woensdag, juli 13, 2011

EEN HUILENDE REDDER, IS DAT WEL WAT? (preek)

EEN HUILENDE VERLOSSER, EEN HULPELOZE HELPER?
“…Jezus begon ook te huilen…” Johannes 11:35

Er wordt heel wat afgehuild, hier in dit verblijf, dat niet voor niets “tranendal”genoemd wordt. Als het stil blijft na de geboorte, als het kindje niet huilt, dan is er iets niet in orde. Het leven moet beginnen met huilen.
Er wordt heel wat afgehuild. En dan te weten, dat veel tranen worden teruggedrongen, weggeslikt. Want een man bijvoorbeeld, die huilde niet, zie je. Hopelijk gaan we daar tegenwoordig een beetje anders mee om. En is het ook voor een man niet altijd meer een teken van zwakte, als de waterlanders voor de dag komen. Ook mánnen kunnen huilen.
een traan...
Veel tranen hier in dit leven. Maar wél heel verschillende tranen. Uitingen van heel diverse emoties. Van verdriet. Maar ook vreugdetranen. Tranen van ontroering, omdat je de schoonheid van iets ervaart. Omdat een dichter onder woorden brengt wat jij ervaart bijvoorbeeld. Tranen, in allerlei emoties.
--------
De tekst (hierboven) is maar erg kort. Superkort. Om in het Guiness Book of Records te zetten. In een oudere vertaling van de Bijbel (die van het NBG, Nederlands Bijbel Genootschap,) bestond dit vers maar uit twee woorden, “Jezus weende”. Dat klinkt trouwens een stuk plechtiger, vind je niet? Jazeker. Maar het is de vraag, of dat de bedoeling is.. Dat het plechtig moet klinken. Omdat het over Jezus gaat misschien. Of dat het wel goed is, dat gewone, alledaagse taalgebruik “Jezus begon ook te huilen”.
Laten we eerst eens naar de situatie kijken. Waarom onze Heiland hier in tranen is.
Nou, Lazarus is overleden. En diens zussen, Maria en Marta, noemen hem in hun boodschap aan Jezus “uw vriend”. En Jezus noemt hem naar zijn leerlingen toe ook “onze vriend”. En verschillende keren staat er vermeld, dat Jezus –en zijn zussen eveneens- liefheeft. En zo staat het ook vermeld over die ene leerling, Johannes. Dat heeft niets te maken met bevoorrechten, met vriendjespolitiek of iets dergelijks. Nee, Jezus heeft grote liefde voor ieder zondig mens in zijn hart. Maar het betekent gewoon, dat Jezus en zijn leerlingen altijd welkom waren in dat huis in Betanië. En zich daar altijd welkom voelden. Er waren gewoon in het menselijke vlak wederzijds warme gevoelens.
Daarom kan de dood van Lazarus Jezus niet koud laten. Maar er is méér. Er wordt in dit gedeelte opvallend vaak over de gevoelens van de Heiland gesproken. Zo staat er (in vers 33), dat Jezus geërgerd werd toen Hij Maria en de Joden hoorde weeklagen. En ook, toen de Joden spraken over zijn gebleken onmacht tegenover de dood. Tenminste, dat meenden zij.

Dus één ding wordt duidelijk: de Heiland is niet van steen. Hij heeft gevoelens. En Hij laat die blijken ook. De mensen zien dan ook zijn tranen. En ze zien er zijn liefde voor de overledene in. En dus zijn droefheid, naar zij menen.
Maar het is zonneklaar: van Jezus mag je huilen. Van onze vaders vroeger eigenlijk niet. “Een vent loopt toch niet te snotteren. Kom op, zeg!” Of: “Je bent een grote meid. dus niet jammeren, hoor!”. Gelukkig is dat nu wel anders. Je mag nu wat meer voor je emoties uitkomen. Je verdriet, het moet eruit. Je moet het uiten.Ja, Jezus huilde. Voor die weergave kies ik toch. Jezus huilt, als volop mens. Hij huilt mee. Hij begon ook te huilen. Net zoals ménsen vaak beginnen te huilen. Zoals mensen vaak moeten huilen in het leven.

De Heiland komt hierin toch wel erg dicht bij ons, vindt u niet? Hij komt naast ons in ons verdriet. Zó is Hij. Daar krijg je toch de tranen van in je ogen? Tranen van ontroering. Van blijdschap, dat we zó’n Heiland hebben. Mag best, hoor. Het is geoorloofd, de zakdoek even te moeten trekken. Doe maar gerust! Hoeven we ons geen seconde voor te schamen!
Jezus toont emoties. De Heiland is begaan met de mens. Zijn hart staat wagenwijd voor hen open. Als zij lijden toont Hij zich niet als Khadaffi of Assad. Die laten rustig hun onderdanen omkomen, afslachten. Nee, Jezus toont, hárt te hebben voor mensen. En ook daarin laat Hij de Vader in de hemel zien. De almachtige Schepper, de Koning over alles en iedereen, heeft een hart. Heeft gevoel, kent emoties. In Hosea 11 zegt Hij: “Ach Efraïm, hoe zou ik je ooit kunnen prijsgeven…Mijn hart wordt verscheurd. Door barmhartigheid word ik bewogen…”


Zo laat Jezus hier in Betanië tranen zien. Om de ernst van de situatie te tonen.
Ja, want dáár gaat het om . Deze tranen zijn geen filmtranen, tranen voor de show. Dit zijn niet zómaar tranen. Dit zijn tranen, die de Heiland, de Redder van de wereld schreit.
En dan krab je toch wel even achter je oor. De Redder huilt – dat is toch geen gezicht? En vooral: is die dan wel geschikt voor zijn opdracht? Kan Hij die wel aan? Een huilende Helper, toont die niet, dat Hij er evenmin wat aan kan doen? Net zo min als iedereen, die zich opgeworpen heeft als redder. Of niet dan? Een huilende helper is een hulpeloze helper. En daar word je geen steek wijzer van. Dat schiet niet op! Voor geen meter! Dus: Jezus is niet de Redder??

Toch maar even wat beter kijken, lijkt je dat ook niet goed?
Deze tranen zijn wél ook tekenen van medelijden. Ze laten zien, dat Jezus dicht bij zijn mensen staat. Hij is er bij! Maar het is geen machteloos medelijden. Dat is er zoveel in deze wereld.
verloren zoon en vader
En het is fijn, als er mensen trouw zijn, dicht bij je zijn in groot verdriet, in hevige pijn. Als iemand troostende woorden spreekt. Je hand vasthoudt. Met je schreit. Dat is fijn, onuitsprekelijk heerlijk. Wat geweldig, dat er zulke mensen zijn. Want het helpt. Het helpt te dragen. Maar het neemt de pijn, het verdriet niet weg. Tranen van iemand anders, tranen van medelijden zijn in wezen tranen van onmacht.
Is dat bij Jezus ook het geval? Stijgt Hij niet boven koningin Beatrix uit? Zij is er bij, bij door een ramp getroffen Nederlanders. Ze is er bij, met hart en ziel. Dat kun je aan haar zien. Maar ook zij kan niet uit de nood en het verdriet helpen. Is dat ook het geval met koning Jezus?
Misschien is het je opgevallen, dat in dit Bijbelgedeelte woorden staan, die niet bij Jezus lijken te passen. Dit “huilen”, maar ook een woord als “ergeren”. Jezus windt zich op. De Heiland is boos, kwaad, woest. En op wie dan wel?

verloren paradijs
Nou, niet op mensen. Jezus heeft mensen alleen lief, heel erg en intens. Hij zegt ze wel de waarheid. Juist omdat Hij zo veel van hen houdt. Maar Hij is niet kwaad op hen, op u en mij. Geweldig, he?

