles:  vertrouwen. God vertrouwen op zijn woord. Zijn beloften vertrouwen, omdat de gever ervan te vertrouwen is.

Heb jij dat al door? Soms is daar een dure, harde les voor nodig. Want vertrouwen op God brengt ook met zich mee: niet vertrouwen op wat anders of op iemand anders. Bijvoorbeeld op artsen. Zelf acht ik de medische wetenschap, de artsen, het verplegend personeel hoog. Want  ik heb erg goede ervaringen op dat gebied. Ik heb bewondering voor verpleegkundigen in het ziekenhuis. Elke dag maar weer: sjouwen en zorg bieden.

Maar ik zou altijd méér zeggen dan alleen maar: “Ik geef me, of mijn kind, maar over aan de chirurg”. Of zoiets als:  “Daar ben ik in goede handen”. Ik heb ervaren: als het er op aan komt, is er een andere hand, die de hand van de verpleegkundige of van de chirurg vasthoudt: de hand van God. Knappe dokters, ze zijn een zegen! En: God geeft ze  en gebruikt hen. En in Gods hand ben ik veilig. Op HEM vertrouw ik. Geloof jij dat ook? Dat hij, die hulp beloofd heeft, betrouwbaar is?

Abraham had dat wél. Hij vertrouwde de GEVER van de belofte. Hij zal voorzien, zegt de aartsvader. God ziet het offerlam al voor zich. HIJ zal zorgen dat er een offerlam komt”. Nee, Isaäk  ziet dat lam niet. En Abraham  evenmin. Maar Gód ziet het lam wél. 

lammetje
Want Hij is de belovende God.  Die belofte daar weet Hij zich aan gehouden. Beter: daar verbindt Hij zich aan. En Abraham gelooft, wéét: Die God van  mij, daar kun je op bouwen, hoor. Zijn beloften zijn van gewapend beton. En aan die betrouwbare God, aan hem klemt Abraham zich vast, ondanks alles. Al is die God en zijn belofte het enige, wat hij over houdt. God is het fundament, het doel, de zin van zijn leven.  Hem alleen kan hij niet missen. Die staat, die gáát hem ook boven alles en iedereen. Zelfs Isaäk kan hij  desnoods missen, als God er maar voor hem blijft! Daar moet hij het mee doen.

ruwe stormen...
Wij ook, lieve mensen. En dat is bepaald geen makkie. En ook áls je aan God je vastklemt, dan nog kan het gebeuren, dat je de toekomst met Hem donker inziet. Dan wankelt je geloof. Als er ruwe stormen woeden, dan maakt dat kleine, wrakke scheepje met de naam “vertrouwen” erop geschilderd gevaarlijke capriolen. Dan maakt het water. Dan schommelt je geloof soms vreselijk. Dan dreigt schipbreuk. Dat je zegt: ik houd het voor gezien. Ik zeg die God adieu.
En toch: we moeten het met Gods beloften doen. En: we kunnen het daarmee doen. Ook al is verder alles ons uit de handen geglipt, gevallen, gepakt: God en zijn beloften. die zijn er nog, die gelden ook dán nog. Die worden waar gemaakt, vervuld, werkelijkheid, volledig.

En dat blijkt. God blijkt in de test van  Abraham er goed door te komen. Een 10 verdient Hij! Hij slaagt summa cum laude! De HEER wil  het offer van Isaäk niet. Hij heeft gezorgd voor een plaatsvervanger: een ram.

Abraham  zag die niet . Maar God zag die wél. Hij had erin voorzien. De zoon van Abraham was niet het offerlam. Abraham hoefde niet meer gehoorzaam te offeren. Hij wás al gewillig geweest. De HEER had al zijn doel bereikt. Niets mocht er tussen Abraham en God in staan, ook zijn zoon niet, Helemaal niets en niemand. En dat bleek het geval, volle werkelijkheid. Abraham liet zijn kind los, gaf zijn zoon uit handen. Maar hij kreeg hem terug.
waar moet ik heen???
Zoals wij soms ook veel, heel veel moeten loslaten. Zodat je het gevoel krijgt: God pakt me zoveel af, dat ik niet langer dóór kan. Ik zit muurvast, ik kan geen kant meer op. War voor leven heb ik op dit moment nog? Wat heb ik nog over, dat de moeite waard is?! Zoiets moeten we maar niet te gauw zeggen. Maar het kan zover komen in een mensenleven. Dat álles van waarde je uit handen valt.

En dan? In elk geval de zaken in het juiste licht zien. Ja, we moeten zaken loslaten. Dierbare zaken, bijna onmisbare dingen soms. En dan moeten we alles, zelfs onszélf, vooral onszelf, in Gods hand leggen. Dan houden we niets over, niets buiten God dan. Maar HIJ blijft. Hij laat ons nooit los, weet je! Wij worden door hem vastgehouden, net als Abraham.

Die kreeg zijn zoon als door de dood heen terug. EN hij kreeg Gód terug. En een sterker geloof! Hij zag: De beloften van mijn God zijn wel héél erg betrouwbaar. Die houden het. God is trouw tegen alles in!
Hij is zelfs sterker dan de dood. Daarop vertrouwde Abraham. En dat gebeurde eigenlijk ook. Samen met zijn zoon huppelde hij de berg weer af!