Nee, Jezus is boos op de zonde, daar bij dat graf van zijn vriend Lazarus. Kwaad op de boze. Op de duivel en wat hij met de zonde in mensen en in de wereld zo allemaal uitricht. En dat is veel, veel en verschrikkelijk! Wat kan die ellendeling enorm huis houden! De gevolgen van de zonde zijn desastreus!
Jezus weet, hoe het ééns allemaal was. Hoe het uit Gods handen voortgekomen is. Toen mankeerde er niets, maar dan ook letterlijk niets aan! Zo gaaf als wat! En nu? Je kunt dit leven eigenlijk geen leven noemen. Dit leven, deze wereld is vérworden. Is totaal kapot.
ruïnes....
Mogen we ons best eens realiseren. Hoe meer we de duivel zijn gang laten gaan in ons, des te meer kan die zonde aan dingen kapot maken. We zondigen niet goedkoop, mensen!
We zondigen dingen kapot. En nog erger: we kunnen mensen kapot zondigen. En zo kunnen we relaties, ons huwelijk kapot zondigen. Wij mensen zondigen de natuur stuk, de samenleving. We kunnen ons eigen leven stuk-zondigen.
Ja, zondigen heeft grote gevolgen. Zonde breekt het geluk stuk. Zonde brengt dood, rouw, tranen. En de Heiland ziet en weet dat als geen ander. Daarom is Hij zo woest op de duivel en zijn snode werk.

Maar hébben we daar wat aan? Is die huilende, boze Heiland wel een sterke Verlosser?
Gelukkig, het gaat verder. Het is niet het laatste vers van Joh. 11. Jezus wordt laaiend op de dood, die Lazarus te pakken heeft gekregen. En Hij zegt: “Stop met dat gejammer! En waar is dat lichaam?” En daar láát Hij het niet bij. Zoals ds. H. Toorman schrijft (in een dagboekje van tientallen jaren geleden, maar nog altijd actueel en aansprekend): “Jezus vliegt de dood naar de keel”. Weg, aan de kant! Dood, scheer je weg! En Lazarus, mijn vriend, kom, léven, man!
Opstanding
Jezus begon ook te huilen. Net als de anderen. Maar toch totaal anders. Dit is geen machteloze Redder. Integendeel. Hij is de dood de baas, zoals iedereen ziet. Want Hij heeft de zonde weggewerkt, bedekt, zie je. En de duivel is nergens in het duel met deze Redder. En door zijn lijden en sterven, en door zijn eigen opstanding wordt het leven hersteld. Dit leven tijdelijk. En in onze beleving is het onvolkomen, ja. Maar eens wordt om Jezus’ huilen werkelijkheid: “God zal alle tranen van hun ogen afwissen”.
Dat is me wat! Onvoorstelbaar: een leven zonder tranen. Want ook zonder moeite en verdriet. EN zonder zonde, zonder enige onreinheid.
...een brullende leeuw...
Lazarus is wéér gestorven. Alle mensen hier zijn sterfelijk. De duivel sluipt rond als een grimmige, grommende leeuw. De dood grijpt en graait. Maar het laatste woord is aan de Redder. En het leven van de Levensvorst is voor ieder, die aan Hem verbonden is door een echt geloof.
Zalig, gelukkig te prijzen, wie Jezus tot zijn vriend heeft. Hier moet je soms nog huilen. En het leven, de wereld IS soms om te huilen. Maar Jezus is de Vriend, die met je grient. Nee, die voor je, ten bate van je huilt. En die je daarom eens voor eeuwig doet lachen!

Amen.
------------------
Tips voor de liturgie.

Psalmen: 68: 1,7 (bijv. vooraf); 90:4,6
Liedboek voor de kerken: Gez. 288:4,6,8 (bijv. na preek), Gez. 114:1,3; Gez. 90 (!)
Ev. Liedbundel: 413 (Lichtstad met uw gouden poorten) (als slotlied?)
Zingende Gezegend: 217: 1,2,5; 218:2,4 (bij Gods aanwijzingen voor ons leven)

dinsdag, mei 17, 2011

TEL JE ZEGENINGEN Joh.22:11 (meditatie)

TELLEN OM (BETER) TE KUNNEN VERTELLEN
“…welgeteld honderddrieënvijftig (vissen)…” Johannes 21:11
Als jongen mocht ik graag na schooltijd vissen. Dat deed ik in “het daip”. Zo noemden wij het kanaal, dat voor afvoer van het overtollige water gegraven was. En waar schepen voor het vervoer, eerst van turf alleen, later ook van aardappelen (voor de aardappelmeelfabriek) , bieten en dergelijke, gebruik van maakten.
Het ging er ons om, om de vangst van ons leven te doen. Om die reusachtige vis te vangen en die trots thuis te laten zien. En ook aan de kameraden natuurlijk, om vervolgens flink te kunnen opscheppen! Helaas: meestal vingen we alleen wat miezerige baarsjes en voorntjes.

Petrus en co doen een bijzonder goede vangst. De leerlingen van Jezus zijn nu hun Meester is gekruisigd en weer opgestaan uit de dood, een beetje de weg kwijt. Ze weten wel, dat ze eigenlijk dat goede nieuws dóór moeten vertellen. Maar hoe en wanneer precies… De moed zakt hun in de schoenen. Zeven van hen denkt aan het brood, dat op de plank moet komen. Dus weer het oude beroep eens uitgeoefend, dat van visser. Dan konden ze op de markt misschien weer wat vis verkopen.

Maar veel had een hele nacht ploeteren niet opgeleverd. Of beter gezegd: helemaal niets. Nog geen sardientje zo groot als een babypink!

Een man op de wal had de gouden tip gegeven. Op zijn aanwijzing hadden ze nog een keer de netten uitgeworpen. En ziedaar, de grote vangst! Het net was te zwaar om aan boord te hijsen. Dus maar meeslepen naar de wal.

Wat een bijzonder grote vangst! Allemaal kanjers –en daar is geen woord visserslatijn bij! En véél! Asjemenou, zeg! En allemaal voor de verkoop! Want er blijken voor het ontbijt al broden en vissen op een vuurtje een heerlijke geur te verspreiden. Dat wordt smullen! En straks naar de markt, om al die kanjers van vissen te verkopen. Kunnen ze weer dagen vooruit! Dankzij die man. En het kan niet anders: dat moet Jezus, hun Meester, zijn. De levende, de wéér levende, de opgestane Meester.

“Welgeteld 153 vissen”, schrijft Johannes. En dat is veelzeggend. Dat zegt bijvoorbeeld: hier moet een ooggetuige aan het woord zijn! Hij kreeg dit geschenk samen met de anderen. En een visser in hart en nieren herinnert zich na jaren nog precies het aantal. En denkelijk ook de goede opbrengst op de markt die dag. Kijk, en dat is geen sprookje. Zoiets verzin je toch niet?! Hier is een bewijs, dat Jezus door de dood heen werkelijk leeft.

Nou ja, bewijs… Niet iedereen zal daar zomaar door overtuigd zijn. Eigenlijk alleen maar zij, die de bijbel als het boek te zin, waarin God zelf, door de dienst van de menselijke schrijvers, spreekt.
Ik hoop, dat u en jij hier God aan het woord horen. De boodschap nog eens weer tot troost horen: we hebben een Heer, die leeft! Die bij ons hier in het land der levenden is. En ons steunt en leidt.

Dat is bemoedigend. In allerlei moeilijke omstandigheden van het leven, jazeker! Als je bedolven wordt onder moeiten en zorgen, en of! Zelfs als je de dood voor ogen hebt, wis en waarachtig!
Maar de leerlingen moesten en moeten allereerst aan iets anders denken. Dit is ook een hart onder de riem met het oog op de opdracht. En die opdracht luidde: mensen vangen.

Die opdracht hadden ze al eerder gekregen. Bij een soortgelijke gelegenheid. Toen er ook veel vissen in het net waren beland. Eveneens gestuurd door hun Meester. Een bemoediging bij het uitoefenen van dat beroep: mensenvanger zijn.

Want die opdracht geldt nog steeds, zegt de Levende-door-de-dood-heen. Die geldt nu pas écht. Nu gaat dat werk beginnen. Daar krijgen ze een opzetje, een steun in de rug bij. Déze bemoediging: de Meester zorgt, dat er mensen gevangen worden. Zij hoeven alleen maar het net uit te werpen. En dan komt de vangst. En niet zo zuinigjes ook, hoor! Geen miezerig muizenmaaltje, maar garantie voor een topdag op de markt! Dat betekent: vol vertrouwen aan het werk, om die opdracht te gaan vervullen! De Meester zelf zegent het leven en werken van ieder, die aan Hem verbonden is!

Zo kun je volvertrouwen aan het werk gaan, leerlingen van Jezus! Die leerlingen van zoveel eeuwen terug. En allen, die vandáág nog van Hem als Meester willen leren. En die Jezus willen volgen, dienen. En iets van zijn grote rijkdom in hun leven willen uitstralen en uitzeggen. Hij geeft wat Hij vraagt. Hij zegt: ga mensen vangen. Maar Hij brengt zelf die mensen in het net van het Evangelie.

Mij viel ook op dat wat vreemde getal. Zo opvallend precies in de herinnering van die oud-visser gegrift. Die man, die zo vaak netten geleegd heeft, herinnert zich die ene keer nog. Toen er niet maar een goede vangst was. Maar welgeteld 153! Inderdaad welgeteld. En wél geteld. Die ervaren vissers, ze hebben niet de vangst ruwweg geschat. “Nou, ik denk wel ruim 150 vissen, jongens”. Nee, geteld. Ze hebben ze één voor één in handen gehad, die glibberige vissen. En geteld: “1, 2, 3, …152, 153”.

En toen herkenden ze Jezus pas echt, weet je! Toen zagen ze hun Meester en wisten ze weer: zó gul is Hij! Zijn zegeningen zijn groot en zijn veel. Over Hem kun je veel goeds vertellen!

Dat hoor je nog wel eens zeggen om je heen: “Niet zeuren, man. Tel je zegeningen!”. Ze bedoelen dan: ”zeuren helpt niet. Er zijn vast en zeker ook nog wel mooie dingen, waar je op kunt letten”. Maar in de bijbel gaat het toch nog wel een flink stuk dieper. Dan blijken er zegeningen te zijn, die niet bestaan in bijvoorbeeld geld. Die niet zichtbaar zijn. Waarvan een niet-gelovige zou zeggen: “Nou, wat heb je dáár nou aan!”.

En toch is dat anders. De zaken, die een gelovige op kan noemen bij het tellen van zijn zegeningen, zijn geschenken van God. En is God zelf. Is de Heer Jezus. En zoiets zijn allesbepalend voor je geluk. En zó te tellen is: jezelf weer eens wijzen op wat je “in Christus hebt”. En dat te bedenken als je overweldigd wordt door problemen, dat doet je Jezus, je redder, weer zien. Omdat je weer iets van de gulheid ziet, die alleen Hij heeft.

Zo zegeningen tellen, “daar word je blij van”! (om de woorden van een reclamespotje te gebruiken.)
Blij, dankbaar. En zó vol van die gaven, dat je ze ook aan anderen gunt.

Jazeker, tellen om te vertellen.
.................
Zingen/bidden:

Gij hebt met vuur van liefde
een maaltijd ons bereid.
Gij scheldt ons wat U griefde,
de schuld, van harte kwijt.
Gij legt uw brood, uw vis,
in onze holle handen -
wie hier genodigd is
vindt overvolle manden.

Gij hebt met taal en teken
de duivel aangezegd,
dat eens de tijd verstreken,
het pleit zal zijn beslecht.
Zodra uw roep weerklinkt,
de zee zich leeg laat lopen
ons net vol vissen blinkt,
bloeit rood uw toekomst open.

(Zingende gezegend 172:2,3. A.F.Troost)
(melodie: psalm 107)

maandag, mei 02, 2011

1,2,3,4, KOMT ER NOG WAT VAN ? Habakuk 2:3 (preek)


1,2,3,4, KOMT ER NOG WAT VAN ?













“Wacht maar, het komt zeker
het zal niet uitblijven” . Habakuk 2 : 3b


Voorstel orde van dienst:
Eventueel vooraf Psalm 103:1,2
Na stil gebed, votum en groet: Psalm 90:1,2
(In een ochtenddienst: Gods wil voor ons leven uit 1Tess. 5: 12-24 en als antwoord Gez. 449)
Na Schriftlezingen Hab. 1:14 tot hoofdst.2:4zingen Gez.288:1,7,8
Na preek Gez. 63
Slot: Gez. 300:1,4
,6

-----------------------------------


De beloften van God zijn wel mooi. Erg mooi zelfs. Maar er is één probleem mee. Een groot probleem. Reusachtig groot. En wezenlijk. Dit probleem: ze lijken net kauwgom. Dát kun je opblazen. En dan rekt het uit, heel ver. Maar op een gegeven moment dan spat het ballonnetje uiteen. Zo lijkt wat God beloofd heeft óók van elastiek. Ze gaan heel lang mee, maar je komt nooit aan het eind, bij de vervulling. Bijvoorbeeld de belofte van Jezus’ wederkomst. En van de nieuwe hemel en aarde. Daar lijkt ook nooit iets van te komen. En zo gaat het met meer van die beloften. Vandaar het thema: 1,2,3,4, komt er nog wat van? Een liedje van ongeduld. Waarvan je misschien de melodie niet kent. Maar dat je, wellicht met andere woorden, allemaal wel eens zingt.

Habakuk was een profeet, een man die namens God diens woorden doorgaf aan het volk van God. En hij zat met precies hetzelfde probleem. Ook hij vroeg zich af, wat er van Gods beloften terecht zou komen. En hij leed met dat volk mee. Hij was niet voor niets de “man van God”. Hij stond in zekere zin tussen de HEER en dat volk in. Dus trekt hij zich dat uitblijven van wat God beloofd heeft aan. Hij huilt mee.


Daar was de situatie dan ook naar.
Hoe wás die dan? Nou, wel heel erg treurig. Zonder meer. Er is onderdrukking, geweld, onrecht. En de rechtvaardigen zijn de dupe.
De profeet trad op in de tijd van de koningen Jojakin en Zedekia. Het volk van Juda wordt onderdrukt door de Assyriërs. En dat volk kon er wat van! Die waren beroemd, beter gezegd berucht om hun wreedheid.

Nu, met die rauwe, bittere realiteit worstelt Habakuk. “Help”, dat is zijn schreeuw naar God toe. Naar de HEER, de God van zijn volk. De God van het verbond en van de trouw aan dat verbond. De God van de beloften. De beloften waar je op kunt bouwen. De beloften, die werkelijkheid worden. Ook de belofte van hulp in benauwdheid. Van de verhoring van het gebed om redding.
Maar God lijkt blind en doof. Hij lijkt het onrecht niet te zien. En het blijft.
Uiteindelijk komt het antwoord. En dat antwoord –het staat in Hab. 1:5-11- luidt: straks is het gedáán met de macht van Assyrië. Ze zullen gekortwiekt worden door de Chaldeeën. En die zullen alle volkeren onderwerpen.

Nou, je ziet de profeet opstuiteren, zeg maar. De Chaldeeën? Dat betekent alleen maar nog méér ellende.
Nog meer ellende? Dat volk kan alleen maar nog erger straffen!! Mag dat, roept de profeet. Laat U dat toe? Komt er nou nooit een dag van vrede en heil? Die vraag leeft in zijn hart.


Een vraag, waarop een antwoord moet komen. En Habakuk verwacht dat antwoord. Hij gaat zijn wachtpost betrekken. Op de uitkijk staat hij. En hij wacht.
Maar wachten duurt lang. Tenminste als het gaat om iets, waar je veel belang bij hebt. Kijk, als je lekker in het zonnetje op bus of trein zit te wachten, en je hebt geen haast, dan valt het wel mee. Maar als je de aansluiting met de laatste trein dreigt te missen, dan is het heel andere koek! Dan kruipen de minuten voorbij. Lijken dat wel uren, zie je.

Nou, bij Habakuk gaat het om wel héél belangrijke dingen. Het is nijpend, het onrecht, het leed. Levensbedreigend zelfs. En dat voor een heel volk! Het volk van God dreigt er aan ten onder te gaan! Aan de onzekerheid moet heel snel een eind komen. God moet laten horen, dat Hij zijn volk door alles heen vast zal houden, zal redden.
Dat heeft de HEER gedaan. Maar Hij laat er een ander probleem voor in de plaats komen. De problemen in levenden lijve: de Chaldeeën. Dat schiet óók voor geen meter op! Integendeel, dat is áchteruitgang. Wat moet je dáár nou mee?! Wanneer komt er dan heil?