Golgotha
Dat was op Golgotha wel heel anders. God gaf daar. Hij  offerde zijn Zoon, zijn enige. En die Zoon gaf alles, gaf zichzelf, zijn hele leven. En: Hij kreeg er niets voor terug. Nou ja, tónnen vol haat, leugen en verraad. Zelfs zijn leerlingen kozen het hazenpad, lieten hem in de steek, verloochenden. “Die man zou ik moten kennen? Ik zou bij Hem horen? Ben je een haartje betoeterd? Kom nou gauw!”

 Ja, het is helemaal waar: de wereld keert ondank als loon uit. Niets meer, niets anders.
De Heiland wist dat ook. En het is helder en klaar gebleken. Hij werd verworpen. Ja, Hij werd op het schild gehesen. En even werd Hij daarop gedragen. Het “ Hosanna” klonk. Maar een dag later kwam een heel ander woord uit de monden: “Kruisigen!” “Aan het kruis, weg met zo’n antiheld!”

(Bijna) donker
En hoewel Jezus dat wist, heeft Hij zich toch gegeven, zich geofferd. En de Vader zei toen niet: “stop!” Integendeel, Zelfs ook Hij, de Vader was drie uur weg. Jezus was die drie  uur totaal alleen. En dat was de  hel voor Hem. Als God er niet is voor je, dan is dat de hel. Jezus kon niet zonder zijn Vader. En toch moest dat!

Dat verdroeg onze Verlosser. En dat voor, in plaats van ons. Wat voor een God die God van de bijbel is? Nou, zó een! Een God, die zelf het offerlam geeft. Een God en een Redder zó vol liefde voor jou en mij! Tranen van ontroering branden achter je oogleden, als je dit tot je laat doordringen. Wat een God! Want om dat offer van Jezus Christus mogen wij blijven leven. Geen offer, niet onszelf als offer hoeven wij te brengen voor onze zonden.

afgod (Horus)
Maar ze zijn er wel, offers die wij moeten brengen! De afgoden bijvoorbeeld moeten we loslaten. Want afgoden zijn ook vandaag nog volop Ín ons. In ons hart en in ons leven. Dat kan geld en welvaart zijn. Alles is dat, waar we niet zonder kunnen. Zelfs je kind of kinderen kunnen dat zijn!

Je hoort iemand nog wel eens zeggen: mijn kind, dat is álles voor me. En natuurlijk houd je erg veel van je spruiten, die lieve rakkers. Die wil je graag gelukkig zien. Die wil je het naar de zin maken. Die gun je alles toch?  

Mooi, hè? Nou en of! Maar, het kan. hoeft niet, maar kan, ten koste van ons dienen van God gaan, onze liefde tot Hem. Hij, en alléén Hij moet voor ons alles zijn. Niet je kind, je kleinkind, je man of vrouw, nee, God alleen. Paulus noemt zich vaak dienaar van God of van Christus. Slaaf, staat er eigenlijk. Hij wist: Jezus is mijn Heer, elke dag, 24 uur. Hij gaat boven en voor alles en allen, ook boven mijn vrouw, mijn kind. Zij zijn belangrijk voor me. En ze mogen dat ook zijn. Maar die liefde mag niet en nooit ten koste van God gaan.

“Er gaat niets boven Groningen.”, zeggen ze in, ja, goed geraden, Groningen. Een goede slagzin.  Maar het is maar een beetje waar. Maar tenvolle geldt: er gaat niets en niemand boven God. De kinderen, de kieinkinderen, je vrouw, je man, ze komen op de tweede plaats, sámen. Je houdt van elk van hen weer op een andere manier. O.K., Maar de vraag is: kunnen we ze loslaten, als de Heer dat vraagt?

Offeren, echt offeren is niet aan de orde. De Heer Jezus, HIJ bracht het offer, het enige, volmaakte offer. Zulke offers hoeven wij niet te brengen. Dan kun je hooguit je afvragen: ZOU ik zo’n offer kunnen brengen?
Maar God vraagt dat offer niet. Hij offerde zijn Zoon. En die bracht zichzelf als offer. Offerde alles: zijn heerlijkheid, zijn hele leven. Om onze schuld weg te wassen. Als je daarover nadenkt, dán zie je: wát een God is MIJN HEER! Een God, die zelf het offer geeft!

Maar Hij wil wél, dat we offeren. Het dankoffer. Om Hem te danken voor zijn offer voor ons. We mogen de berg op gaan, de offerberg. Maar we gaan niet alleen. Hij gaat mee. Wij mogen achter Hem aan, op de weg, die Hij gebaand heeft!

En dat wil je eigenlijk graag. Wie zou niet houden van zó’n God? Een God die allereerst geeft? En die in alles voorziet? En alles geeft, eerst geeft en dan pas vraagt? Wat een God! Amen.

Orde van dienst:
Eventueel vooraf zingen Gez. 426: 2, 5
Na votum en groet: Psalm 149: 1,3
(In ochtenddienst: De 10 richtlijnen voor een goed leven (ds. van Dijk)  -zie onder.
  Zingen: Psalm 119:6)

Gebed
Eerste lezing: Genesis 22:1-14
Zingen: Zingende Gezegend 273: 2,3
Tweede lezing: Hebreeën 11:17-19
Zngen:  Zingende Gezegend 276:2,4
Preek over Genesis 22:2
Zingen: Psalm 116: 4,6,8

Dankzegging en gebeden
Slotlied: Gezang 473: 1,3,10
   (middagdienst: Gezang 473: 1, 3, en na 12 artikelen vers 10)

Tien richtlijnen van God voor een goed leven
God zegt: Ik ben de HEER, jullie God. Ik heb je leven bevrijd.
Dien Mij daarom gráág. En ruim alles op, waar je nog aan vast zit. Of aan verslaafd bent.