Nu, dat komt. Zeer zeker. Wacht maar af, zegt God. “Wacht maar, het komt zeker, het zal niet uitblijven.”
Waarom niet? Omdat het door God beloofd is. En God is de HEER, de God van Israël. En die heeft hart voor zijn volk. Hij beleeft erge pijn aan die ellendige toestand. Jazeker! Dat moeten we nooit vergeten. God is niet een onbewogen toeschouwer. Hij is geen God, die onbewogen toeziet, hoe wij lijden. Al is het dan ook gevolg van onze eigen zonde, van de zonde in het algemeen, Hij heeft er enorm veel last van. Hij háát die ellende, fel en intens. Hij wil het zo snel mogelijk weg hebben, nou en of!
Vandaar: wacht maar, het komt zeker, het zal niet uitblijven.



"Het", dat “het” is het visioen, waar dit vers over spreekt. En dat visioen houdt in de openbaring van vers 4: “Wie niet oprecht is kwijnt weg, maar de rechtvaardige zal leven door zijn trouw”. Weet je, het mag dan lang duren. En velen zullen misschien afhaken. En die kwijnen weg. Die kunnen het op zeker moment niet meer aan. En gaan er onderdoor. Gaan ten onder. Gaan de dood in. Want ze laten Gods beloften en zo God zelf, los. En dan ben je nergens meer.
Maar wie zich gelovig vastklemt aan God, die gaat niet ten onder. Die kan blutsen en builen oplopen. Maar die zal leven.

Want het is gekomen. De ballingschap. Maar ook het einde daarvan. En de grote, echte, enige Verlosser is gekomen: Jezus, de Christus, de Heer. Hij heeft verlost door zelf ten onder te gaan op Golgotha. En via de weg door het oordeel, door dood en graf heen. De verlossing werd zichtbaar op Paasmorgen. In dat open en lege graf. In Jezus, die aan de zijnen verscheen. Liet zien, dat Hij de Levende is.
En ook wij nog mogen iets van die overwinning zien. En in die verlossing delen. En dat eveneens door het geloof. Door te vertrouwen op die Verlosser.

Maar ook dat is nog maar half. Het wachten is nog op de tweede komst van de Heer Jezus. En dat wachten daarop is ook alweer een zaak van lange adem. In Hebreeën 10 (voor wie het na wil lezen: vers 36-39) staan woorden, die erg lijken op die van Habakuk. Ze zijn dan ook een citaat van die profeet. Het gaat daar over de wederkomst van Christus.
Daar is volharding voor nodig, zo kun je daar lezen. Je kunt óók, als het moeilijk wordt, of als het je te lang duurt, terugdeinzen voor de consequenties. Maar ook dát blijft niet zonder gevolgen. Dan word je op de dag van het gericht niet gered. Dan ontvang je geen vrijspraak. Dan blijf je niet leven. Immers: dan verlies je de gunst van God. Is Hij je niet langer welgezind. Dan ga je ten onder. Dan is God voorgoed weg voor je. En dat is wegkwijnen. Want dat is geen leven!

Maar als je volhardt, ieder die zich blijft vastklampen met de handen van het geloof aan de Heiland, die zal, door het gericht heen, léven. Leven met de uit de hemel weergekeerde Zoon van God. Echt leven, voorgoed. Wel iets om naar uit te kijken dus. Naar al dat nieuwe en volmaakte, dat komt. En vooral en allereerst naar Hem die komt: de Verlosser, de Koning, de Heer en God.

Dat is beloofd. En het komt, jazeker. Het zal niet uitblijven. O nee, geen sprake van. God heeft een tijdstip vastgesteld. Dán gaat het gebeuren. Want hij houdt zich aan zijn woord. Het gaat wis en waarachtig door, zo vertaalt de Grunneger Biebel. Het komt niet te laat, het hijgt naar het einde, aldus de Naardense Bijbel.
Maar het duurt wel heel erg lang. Vind je niet?

Of ben je daar niet zo erg mee bezig, als je eerlijk bent? Weet je, we hebben zo ons leventje hier. En we zijn min of meer gelukkig. Want zo is het leven nu eenmaal: ieder krijgt zijn eigen baaltje of baal op de nek. En bovendien: we hebben een volle agenda. We moeten tóch al van alles. Vaak léven we niet, maar wórden we geleefd. En komen we niet toe aan genieten van wat er allemaal is. En wát er zoal is, het is zo broos, zo kort, zo beperkt. Zodat hoe eerlijker je naar jezelf, naar het leven, naar jouw leven kijkt, des te meer heb je reden om te zeggen: is dat het nou?



En dan is de boodschap van de bijbel overduidelijk: O jonge nee! Er is veel en veel méér. In het geloof hebben we door Jezus nog te wachten, wat eigenlijk het leven, de toekomst is. De toekomst van de levende Heer, die we nog te wachten hebben.

Geweldig, als je dat gelooft! Als dat ook jouw toekomst is!

Maar dat blijft en is niet onbestreden. In die zin, dat Gods vijand nog aanknopingspunten genoeg heeft, om dat aan te vechten. En dat doet hij dan ook naar hartenlust. En hij hééft er lust in. En zijn hart is boos en listig.
Hij kan je in de houdgreep krijgen. En het je behoorlijk benauwd maken. Bijvoorbeeld met die spottende vragen uit 2 Petrus 3. “Waar blijft die Jezus nu? Hij had toch beloofd te komen?“ Daar kun je ’t benauwd van krijgen, Omdat die vragen áánkomen bij ons. De landingsstrook in ons hart is vrij toegankelijk. Want er lijkt inderdaad niets van te komen. Er is nog steeds niets veranderd, zo te zien.

Maar het gáát door. Wis en waarachtig. Juist die vreselijke dingen die er gebeuren vertellen ons dat. Die rampen, oorlog, honger, natuurrampen, die steeds frequenter en heviger schijnen te worden, zeggen dat. Ook wat er rondom ons heen in de maatschappij gebeurt zijn voetstappen van de Jezus, die komt. Maar intussen gebeuren die vreselijke rampen. Zijn er ook die onvolkomenheden in ons eigen leven. Die moeiten, dat verdriet, die pijn, die eenzaamheid. Is ons leven boordevol pijnlijk vol blutsen, builen, wonden. En ook dat gebrekkige in ons geloof. Die twijfel, die onverschilligheid, die moedeloosheid. We weten van dat schild boven ons hoofd. Maar het lijkt geen spat te helpen.
En die belofte, wat komt er van terecht? Is Jezus wérkelijk onderweg?

Jazéker! Dat mogen we geloven. Is dat zeker? Zeker, ja toch wel. Het staat toch zwart op wit in het woord van God, de bijbel? In dat woord, dat in alle opzichten betrouwbaar is? Je ziet er niets van, van de vervulling van die belofte. Er is ook niets van te zien met het blote oog. Maar als Gods Geest ons oog opereert, dan zien we het wél. Dan zien we die beloften, die stáán. Als rotsen in de branding.
En dan kun je wel eens verlangen naar die toekomst. Naar wat komt. Naar Hem die onderweg is.
Want dat zal pas wat zijn! Niet maar een verbetering van de huidige situatie, maar volkomen nieuw, gloednieuw! En alles, voorgoed! Zal me dat wat zijn! Niet alleen geen tranen, rouw, pijn, maar ook geen zonden meer! Zelfs geen strijd meer tegen de zonde. Niet alleen maar blije mensen, maar ook een God en een Heiland, die nooit meer op het hart getrapt wordt. En die alleen maar lof ontvangt!

Komt er nog wat van? Nou en of! Maak je maar klaar voor het komende, eeuwige feest!
Amen.



-------------


Vergeet in je gebeden de zorgen niet, die we kunnen hebben over onze samenleving, de wel enorm groeiende onkerkelijkheid, de vele "gelovigen", die van de God van de bijbel en de Middelaar niet willen weten. Denk ook aan de (onzichtbare) eenzaamheid dichtbij en veraf.

Dank voor de vastheid van Gods beloften! En voor het feit, dat God al bezig is, alles nieuw te maken! Vraag om (meer) geloof, dat is: vertrouwen op Gods beloften.

vrijdag, maart 04, 2011

ZINGEN VOOR GOD, OOK DÁN? (preek, Marc.14:26, Lijdenstijd)

JEZUS ZONG GODS LOF, TÓEN !!!

“Nadat ze de lofzang hadden gezongen, vertrokken ze naar de Olijfberg”. Marcus 14:26

Kun je nog zingen? Of betere vraag eigenlijk: kun je ál zingen? Want een baby zingt nog niet natuurlijk. Maar als je nog maar peuter bent, dan begint het al. En zingen verleer je nooit. Als je echt oud bent, dan zit er soms wat ruis op de lijn. De stem wordt hoog, als die van een vogel, zegt Prediker. Maar ook dan nog kun je zingen. De één mooi, de ander bepaald niet mooi. Maar zingen? Jazeker!

Er zijn mensen, vaak zijn dat jongelui op een bepaalde leeftijd , die menen, dat ze niet kunnen zingen. Dan moet ik altijd denken aan mijn schooltijd. Dat was in een grijs verleden. De basisschool heette nog lagere school. En het kwam niet in ons op, ons af te vragen wat de voornaam van onze meester (zo heette de leraar toen) wel was. Laat staan, dat we er maar aan dachten, hem daarmee aan te spreken. Toen werd er vaak en veel gezongen op school. Het stond zelfs op het lesrooster.

En we zongen allemaal mee. En we deden ons best. Want de meester liep soms langs de banken om dat te controleren. Nou zat er een jongen in onze klas, nou, als er één was die niet kon zingen, dan was hij het. Maar hij zong wel mee. Alles op één zelfde donkere toon. Vreselijk gewoon. Maar de meester heeft nooit tegen hem gezegd, dat hij zijn mond moest houden. Nee, hij mocht meezingen, zo goed als hij kon. Wél zei de meester wel eens, dat hij wat zachter moest zingen. Dan klonk het samen met de anderen nóg beter, zei hij.

Nee, die jongen kon volgens mij niet zingen. Maar je moet zo iemand niet tegenhouden. Want zingen, dat kun je wél. Op je eigen manier, ja. Misschien hoor je bij het koor “De schorre krekeltjes”. Maar dat geeft niet. Zingen, als het tenminste goede liederen zijn, dat is goed. En dat dóet goed. Maar er kunnen ook momenten zijn, dat zingen moeilijk wordt. Dat de keel je dichtgeknepen wordt door de omstandigheden.
Wie zou er kunnen zingen, als hij net gehoord heet, dat hij kanker heeft?!
-------

Jezus zong de lofzang. Op een moment in zijn leven, waarvan wij zouden zeggen: “Er is geen reden om te zingen; integendeel”. Met zijn leerlingen was hij aan de slotzang toegekomen. Het laatste lied van de Pèsach-maaltijd. Dat was een vaststaand ritueel. Aan het Paasmaal werd gezongen. Namelijk “het grote Hallel”. Dat bestond uit Psalm 113 tot en met 118. De eerste twee liederen zong men aan het begin. En aan het slot de andere, 115 tot en met 118. Psalmboekjes waren er nog niet. Geen nood, ieder had “op school” zeg maar, die Psalmen uit het hoofd geleerd. Zoals wij elke maandag het Psalmversje moesten kennen dus.

Best een goede gewoonte. Want “onzinliederen” leer je al jong genoeg. Immers, die liedjes, en ook gewone liederen, liederen zonder God, en zonder Jezus, die klinken bijna op alle zenders in de ether.
En die léér je ook eerder en beter. Maar Psalmen en andere liederen? Liederen die je kent. En die je soms hard nodig kan hebben? Jazeker! Je kunt in een situatie terecht komen, waarin bidden amper mógelijk is voor je. Omdat je er te moe voor bent. Of gewoon, omdat de dichter van die psalm, dat lied precies de vertolking is van wat er in jou leeft. Je kunt in een situatie belanden, waarin men je niet meer bereiken kan. En jij niet meer begrijpt wat die ander bedoelt. Maar dat er dan woorden gelezen of gezongen worden, die jij dan wél herkent en begrijpt en méé kunt opzeggen of zingen. Omdat ze altijd, onbewust wellicht, toch in je hart leefden en met je meegingen, de jaren door. De psalmen dus

Jezus en de leerlingen zingen de lofzang. Misschien konden ze niet allemaal even mooi zingen, die twaalf mannen. Maar het moet geweldig geklonken hebben! Want ze zongen niet alleen met de mond, maar ook met het hart. En zoiets is te merken. Zulke liederen klinken altijd goed. Dat verwarmt je. En tegelijkertijd word je daar koud van, als je begrijpt wat ik bedoel. Zo gaat dat, als je zulk zingen hoort, nog, ook u, (denk ik).

Ook Jezus zingt, uit volle borst. Juist Hij zingt. In de eerste plaats Hij. Hij geeft de toon aan. Hij zingt. Regelrecht vanuit zijn hart, dat van liefde voor de zijn Vader en voor de zijnen brandt. Als dáár nou eens een opname van was….

Jezus zingt de lofzang. Nadat ze het Pascha gevierd hebben en het Avondmaal ingesteld en gevierd is, klinkt er een lied.. En voordat ze naar de hof Gethsemané gaan.
Vermelding van een klein feit, weinigzeggend zo op het oog. Zoals we vaker bij Marcus zulke woorden en zinnen tegenkomen. Maar is deze zin zo onbelangrijk en zeggen deze paar woorden over de Heiland niet zo veel?
Jezus zingt. En dat is van grote betekenis. Want Hij zingt hier voor ons, in onze plaats. EN Hij zingt ons vóór. Wij mogen na hem, achter hem aan zingen.

De Jezus, die hier zingt, is metterdaad de Heiland. Zijn woorden, zijn daden zijn helend. Helen, om dat te doen is Hij gekomen. Jezus zingt psalmen in de nacht. Omdat in ons leven, om ons heen, omdat het leven zélf ook vaak zo donker is. Er is zoveel gebarsten, kapot, gebroken, stuk hier. In deze wereld, onze maatschappij, je eigen leven soms.

Op het moment, dat dit getypt wordt, barst de woede los in het Middellandse Zeegebied. De mensen daar willen vrijheid, democratie. In sommige gevallen lijkt die wens gehoor te vinden. In andere landen worden demonstraties hardhandig weg geknuppeld en geschoten. En in nog weer andere landen durven burgers niet eens dénken aan opstand. Maar hoe dan ook: wat een leed schuilt er achter wat er gebeurt in dergelijke landen! Wat is en gaat er veel kapot!

Nu is dat een “ver van mijn bedshow”. Wij kennen een volwassen democratie. We mogen vrij onze stem uitbrengen. En vrij onze mening uiten. Maar dat betekent niet, dat alles glad loopt in onze samenleving! Bij lange na niet! Wat een ontevredenheid over de bezuinigingen! Ieder zegt: “Ja, we moeten bezuinigen. Maar niet op wat ik belangrijk vind. Vooral niet op wat mij persoonlijk treft. Laten de hoge omes maar één of meer stappen terugdoen”. Ja, ook hier alom ontevredenheid. En de invloed ten goede van de christelijke partijen vermindert steeds meer. Wat een brokstukken!

Je kunt trouwens ook persoonlijk pijn hebben aan wat je daarvan op de tv ziet. Van die doden, dat lijden in deze wereld. Als die beelden en die berichten tenminste niet teruggekaatst worden door de eeltlaag om mijn hart. En die ongevoeligheid, dat is ook een flinke barst. En dan: je kunt ook zo lijden aan de kerk. De steeds meer naar de achtergrond gedrongen plaats van de kerk in onze samenleving.

Bovendien, mijn eigen leven dan? Verdriet om het leed in de vriendenkring. Barsten in je relatie. Och, noem maar op. Wat een verdriet, wat een pijn komt er soms in je leven! Zou je daar een lofzang over kunnen aanheffen? Kun je dan eigenlijk zo’n lied zingen, zoals wij gezongen hebben aan het begin van deze dienst? Of weet u niet meer, wat we zongen? Over Gods liefde en goedheid zongen we. Kán dat, als er zoveel kapot is of stuk gáát? Wat moet er nodig de grote Heelmeester aan te pas komen! Om te helen. Om ons leed en om wat daar achter schuilt, de zonde weg te nemen. En daarom zingt Hij vlak daarvoor de Lofzang.