Vereer Mij van harte. Op een eerbiedige manier, zoals Ik het graag zie.

Kom niet aan mijn naam. Want wie aan mijn naam komt, die komt aan Mijzelf.
Kom graag voor Mij uit. En kom ook voor Mij op.

Hou die ene speciale dag om samen bij Mij te komen, in ere. Want kom je bij Mij, dan vind je werkelijk rust, alle daggen van je leven.

Ik ga mensen gezag over je. Bijvoorbeeld je ouders. Toon daarom altijd je respect aan hen. En als zij jou de goede weg wijzen, dan moet jij die weg ook gáán.

Ik heb het leven geschapen. Ga er dus zorgzaam mee om. Met je eigen leven en dat van  een ander.

Blijf elkaar trouw, als je getrouwd bent. En of je nu getrouwd bent of alléén gaand: ga zorgvuldig om met je eigen lichaam en seksualiteit. En ook met dat van een ander.

Niet stelen maar delen!

Met kwaadspreken en roddelen bederf je het lev en van mensen. Spreek daarom alleen goed over elkaar. Dat is gezond.

Wees tevreden met wat je hebt. Wees niet jaloers op een ander.

Kortom: hou van Mij, met hart en ziel en met je volle verstand.
En hou van de mensen om je heen, zoals je ook van jezelf houdt.

maandag, november 21, 2011

ONTMOETINGEN MET HET KERTSTKIND (Kerstdeclamatorium)

                                                      KERSTDECLAMATORIUM

OOIT JEZUS  ONTMOET? (Kerstdeclamatorium)

Welkom en gebed

Zingen: Zingende Gezegend: 105       (melodie Gez. 127)

  O volk, verdwaald, verloren,                                
 vrees niet, ziehier; uw Knecht!                              
 God heeft Hem uitverkoren,                                
 zijn Geest op Hem gelegd.                                  
 Hij die de volken richt,                                          
 Hij roept niet uitgelaten,                                       
 Hij schreeuwt niet langs de straten -                    
 zijn stem is als het licht.                                       


Hij komt – Hij zal niet breken
 het eens geknakte riet.          
 Hij komt uw licht ontsteken,
 wat kwijnt, dat dooft Hij niet!
Die trouw en recht betracht,
 zijn vlam zal niemand doven.
Hijzelf wordt niet gebroken
zolang de wereld wacht.

Hij, het licht voor de wereld
 Zo zegt uw God, de Here,
die aard' en hemel schiep,
die mens en dier formeerde
en u tot leven riep:
ziehier, Ik heb mijn Knecht
al bij de hand genomen,
in Hem zal tot u komen
mijn liefde en mijn recht.









Hij zal de volken wezen
een altijd brandend licht!
Gij blinden zult genezen:
ontvangt een nieuw gezicht!
Geboeiden, heft uw hoofd -
want uit de nacht van lijden
zal stralend u bevrijden
het licht, dat Hij belooft! 

Verteller:
fietsen
Als je gezond en vitaal bent, stap je nogal eens op de fiets. Even een ommetje maken, naar je werk, naar de winkel voor boodschappen. In een niet al te grote plaats kom je dan regelmatig wel bekenden tegen. Die groet je dan even. En soms maak je een praatje. Meestal gaat dat over koetjes en kalfjes. Het komt maar zelden tot een échte ontmoeting. Tot een contact, waarbij je iets krijgt of iets geeft.
Het kan óók gebeuren, dat een ontmoeting je leven een radicale wending geeft. Het moment, waarop je levenspartner op je weg gekomen is bijvoorbeeld, zal je niet licht vergeten.
Ook in 2011 hopen we weer kerstfeest te vieren. We denken er straks weer aan, dat Jezus als Redder als mens op aarde kwam. Hoe Hij zijn grote werk, om jou en mij weer een Thuis te geven, begonnen is. Ben je Hém wel eens tegengekomen? En hoe kómt het tot een ontmoeting met Hem? Een enorm belangrijke vraag!.
Voor een antwoord op een dergelijke vraag is er maar één bron: het woord van Jezus zelf. We willen kijken naar mensen, die Hem ontmoet hebben. En vooral: we willen luisteren naar wat God daar ons leert over de vraag: hoe ontmoet ik de geboren Redder. Hoe heb ik wezenlijk contact met Hem.

Zingen: Stemmen des heils 93: 2,4,5
Jezus daalt op aarde neder                           
als een kindje, klein en teer.                          
Maar hoe arm Hij ook mag wezen,                
Hij is aller hoofd en Heer!                               
  Refrein: Vrede zal op aarde dagen,
                God heeft in de mens behagen.
                 Zalig, die naar vrede vragen;
                Jezus geeft die. Hoort zijn stem!
de wijzen aanbidden

     Als het Lam, door God gegeven    
     leefd' en  stierf Gods lieve Zoon.
     Maar nu klinkt ook in de hemel
     't Halleluja om zijn troon!
        Refrein
                   
Leer ons bij Uw kribbe buigen.
                    Leer ons knielen bij Uw kruis.
                    Leer ons in uw naam geloven.
                    Breng ons eens in 't  Vaderhuis.
                       Refrein

Verteller:
In Gen. 3 wordt vermeld, hoe de mens in de zonde gevallen, of eigenlijk gesprongen is. En dat dat feit voor heel de mensheid vreselijke gevolgen heeft. Die zijn definitief en eigenlijk onoverkomelijk en onoplosbaar. Maar God is God en geeft een uitweg. De uitkomst en oplossing komt van het Kind van kerst. Hij zal de sterke held zijn, die het kwaad en de boze zal overwinnen. En dat definitief en voorgoed!
En in deze belofte kun je Hem eigenlijk al zien en ontmoeten. Maar het moment is nog verre toekomst en lijkt vaag. Maar het is werkelijkheid.