Jezus gaat helen, ONS weer heel maken, alles weer nieuw maken. Daarom gaat Hij nu naar de Olijfberg met de leerlingen. Daar is de hof Getsemané. Waar Hij tot bloedens toe moest worstelen, om gewillig de weg vóór Hem te gaan. De hof, waar Hij gevangen genomen zal worden. En dan komt het zwaarste lijden. Dan gaat het naar de dood , de dood aan het kruis. Waaraan Hij drie uur in letterlijk helse duisternis zal moeten hangen. Zó moet Jezus helen, Heiland zijn! Onze Heiland zong, vlak voordat Hij met de leerlingen naar Gethsemané ging, waar Hij gevangen genomen zou worden. Jezus zong in de nacht voor zijn dood aan het kruis.

Jezus zong toen de Lofzang, de Psalmen 113-118. We zingen daar ook een aantal liederen van. En dan moet je proberen, niet alleen die woorden met je hárt te zingen. Maar dan net als Jezus: vlak voordat je gevangen genomen zal worden, bespot, gegeseld, veroordeeld en de marteldood in moet gaan! En dat totaal onschuldig. Woorden als “God heb ik lief, want Hij hoort mijn stem”- terwijl Hij doof was in de duisternis , drie uur lang! Woorden als Psam 118 : 2! En zo zou ik dóór kunnen gaan. Jezus zong, toen! Kun je daar ook maar iets van begrijpen?

Ik vrees van niet. Want dat is de mens niet eigen, zie je. We zingen uit onszelf klaagzangen, als we lijden. Alleen 100% klaagliederen. En als er dan ook nog onrecht achter zou zitten… Nou, berg je dan, als we de mond open doen! Oef! Zó zijn wij. Maar God prijzen in ons lied? Kom op, zeg! Eerder klagen we God áán.
Nee, we zingen de Lofzang niet in een dergelijke situatie. Daarom zong Jezus voor ons, in onze plaats. Om ons zwijgen of klaaglied te verzoenen. Hij zong en ging meteen naar Getsémané, naar de rechter, naar het kruis, naar de donkere nacht van de verlating, naar de Godsverduistering.

Jezus zingt. Met vaste stem. Terwijl Hij wéét, wat er Hem te wachten staat. De Heiland zingt. En dat is heil. Daarin zit helende kracht. Voor ons, die vaak zo weinig reden hebben om te zingen. Die wel kunnen huilen soms. En dat soms ook, misschien van binnen, dóen. De Heiland wil huilenden helen. Hij wil het werk dat daarvoor nodig is, doen. Dat heeft Hij deels al gedaan. Zijn hele leven was lijden. Hij had levenslang, kun je zeggen. En Hij wil dat werk afmaken, dat laatste, dat allerzwaarste. Hij wil dat, omdat de Vader dat van hem vraagt. En dat wil de Vader, omdat wij de zonde hebben gewild en willen. Omdat we de zonde bedreven, schuld op ons hebben geladen, het gericht, de ondergang verdiend. Hij wil helen.

Maar Hij weet, dat er daarom de dood Hem wachten, en de hel van duisternis, 3 uur lang. Toch gaat Hij die bewust binnen. Het wordt zwaar. En toch zingt Hij. Hij zingt het voor ons, in onze plaats. En Hij zingt het ons vóór. Hij leert ons, dat God toch, altijd, in alle omstandigheden, oneindig goed is. Dat Hij onze lof verdient. Hij vraagt, dat we Hem loven. Maar Hij is ons loflied ook waard.

Jezus zingt. En u, jij, ik? Met een mooie stem, krassend en piepend of brommend, dat maakt niet uit. Maar: zingen we. En natuurlijk ook en vooral: wát zingen we dan? Want er is veel te horen op de radio. Maar het meeste wat er gezongen wordt is onverstaanbaar. Het wordt overstemd door overweldigend luide muziek. En wat je dan wél kunt verstaan is onzin, waar je niks mee kunt. Of als je over de tekst nadenkt, frons je je wenkbrauwen. Want de lichamelijke liefde of de geliefde neemt de plaats in van Hem, die dat waard is.

De lofzang voor God, die klinkt maar weinig. Maar zingen wij ánders? Zingen we Jezus na? Zo, gewoon, als alles over rozen op rolletjes gaat, of ook als het tégen zit. Of als het donker wordt in je leven? Als het heel erg moeilijk is. Zingen we, ook dan? Psalmen, de Lofzang, in de nacht? “Onmogelijk”, zeg je? Ben ik het mee eens. Onmogelijk, als we niet Jezus nazingen. Als Hij ons niet bij de hand pakt en ons meeneemt. Maar dat wil Hij doen. Want Hij zong voor ons. Daarom alleen kan het: Hem nazingen. Zingen, de Lofzang, Halleluja! Hand in hand met Jezus.

Jezus zong de Lofzang, het groot Hallel. Halleluja, dat is: “Loof de HEER!” “Gods goedheid houdt ons staande…houdt dan de lofzang gaande”, zingt Psalm 107. Ja, dat moet. Het Hallelua moet blijven klinken, zolang de wereld staat. Dat moet, dat mag, dat kan. Ook als de wereld ten onder gegaan is, blijft de Lofzang klinken. Uit de mond van allen, voor wie Jezus leed en stierf, streed en overwon. Halleluja, Amen!
--------

Voorstel voor een orde van dienst:
(Eerst even dit aan de gemeente melden: we zingen in deze dienst coupletten van Psalm 115-118, het “Groot Hallel”. Juist nu we nadenken over het feit, dat Jezus deze verzen met zijn leerlingen zong, willen wij graag meezingen. Zing en bedenk, dat de Heiland in zijn situatie deze woorden zong. Bedenk dat en laat je ontroeren over de grote liefde, die Hij heeft gehad. Hij moest zaken, hierin genoemd, missen. Wat een liefde!)


Vooraf: Ps. 116 : 1-4
Na votum en groet: Ps.115 : 4,5
(In ochtenddienst belijden we onze schuld voor God en horen we van de vergevende liefde van God door samen met hart en mond te zingen: Zingende Gezegend 218.
Dan lezen we als richtlijn voor ons leven voor Gods aangezicht: Joh. 15 : 3-17)
Gebed
Schriftlezing Marcus 14 : 22-31
Zingen: Ps. 118 : 3,4,5
Na lezen van de preek: Ps. 117
Slotlied: Psalm 118 : 9,10
(In middag-/avonddienst tussen vs. 9 en 10 de Geloofsbelijdenis)
-----------------
Enkele richtlijnen voor de dienst van het gebed:
Voorbede voor de grote problemen in deze wereld. Voor nood van armoe. Nood in Arabische staten, vol onderdrukking, onvrijheid, uitbuiterij. Bid om bevrijding.
Voor communistische landen, waar evenmin vrijheid is. Ook geen vrijheid van godsdienst: christenen worden onderdrukt en vervolgd. Sterk en bevrijd a.u.b.
Vluchtelingen
Ellende rondom: in maatschapppij, die meer en meer verhardt.
Nood dichterbij, bijv. in de familie.
Problemen, zorgen, ziekte in eigen leven. Kan: die problemen zijn niet op te lossen, ziekte niet te genezen, moeten dood in de ogen kijken. Troost, draag dóór. Als we moeten leven met pijn, sterk dan, dag in, dag uit.
Help, om niet te klagen, maar te dragen, en elke morgen te vragen om kracht.
Help, ook dan te loven -door lied, door wat zeggen en doen. Leid zulke mensen, Heilige Geest, zodat hun leven vol is van veel goeds over de Heiland.
De drie-enige God is waard, om te loven!

vrijdag, januari 07, 2011

"ZONDE, ZEG!" "NOU EN OF!"


“WAT ZONDE, ZEG!” “NOU EN OF!!”

“…dan reinigt het bloed van Jezus, zijn Zoon ons van alle zonde.” 1 Johannes 1:7


Ja, zo gebruiken we dat woord zonde toch? “Wat zonde”, zeggen we. Maar we bedoelen: wat jammer nou toch! “Was je te laat om de trein te halen? Wat zonde, zeg”. Terwijl je er misschien helemaal niets aan kon doen. “Oh, kijk nou toch, een vlek op dat nieuwe vloerkleed. Wat zonde!” Ja, in die zin praten we váák over zonde. Maar in de bijbelse betekenis?
Nee, dán is zonde niet echt een populair onderwerp voor gesprek. Bepaald niet! We praten liever over het weer. Of over de vakantie, die we achter de rug hebben, of die er aan zit te komen. Zelfs onder geheide kerkmensen gaat het gesprek zelden over zonde.

--------
Johannes, de geliefde apostel van de Heer Jezus stelt de zonde wel aan de orde. Hij doet dat in zijn eerste brief, gericht aan ons onbekende mensen. Zelf kende hij hen wel erg goed. Hij weet wat er speelt. Onder hen waren er, die meenden, dat ze supervroom waren. Prima christenen waren ze. En ze voelden zich boven anderen verheven. Maar ze meenden óók, het station “zonde” gepasseerd te zijn. Zonde doen, zij? Niks ervan! Dat is voor ons voltooid verleden tijd!

Nou, je begrijpt, dat de schrijver daar fel tegen in gaat. We kunnen zeggen, dat we de zonde niet kennen. Dat die niet in ons leven voorkomt. Maar oei, dan zitten we er flink naast. Dat is zelfbedrog, zelfmisleiding (vers 8). Nee, de zonde is trieste werkelijkheid. En dat in het leven van ieder mens. Dat zonde doen, dat is net als fietsen: je verleert het hier nooit ofte nimmer. Dat blijft, ons hele lieve leven lang.

Wat dat betreft zitten we er wel heel diep in! Zitten we steeds weer in het donker, hopeloos tastend naar een uitweg. En altijd zonder resultaat. We komen er nooit van zijn leven van af. Triest, in- en intriest Het is net als met een ongeneeslijke, dodelijke ziekte.
Weet u, het zit zó diep, bij ons allemaal, dat Paulus ergens zegt, dat we slaven van de zonde zijn. We zijn eraan verkocht. En toch, of moet ik zeggen: daarom, zijn we er zo aan verkNocht. De zonde is een doolhof, met alleen doodlopende paden. De zonde is een gevangenis, waarin we levenslang opgesloten zitten.
En de zonde gaat niet alleen diep, maar is ook breed. De zonde is een complex in ons leven. Er is sprake van oorzaak en gevolg. Eén keer vreemd gaan, en je huwelijk wankelt door de aardbeving van een vertrouwenscrisis. Of het ligt meteen in puin.

Maar…er is tóch een uitweg. En die is: reiniging door het bloed van Gods Zoon.
Nou zat dáár voor sommige mensen toen al een probleem, zo groot als een wolkenkrabber. Want het gaat hier over het bloed van Jezus van Nazareth, de Zoon van God. En er waren toen, -en door de eeuwen heen trouwens, ook nu -, die dat een straat te ver vonden en vinden. Namelijk dat Jezus én 100% mens en tegelijkertijd 100% God was en is. Dat is niet voor te stellen en dus niet waar. Dat kan eenvoudigweg niet waar zijn!

Toch spreekt de bijbel zó over hem. En alleen zó kon hij met het probleem van de duisternis afrekenen. De duisternis die overal heerst: in mensenlevens, in de maatschappij, in heel de wereld. Er is een weg naar het licht, het echte licht. Die weg is absoluut uniek. Het is de enige weg. En die was toen en is nu: Jezus, de Zoon van God en zijn werk. Het bloed van Jezus, Gods Zoon, moet over ons leven komen. En reinigingswerk verrichten.

Zonde is dus onreinheid. Het moet dus er af, ja er uit gewassen worden. Het zit dus in ons, heel diep van binnen. En het zit bij wijze van spreken nog in onze genen ook. Zonde is besmettelijk. Zonde is erfelijk. Zonde maakt je vies. Er zit vuil diep binnen in ons. En er mogen dan prima, krachtige wasmiddelen bestaan, maar ze hebben geen kracht genoeg, om zonde te verwijderen. Ze mogen allesreinigers heten, maar de zonde kunnen ze niet aan. Dit virus is resistent tegen alle antibiotica. Tegen alle middelen die wij kunnen bedenken en inzetten.

Er is maar één wasmiddel op heel de aarde te vinden, en dat is bloed. Het bloed van Jezus, de Zoon van God. Dát -en dat alleen- kan de zonde de baas. Kan die onreinheid de baas. Kan mij en jou rein maken. Die blokkade om de weg op te gaan naar de vuilnisbelt, waar we onze vuile zonden kwijt kunnen, moet dus overwonnen worden.

Redding door bloed, dus: de dood van iemand anders, dat is de weg. En dan al reiniging. Dat is ook al zo’n doorn. Reiniging heb ik nodig. Dus: ik ben smerig? Ik ben een smeerpoets, een vies varken? Nou, ik ben een net mens, hoor! Er is geen enkel mens, die ik iets misdaan heb. Ik doe geen vlieg kwaad. Wat dacht je nou, man! Daar moet de bijbel niet mee aankomen.
Nu luidt een gezegde: een goed geweten komt door een slecht geheugen. Maar oké, je ziet dat zo. Je hoeft niet gereinigd te worden.

Nee, zeg je. En dan ook nog wel door bloed, het bloed van Jezus. Dus door de dood van een mens. Een mens, die opgeofferd wordt, de dood wordt in gejaagd. En dat om de schuld van andere mensen te betalen, zeg maar: van mij. Nou, dat trek ik even niet, hoor. Daar word ik niet goed van. Er vloeit al bloed te over in onze wereld! En dan: elk mens is toch verantwoordelijk voor zijn eigen daden? Je kunt dat toch niet overdragen?

En tot overmaat van ramp: het bloed van Jezus, Gods Zoon. Nou, dan haak ik definitief af, als je dat maar weet. Jezus, volledig mens EN Zoon van God, dus als ik het goed begrijp: echt, waar en onvervalst God. Daar kan ik niet bij! Dat kan ik niet aanvaarden als waarheid. Jij wél dan?

Ja, ik toch wél. Ik kan het niet begrijpen. Totaal niet. Dat kan geen mens. Het enige wat je kunt doen, dat is: dat aanvaarden op gezag van iemand, die het kan wéten. Nou, er is Iemand, die alles weet. En HIJ zegt het. Iemand, die het oppergezag heeft, God.

En Hij heeft het zo bepaald. En hem geloof ik, onvoorwaardelijk!
Hem geloof ik, ook als hij tegen mij zegt in de bijbel, dat er zonde is in mijn leven. Zonde in de echte betekenis. Niet maar: dingen, die jammer zijn, sneu, die ongelegen komen. Maar: dingen, die echt verkeerd zijn. Die een jammerlijke afloop hebben, namelijk mijn dood, mijn ondergang voor altijd.

Dan geloof ik God, als hij zegt: dat slaat niet alleen op de buitenkant. En niet alleen op wat je nu verkeerd doet of zegt of denkt.
Nee, dat zit diep. Je doet niet alleen zonde, je bént één brok zonde. En dat vanaf je geboorte al. En dat uit zich niet alleen in het verkeerde, dat er volop in je leven is. Maar ook daarin, dat er goede dingen er uit jezelf niet in je leven zijn. Niet in je daden, je woorden, je gedachten.
--------

Hard, hé? Nou, ik aanvaard dat tóch. En jij, en u? Zo niet, dan moet ik zeggen: “Wat zonde, zeg!”. Ja, dat is nou echt zonde. Dat is gewoon jammer. Maar ook zonde in de betekenis, die het in de bijbel wel heeft: dat je de bestemming niet bereikt. God heeft je bedoeld voor het leven. Bedoeld, om voor altijd, voor eeuwig, écht te leven. En dat mis je dan.

Dus, accepteer, wat God over je leven zonder hem zegt: dat je leven, jij zelf, één brok zonde zijn. Dat je zelf misschien nogal eens moet schrikken van je gedachten. Dat je vaak door iets niet te doen, of door te zwijgen, grote kansen om van positieve betekenis te zijn, mist. En dat dat niet maar zonde, jammer is. Maar dat je op dat moment je bestemming miste.

En dat is zonde. Zonde, zoals Johannes dat bedoelt. Dat is zonde naar God toe. Ja, ik weet het: het is vreselijk moeilijk, dat te aanvaarden. Maar toch: dat is de weg naar het leven. Dan mag je dat ander óók aannemen: die vergeving. Want weet je; God aanvaardt ons en heeft ons lief: bruto, niet maar netto. Hij aanvaardt ons, zoals we zijn: een brok zonde en schuld. Hij heeft ons lief, niet alleen maar schoon gewassen, maarook inclusief alle modder en viezigheid er aan.