Declamatie: Feest van kerst   (Muus Jacobse)

Geboorte.  
wéér een kind geboren
Het moet beginnen met geboren worden,
beginnen met de boodschap van een engel,
beginnen bij het begin.
En wij komen vandaag niet verder
dan geboren worden, niet verder
dan dat het weer zal beginnen
omdat het bij God begon.

Schriftlezing: Jes. 9:1-6
Het volk, dat in duisternis ronddoolt
ziet een schitterend licht.
Zij die in het donker wonen
worden door een helder licht beschenen.
U hebt het volk weer groot gemaakt,
diepe vreugde gaf u het,
blijdschap als de vreugde bij de oogst;
zij jubelen als bij het verdelen van de buit.
Het juk, dat op hen drukte,
de stok op hun schouder, de zweep van de drijver,
U hebt ze verbrijzeld, zoals Misjan destijds.
Iedere laars die dreunend stampte
en elke mantel waar bloed aan kleeft,
ze worden verbrand, een prooi van het vuur.
een koning...
Een kind is ons geboren,
een zoon is ons gegeven;
de heerschappij rust op zijn schouders.
Deze namen zal hij dragen: Wonderbare raadsman,
Goddelijke held, Eeuwige vader, Vredevorst.
Groot is zijn heerschappij,
aan de vrede zal geen einde komen.
Davids troon en rijk zijn erop gebouwd,
ze staan vast, in recht en gerechtigheid.
Daarvoor zal Hij zich beijveren,
de HEER van de hemelse machten.

Verteller:
Hier is sprake van een kind. Maar ook hier lijkt gesproken te worden van een verre toekomst. En toch... Jazeker, de vervulling ligt in de toekomst, ligt in Jezus. Maar ook tóen, in de tijd van Jesaja, moet er een aanvankelijke vervulling geweest zijn. Misschien kunnen we denken aan een koning als Hizkia. Diens geboorte wordt hier allereerst aangekondigd.
Het was een slechte tijd voor Gods volk. Door eigen schuld, door eigen zonden. Maar er komt een eind aan de onderdrukking. Een kind wordt geboren, dat als man zal verlossen. Dat kind was te zien, te ontmoeten. Maar dan ontmoette je iemand, die een schaduw was. Een schaduw van hem, die zou komen in een toekomst, die nog ver weg was.
Maar er was een kind. En hij was al te zien en te ontmoeten. De belofte werd meer en meer tastbaar. En, die belofte moet in vertrouwen aanvaarden, zegt de profeet in vers 9. De ontmoeting met het Kind, de Redder, vindt plaats in de weg van gelovig aanvaarden en vertrouwen.
Ook wij, nu de Redder zijn werk gedaan heeft, moeten nog diezelfde weg gaan. Want we zien
niet. Daarom past ons in geloof te zingen van het geboren Kind.

Zingen: Gez. 26: 1,3,4

zonsopgang
  Daar is uit 's werelds duist're wolken
  een licht der lichten opgegaan.
  Komt tot zijn schijnsel, alle volken,
  en gij, mijn ziele, bid het aan!
  Het komt de schaduwen beschijnen.
  De zwarte schaduw van de dood.
  De nacht der zonde zal verdwijnen.
  Genade spreidt haar morgenrood.


   Wat heil, een kind is ons geboren,
    een zoon gegeven door Gods kracht!
    De heerschappij zal hem behoren,
    zijn last is licht, zijn juk is zacht.
    Zijn naam is “Wonderbaar”, zijn daden
    zijn wond'ren van genaad' alleen.
    Hij doet ons, hoe met schuld beladen,
    verzoend voor 't oog des Vaders treên.


     O Vredevorst, Gij kunt gebieden
     de vreed' op aard' en in mijn ziel!
    Doe alle volken tot U vlieden,
    dat al wat ademt voor u kniel'!
    Des HEREN ijver zal bewerken
    dat hij de zetel, U bereid,
    met recht en met gericht zal sterken.
    Hem zij de lof in eeuwigheid!

 Lezen: Luc. 2:1-7
In die tijd kondigde keizer Augustus een decreet af, dat alle inwoners van het rijk zich moesten laten inschrijven. Deze eerste volkstelling vond plaats tijdens het bewind van Quirinius over Syrië.
Iedereen ging op weg om zich te laten inschrijven, ieder naar de plaats waar hij vandaan kwam. Jozef ging van de stad Nazaret in Gallilea naar Judea, naar de stad van David die Betlehem heet, aangezien hij van David afstamde, om zich te laten inschrijven met Maria, zijn aanstaande vrouw, die zwanger was.
Terwijl ze daar waren, brak de dag van haar bevalling aan, en ze bracht een zoon ter wereld, haar eerstgeborene. Ze wikkelde hem in een doek en legde hem in een voederbak, omdat er voor hen geen plaats was in het nachtverblijf van de stad

de aankondiging
Verteller:
Hier komen we Maria en Jozef tegen. En we horen nieuws over Maria. Er is wat gebeurd in Bethlehem. Ze kreeg bezoek...

Declamatie: Eens op een dag in Nazareth  (D. van der Stoep)

Eens op een dag in Nazareth,
op 't uur, door God daarvoor gezet,
klopte aan Maria's  nederige huis
een engel aan, en zij was thuis.
Zij heeft haar deurtje losgedaan
en toen zag ze de engel staan.
Maria schrok. Wie schrikt er niet
als hij een echte engel ziet?
Het moet wel eigenlijk niet zo zijn,
maar ach, een engel is zo rein.

De engel sprak: “Wees niet bevreesd,
want God bemint jou allermeest;
van alle vrouwen, groot en klein,
zul jij het meest gezegend zijn:
je krijgt een kind, een koningszoon,
die heersen zal op Davids troon”.

Maria zat en hoorde toe.
Het werd haar wonderlijk te moe.
Ze sprak de engel schuchter aan
en heeft hem deze vraag gedaan
-haar woorden zongen als een lied-:
“Hoe zal dat zijn? Ik vat het niet:
ik ben niet eens getrouwd, mijn heer”.

Toen sprak de witte engel weer.
Hij heeft haar 't wonder uitgelegd.
Dit is het wat hij heeft gezegd:
“De Heilige Geest heeft je bemind:
God is de vader van dit kind”.

Toen boog Maria 't kleine hoofd
Zij heeft in 't wonder Gods geloofd.
Ze sprak -en staakte elk verweer-:
“Ik ben de dienstmaagd van de Heer”.
                                                              (Uit: Dit Kind)

Verteller:
Unieke dingen werden verkondigd aan deze jonge vrouw, die ten huwelijk gegeven was aan Jozef, maar nog niet met hem samenwoonde. Ze was maagd gebleven. Blijkbaar wilden ze samen op “ouderwetse” wijze nog iets nieuws bewaren voor als het huwelijk ook officieel voltrokken was. En dan: in verwachting! In verwachting niet door middel van Jozef, maar door de Heilige Geest! In verwachting van de Zoon van God, de Verlosser!
Zo ontmoet Maria  het Kind!
En haar reactie? Ze wil haar God dienen. En onderwerpt zich aan Gods woord. “Laar maar met mij gebeuren wat u gezegd hebt”, zegt ze tegen Gabriël, de bode van God.

Zingen: Maria's lofzang (Muus Jacobse)
            Mijn ziel maakt groot de Heer,
         mijn geest verheugt zich zeer.
         Want God heeft mij, geringe,
         die  Hem als dienstmaagd dien,
         goedgunstig aangezien
         en deed mij grote dingen.


         Van nu aan, om wat Hij,
         de Sterke, deed aan mij,
         zullen mij zalig prijzen
         alle geslachten saam.
         Want heilig is zijn Naam.
         Hij zal zijn trouw bewijzen.


         Zijn arm verstoot met kracht
        de  groten uit hun macht,
         de vorsten van hun tronen.
         Maar Hij maakt kleinen groot
         en zal met overvloed
         de hongerigen lonen.


        Hij heeft het lang voorzegd:
        aan Israël, zijn knecht,
        zal Hij genade schenken.
        Hij zal aan Abraham
        en al wie na hem kwam
        in eeuwigheid gedenken.

Verteller:
Op die manier ontmoet je het Kind dus: door te aanvaarden wat God zegt. Kerstfeest gaat niet op in gezelligheid en romantische dingen. Het is een aanvaarden van het wonder. Het wonder, dat God mens geworden is. Dat de Verlosser, Gods Zoon, mens werd, uit Maria geboren als Bevrijder van zonde en schuld.
Dat gaat door onderwerping aan Gods Woord. Als dat juist met Kerst van onmogelijke dingen spreekt, wonderen laat horen. Dat kost heel wat! Daar moet de Heilige Geest heel wat werk voor verzetten in je. Want dan moet je menselijke logica opzij! Kijk naar Maria. En zeg haar na: God, ga uw gang. Verlos mij op Uw manier. Om der wille van deze, Uw Redder.
Zo deel je in Gods heil en vrede.

Zingen: Gez. 143
Stille nacht, heilige nacht!
Davids Zoon, lang verwacht,
die miljoenen eens zaligen zal,
wordt geboren in Bethlehems stal,
Hij, der schepselen Heer. (2x)



   Hulp’loos Kind, heilig Kind,
   dat zo trouw zondaars mint,
   ook voor mij hebt Ge U rijkdom ontzegd,
   wordt Ge op stro en in doeken gelegd.
   Leer me U danken daarvoor. (2x)



           Stille nacht, heilige nacht!
           Vrede en heil wordt gebracht
           aan een wereld, verloren in schuld.
           Gods belofte wordt heerlijk vervuld.
           Amen, Gode zij eer! (2x)

Lezen: Matt. 1:18-25
De afkomst van Jezus Christus was als volgt.  Toen zijn  moeder Maria al was uitgehuwelijkt aan Jozef maar nog nit bij hem woonde, bleek ze zwanger te zijn door de heilige Geest. Haar man Jozef, die een rechtschapen mens was, wilde har niet in opspraak brengen en dacht erover haar in het geheim te verstoten. Toen hij dit overwoog, verscheen hem in een droom  een engel van de Heer.
De engel zei: "Jozef, zoon van David, wees niet bang je vrouw Maria bij je te nemen, want het kind dat ze draagt is verwekt door de heilige Geest. Ze zal een zoon baren. Geef hem de naam Jezus, want Hij zal zijn volk bevrijden van hun zonden",
Dit alles is gebeurd opdat in vervulling zou gaan wat bij monde van de profeet door de Heer is gezegd: "De maagd zal zwanger zijn en een zoon baren en men zal hem de naam Immanuël geven, wat in onze taal betekent "God met ons".
Jozef werd wakkker en deed wat de engel van de Heer hem had opgedragen: hij nam haar bij zich als zijn vrouw, maar hij had geen gemeenschap met haar voordat ze haar zoon gebaard had. En hij gaf hem de naam Jezus.