De dichter Gerrit Achterberg heeft in een vlaag van verstandsverbijstering zijn hospita dood geschoten en haar dochter verwond. Hij dichtte later:
“Ik deed van alles, wat gedaan kan worden
het meest misdadige – en was verdoemd.
Maar Gij hebt, God, een witte steen genoemd,
mét die van mij. - Nu is het stil geworden,
zoals een zomer om de dorpen bloeit.”

Van die witte steen kunt u lezen in Openbaring 2:17. Maar zo is het: verdoemd, de winter, de dood. Maar toch: de zomer, de bloei, het leven, licht in de duisternis van je bestaan. Dát geeft God! Wat een wonder, onbeschrijfelijk groot en goed! Wat een blijdschap komt er dan in je hart! Wat eenruimte in je leven! Wat kun je dan opgelucht ademhalen. Wat ga je een ander dan gunnen, de vergeving aan hen ook te gunnen. Gods vergeving van zonden. Maar ook dat jij hen vergeeft wat zij jou hebben aangedaan.

Het bloed van Jezus, de Zoon van God, reinigt ons van alle zonden. Letterlijk van alle. Zo bont kunnen we ’t niet maken, dat de reinigingskracht van dat bloed ze niet áán kan. Het lust ze rauw, om zo te zeggen.

Dat heeft hij gedaan. Dat is een feit, niet door alle aardbevingen samen met alle overstromingen, met verenigde krachten, van zijn sokkel te krijgen. Daar kunnen geen miljoen duivels iets van af doen. En daar kan geen enkel mens iets aan toe voegen. Dat is genoeg. En genoeg is genoeg. Daar kán 0,0 % van ons bij. En daar hoeft ook niets bij.

Maar er is wél een weg naar toe. En die staat klip en klaar voor ons opgeschreven. Kijk maar naar het begin van vers 8 van 1 Johannes 1. “Belijden we onze zonden, dan zal hij, die trouw en rechtvaardig is, ons onze zonden vergeven”. Er is dus een betrouwbare TomTom. Ja, zelfs veel en veel betrouwbaarder: we vinden geen enkele wegomleiding of –opbreking onderweg. De God die trouw en rechtvaardig is, wijst die weg. En Jezus, de Heiland, mens en God, hij IS die weg.

Dus: die weg gáán, je zonden belijden. Want anders kom je niet op je bestemming. “Als we zeggen, dat we de zonde niet kennen, misleiden we onszelf”, staat er. Jezelf mis-leiden, verkeerd leiden, zodat het mis gaat. En zelfs als je niets doet, gaat het, is het mis. De enige weg naar het doel, de bestemming is Christus. Je zonden belijden.
Dat betekent: eerlijk toegeven, dat God in de bijbel gelijk heeft. Dat je eigen visie er niet toe doet. En er trouwens vierkant náást zit. Dat je door die te volgen, daarbij te blijven, nooit ofte nimmer thuis komt. Maar voor eeuwig blijft dwalen. Dan blijf je en bén je ver van huis. En dat zou pas zonde zijn! Wat zonde, zeg! Nou en of!

Het is een sprookje, dat de zonde in je leven een gepasseerd station kan worden, ja zelfs kan zijn. Een sprookje met een wel erg boosaardige heks. De duivel, die ieder, die zijn sprookjes gelooft, te grazen heeft en krijgt. Nee, geen leuk verhaal vandaag. Maar volledig waar. Dus moet het verteld worden. Moet het sprookje de wereld uit, je leven uit.

Want een sprookje deint je in slaap. En doet je mooie dromen beleven. Maar de werkelijke wereld, inclusief je eigen leven, is uit zichzelf geen sprookje. Het eindigt niet met “nog lang en gelukkig” leven. Nee, je leven is één groot massief blok zonde. En als God je door zijn Geest schoon wast, dan komt er een proces op gang. Waarin steeds weer, maar ook MEER zonden beleden worden. En dat proces duurt je leven lang.

Daarom heb je telkens wéér zonden te belijden. Maar even zo vaak wordt dan dat bloed in je leven actief. Het reinigt, telkens als je zonden belijdt, die zonden. Het wast die zonden weg, keer op keer. Daar kun je op rekenen. Het fundament van die belofte is zó vast, daar kun je een kerk op bouwen. Daar hééft God een kerk, ja DE Kerk op gebouwd. De gemeenschap van mensen, die leven uit de vergeving door het bloed van de Heiland.

Mensen, die daarom oook elkáár kunnen vergeven. En die vergevingsgezindheid stralen ze ook uit. Ja toch? Die theorie breng jij toch ook in praktijk? En dat laat je uiteraard ook naar buiten toe zien. Dat valt op., ook aan je buitenkerkelijke buurman. Daar worden mensen, die God niet kennen, jaloers op. Mogelijk zó jaloers, dat ze die gave ook graag willen. Nou, en als ze dat u laten merken... Oef, wat een mogelijkheid om óók met woorden te getuigen...
Amen.
---------

Voorstel voor een te gebruiken orde van dienst:

Vooraf: Zingende Gezegend ( A.F. Troost) 213:1,2,3
Na votum en groet: Psalm 65:1,2
(In ochtenddienst: als belijdenis van schuld én genade: Evang. Liedbundel 189b:2, 3
en lezen van Gods wil.
Dat laatste kan in de bewoordingen van dr. de Ruyter:

"In Christus spreekt God je aan: Ik ben de Heer, je God. Ik heb je bevrijd uit de slavernij van dezonde; Ik heb je vrijgekocht van de duivel; Ik wil jouw God zijn.
1. Ga niet naar een ander; IK heb je lief.
2. Eer mij niet op jouw manier; MIJN manier geeft vrijheid.
3. Misbruik mijn naam niet; MIJN naam redt jouw leven. 4. Gebruik mijn dag goed. Dit is de dag van ONS samen.
5. Resoecteer je vader en moeder. Door hen leer je MIJ kennen.
6. Kom niet aan het leven van een ander. Ik bescherm het jouwe toch ook?
7. Bewaar het geheim van man en vrouw. Ikmaak hen één in mij.
8. Neem niet wat van een ander is. IK zorg toch voor je?
9.Wees trouw in wat je zegt. Zo heb je mij ook leren kennen.
10. Wees niet jaloers. IK vervul het verlangen van je hart.)

Gebed
Lezing: 1 Johannes 1:5 tot 2:2
Gezang 449: 1,3,4,5
Verkondiging
Gezang 440: 1,2
Gebeden
Slotlied: Zingende Gezegend 272: 1, 4,5 of, in middagdienst, gezongen in berijming van Casper Koolsbergen:

`k Geloof in God de Vader, die almachtig hemel en aarde schiep; in Jezus Christus, Zoon uit God geboren, die hem tot aanzijn riep, mijn Heer, die van de heilige Geest ontvangen, geboren uit een maagd, geleden heeft ten tijde van Pilatus, onschuldig aangeklaagd.

Gekruisigd en gestorven en begraven, gedaald in helse dood, de derde dag verrezen, opgevaren, zit Hij voortaan naastGod, vanwaar Hij op een dag terug zal komen als rechter van 't heelal en alle levenden en alle doden ten oordeel dagen zal.

De heilige Geest, Hij wordt door mij beleden. `k Geloof, dat God ons geeft een Kerk, die heilig is en in de wereld als zijn gemeenschap leeft. "k Geloof, dat God mijn zonden wil vergeven, mijn lichaam eens bevrijdt van dood en ondergang, en ik zal leven in alle eeuwigheid. (melodie Gez. 114) en zingen Gez. 109:6.

Zegen.

Voor de dienst der gebeden:

In een dienst over deze tekst kan uiteraard een belijden van zonden -in zijn diepte en breedte- niet ontbreken. Evenmin een dankzegging voor de vergeving van onze zonden, het verkeerde, dat er was en is. En het goede, dat vaak ontbreekt, en altijd gebrekkig is. Loof onze God vol liefde: Hij zond zijn Zoon. Loof de Here Jezus: Hij gaf zijn leven. Bid ook om de hulp en leiding van Gods Geest om de strijd tegen de zonde met vuur te (blijven) voeren. Loof ook Hem om zijn bereidheid, dat steeds weer te doen. Bid ook om zo onze trots te overwinnen en de weg die ons gewezen werd te gaan.