Verteller:
Ook Jozef heeft Jezus werkelijk ontmoet. Hij heeft Maria terzijde gestaan bij de bevalling. We lezen geen woord van hem. Ook niet, toen de engel die wonderbaarlijke gebeurtenis aankondigde. Dat de Verlosser uit Maria geboren zou worden. Maar dat hijzelf uitgeschakeld zou blijven. Dat ze zwanger zou worden door de Heilige Geest.
Geen woorden van Jozef. Wél daden. Daden van gehoorzaamheid. “Hij deed, wat de engel hem opgedragen had”, getuigt de bijbel van hem.
Gehoorzaam zijn, dat is de weg naar een werkelijke ontmoeting met de Redder. Gehoorzaam, ook al gaat dat in tegen alles wat je in je hebt. Tegen je verstand, je gevoel, tegen je wil, tegen wat jij ziet als de goede weg, de goede manier om gered te worden. Bij Jozef blijkt, dat de werkelijke ontmoeting met Jezus zelfverloochening kost. Jezelf opzij zetten, op de tweede plaats. Want op de eerste plaats komt Hij, de Redder.
Jozef heeft zichzelf verloochend. Zichzelf weggecijferd. En ook wij kunnen alleen zo echt kerstfeest vieren.

Declamatie: Jozef  (Nel Benschop)
       Zo stil werd Jozef, als hij keek
       naar ’t lichaam van zijn kleine bruid.
       En hij wou vragen,   maar het leek
       alsof zijn lippen geen geluid
       meer vormen konden.   En hij zweeg;
       maar het verdriet vrat aan zijn hart.
       Hij voelde zich zo moe, zo leeg.  –
       Toch won zijn liefde het van zijn smart:
       hij wilde niet, dat zij het lot
       van een ontrouwe onderging
       en wilde wggaan. Maar zijn God
       sprak zelf met hem. En voortaan ging
       hij náást Maria, want hij wist
       dat wie begrijpt, gelukkig maakt.
       Goddank, dat hij zich had vergist:
       God zélf had haar schoot aangeraakt!

Lezen: Luk.2:8-20
herders Efratha
Niet ver daarvandaan brachten herders de nacht door in het veld; ze hielden de wacht bij hun kudde. Opeens stond er een engel van de Heer bij hen en  werden ze omgeven door het stralende licht van de Heer, zodat ze hevig schrokken. De engel zei tegen hen: "Wees niet bang, want ik kom jullie goed nieuws brengen, dat het hele volk met grote vreugde zal vervullen: vandaag is in de stad van David voor jullie een redder geboren. Hij is de messias, de Heer.  Dit zal voor jullie het teken zijn: jullie zullen een pasgeboren kind vinden dat in een doek gewikkeld in een voederbak ligt".
En plotseling voegde zich bij de engel een groot hemels leger dat God prees met de woorden:
          Eer aan God in de hoogste hemel
          en vrede op aarde voor alle mensen, die Hij liefheeft.
Toen de engelen waren teruggegaan naar de hemel, zeiden de herders tegen elkaar: "Laten we naar Betlehem gaan om met eigen ogen te zien wat er gebeurd is en wat de Heer ons bekend heeft gemaakt".
Ze gingen meteen op weg en troffen Maria aan en Jozef en het kind dat in de voederbak lag. Toen zet kind zagen, vertelden ze wat hun over dat kind was gezegd. Allen die het hoorden stonden verbaasd over wat de herders tegen hen zeiden, maar Maria bewaarde al deze woorden in  haar hart en bleef erover nadenken. De herders gingen terug, terwijl ze God loofden en prezen om alles wat ze gehoord en gezien hadden, precies zoals het hun was gezegd. 

Verteller:
We mogen de geboren, gekruisigde, maar levende Redder ontmoeten. We zijn welkom bij Hem. Zoals de herders dat hoorden uit de mond van een engel, een hemelse bezorger van boodschappen.
Opmerkelijk, dat hérders de eersten waren, die het blijde bericht van Jezus' geboorte kregen.
Want al waren Israëls stamvaders herders, in die tijd waren ze eigenlijk niet in tel. Het schijnt, dat hun getuigenis in een rechtszaak als onbetrouwbaar werd beschouwd. Dat herders de eerste getuigen mochten zijn! Dat zij daarvoor aangewezen werden. Want de engel zei hun, waar en hoe ze het Kind zouden aantreffen. Wat een voorrecht! En ze gingen, zomaar uit hun werk. En ze zagen het Kind en aanbaden de Koning.
Welk beroep wij ook uitoefenen of uitgeoefend hebben, of we nou professor of “gewoon” huisvrouw zijn, hooggeacht of door iedereen een beetje, of veel, uit de hoogte bekeken, we zijn welkom bij de Redder. Je hoeft je niet op te tutten of mooier voor te doen dan je bent. De Heiland werd arm, om ons rijk te maken. Hij werd veracht, om ons waardig te maken.

Declamatie: Lied in de kerstnacht (Jochen Klepper)

  Wie was U, Heer, vóór deze nacht?
  Door engelen werd U lof gebracht.
  Bij God was U, voor alle tijd.
  De hemel roemt uw majesteit.
  Heer, U formeerde al wat leef,
  U maakte al wat adem heeft.
  U schiep de aarde door uw kracht.
  God zélf was U, vóór deze nacht.
dit kind het Licht voor de wereld
 Wie was ik, Heer, vóór deze nacht?
 Ik was een worm, vertrapt, veracht.
 De zonde had mij in haar ban,
 ik hield mij steevast verre van
 uw heil en uw vergevend licht.
 Ik was vervallen aan ’t gericht.
 God had mij liefde toebedacht,
 maar ik wás duisternis en nacht.

Wie werd U, Heer, in deze nacht?
U werd de Christus, langverwacht,
Gods Zoon, die in de wereld kwam,
die onze schulden op zich nam.
U werd een kind in arme stal,
U boette voor de zondeval.
U, hoogste Heer, bekleed met macht,
kwam naast mij staan in deze nacht.

Wie werd ik, Heer, in deze nacht?
Geen mensenhart heeft dit bedacht:
de Vader was mij welgezind,
in Jezus werd ik tot zijn kind.
Nog weet ik niet wat ik zál zijn.
Ik volg alleen uw klare schijn.
Uw komst, Heer, heeft mij heil gebracht.
Ik zing uw lof in deze nacht.   

Lezen: Luc.2:25-28
Er woonde toen in Jeruzalem een zekere Simeon. Hij was een rechtvaardig en vroom man, die uitzag naar de tijd dat God Israël vertroosting zou schenken, en de heilige Geest rustte op hem. Het was hem door de heilige Geest geopenbaard dat hij niet zou sterven voor hij de Messias van de Heer zou hebbben gezien. Gedreven door de Geest kwam hij naar de tempel, en toen Jezus' ouders kun kind
daar binnenbrachtenom met hem te doen wat volgens de wet gebruikelijk is, nam hij het in zijn armen en loofde God met de woorden:

Zingen Lofzang van Simeon, Gez. 68.
Zo laat U, Heer uw knecht,
 naar ’t woord hem toegezegd,
 nu henengaan in vrede,
 nu hij uw zaligheid,
 zo lang door hem verbeid,   (betekent: verwacht)
 gezien heeft op zijn bede.

   Een licht, zo groot, zo schoon,
   gedaald van ’s hemels troon,
   straalt volk bij volk in d’ ogen,
   terwijl ’t het blind gezicht
   van ’t heidendom verlicht
   en Isrel zal verhogen.

Lezen: Luc. 2: 36-38
Er was daar ook een profetes, Hanna, de dochter van Fanuël, uit de stam Aser. Ze was hoogbejaard; vanaf haar huwbare leeftijd had ze zeven jaar met haar man geleefd, en ze was nu vierentachtig jaar weduwe. Ze was altijd in de tempel, waar ze God dage en nacht diende met vasten en bidden. Op dat moment kwam ze naar hen toe, bracht hulde aan God en sprak over het kind met allen die uitzagen naar de bevrijding van Jeruzalem.
Verteller:
Simeon is profeet. De Heilige Geest leidt hem. De Geest brengt hem ook naar de tempel, als Jezus daar aan God wordt toegewijd. Hij is oud, maar weet, dat hij de beloofde Messias nog in levende lijve zal zien. En dat gebeurt. En dat is de grootste wens van Simeon: de beloofde Heilbrenger ontmoeten. Dat is HET doel van zijn leven. En hij zingt het uit. Woorden, die de Geest hem ingeeft.
Wij hebben die woorden nagezongen. Laten we het daar niet bij láten. Maar ook léven uit die woorden. Want wij zijn, behoren te zijn, profeten en profetessen. Dat wil zeggen: je laten leiden en beheersen door Gods Woord. En dat heil doorgeven en voorleven. Ook dat vloeit voort uit de ontmoeting met de Redder, die het Woord vervult.

Hanna was oud: als ik dit gedeelte goed begrijp, moet ze misschien zelfs ruim 100 jaar geweest zijn. En daarvan 84 jaar weduwe! Er zijn er onder ons, die weten wat het is, weduwe of weduwnaar zijn. Toch een stuk eenzaamheid. Niemand hebben, als je thuiskomt, om mee te delen, wat er gebeurd is. En dan weduwe in een tijd, waarin je dan ook financieel vaak op jezelf aangewezen was. God had daar wetten voor gegeven. Maar of die altijd nageleefd werden?
Maar Hanna was niet eenzaam. Ze woonde in één van de bijgebouwen van de tempel. Ze woonde dus bij God in, zou je kunnen zeggen. En ze zal ook bij Hem in de kost geweest zijn, mee-eten met de Levieten. Ze leeft letterlijk dicht bij de HERE.
Ook zij mag de Heiland ontmoeten. 

Declamatie: Simeon (Jaap van der Molen)
Na al die duistere dagen
dit ondraaglijk lichte kind
in je armen te mogen nemen,
de zoon van de Allerhoogste.
Na zoveel zware jaren, de eeuw
in je hart niet meer te voelen,
weten dat al die mooie beloften
nu vlees en  bloed zijn geworden.
ruïnes
De mensen om je heen te zien
en de scherven waarin hun leven
uiteengevallen is, maar ook
het kind dat kwam om te helen.

En eindelijk naar huis te gaan,
God te loven en te bidden
en wachten, sterker dan ooit
op de machteloze dood.

Lezen: Matt. 2:9-12
Nadat zij (de wijzen) geluisterd hadden naar wat de koning (Herodes) hun opdroeg, gingen zij op weg en nu ging de ster die zij hadden zien opgaan voor hen uit, totdat hij stil bleef staan boven de plaats waar het kind was. Ze gingen het huis binnen en vonden het kind met Maria, zijn moeder. Ze wierpen zich neer om het eer te bewijzen. Daarna openden ze hun kistjes met kostbaarheden en boden het kind geschenken aan: goud en wierook en mirre. Nadat ze in een droom gewaarschuwd waren om niet naar Herodes te gaan, reisden ze via een andere route terug naar hun land.

Verteller:
Het is een tijd later. Want Maria en Jozef en het Kind wonen in een huis. En de jongetjes van twee jaar en jonger worden door Herodes wreed omgebracht. Dus de zogenaamde Kerstnacht is allang voorbij.
Dan komen de wijzen, sterrenkundigen blijkbaar uit het oosten. Niet de eersten de besten! En ze komen van ver, geleid door een ster.
Ook dit gedeelte zegt ons weer, hoe welkom werkelijk iedereen is. Grenzen van landen en volken worden weggewist. Elk, die Jezus wil aanbidden, is welkom. Ook mensen uit het kleine Nederland. Ook u en jij en ik.
De wijzen brengen hun schatten. Goud, teken van aardse rijkdom. Wierook, als teken van nederige aanbidding. Mirre, symbool van toewijding aan de Heer. Ze brengen, wat ze hebben. Wat ze ontvangen hebben. Ze geven er iets van als het ware terug.
De ontmoeting met koning Jezus maakt je gul. Hij en de liefde tot Hem doet je geven. De gaven, die je van Hem ontvangen hebt ga je stellen in zijn dienst. En daarin geef je jezelf. Ook dat is Kerstfeest vieren!

Zingen: Gez. 138:1,3,4.

1. Komt allen tezamen, jubelend van vreugde;
    komt nu, o komt nu naar Bethlehem!
    Ziet nu de vorst der englen hier geboren.
    Refr.: Komt, laten wij aanbidden (3x) die Koning.

3. Het licht van de Vader, licht van den beginne,
    zien wij omsluierd, verhuld in 't vlees:
    goddelijk Kind, gewonden in de doeken!
    Refrein.


4. O Kind, ons geboren, liggend in de kribbe,

    neem onze liefde in genade aan!
    U, die ons liefhebt, U behoort ons harte!
                                                           Refrein.

Verteller:
Zo hebben we een aantal ontmoetingen van mensen met de pas geboren Jezus meegemaakt. Op die manier kunnen wij de Heiland niet ontmoeten. Maar wij kunnen en mogen Hem ontmoeten door het werk van zijn Geest in zijn Woord. En de weg naar die ontmoeting loopt langs hetzelfde traject. Ook daarvoor is nodig, gelovig Gods beloften te aanvaarden. Gelovig en gehoorzaam het wonder te aanvaarden. Het wonder van God, die mens werd. Die in onze plaats heeft geleden voor de zonden. Het wonder van de opstanding uit de doden. Het wonder van de wederkomst op de wolken en van de nieuwe hemel en aarde. Het wonder van de wedergeboorte, zodat je gehoorzaamt en Gods wonderen aanvaardt.
Dat mogen ook wij ons toe-eigenen. Want Kerstfeest, beter: de Heiland, is voor iedereen, wie hij of zij ook is. En iedereen ontvangt het, die zichzelf geeft. Die zich overgeeft aan de Redder en zich laat redden.
Dat is Kerstfeest vieren.
En wie zou je dat niet gunnen? 

Declamatie: Gebed met de woorden van “Het nieuwe lied” (Nel Benschop)\
Aansluitend staande zingen: “Ere zij God”.

Declamatie: Het nieuwe lied  (Nel Benschop)
Ik kán het niet, God, ik kan het niet:
Ik kan het niet zingen, dat nieuwe lied,
een lied van de vrede, van ’t stralende licht,
van ’t heilige Kind, van het hemels bericht,
van engelen, zingend in wondere nacht,
van ’t rijk van de Vrede, waar ieder op wacht.

Ik kan niet meer spreken van ’t grote geluk:
Uw naam is vergeten, uw wereld is stuk,
Uw vrede geschonden, de landen verscheurd;
ik huiver bij wat hier daaglijks gebeurt:
de honger, de wanhoop, de haat en de dood
regeren de wereld. Hun macht is zeer groot.

Ik kan niet meer zingen; mijn lied is verstomd,
mijn hart is vol angst voor het lijden dat komt.
O God, scheur de hemel en daal tot ons neer,
en leer ons de boodschap van Bethlehem weer,
dat U in uw liefde wou delen ons lot;
leer ons weer te zingen het: “Ere zij God!”.

                   Zingen: “Ere zij God”

           Ere zij God
            in den hoge.
            Vrede op aarde.
            In de mensen een welbehagen.
             Amen.