maandag, april 21, 2008

AFSCHEID, MAAR HOE! (preek, voor Hemelvaart)


AFSCHEID, MAAR HOE!

Terwijl Hij hen zegende, ging Hij van hen heen... Lucas 24:51

Afscheid nemen is meestal niet zo fijn. In het Frans zegt een spreekwoord, dat het een beetje sterven is. En soms voel je dat ook. De ouders en partners van de militairen, die bij een, soms gevaarlijke, vredesmissie worden uitgezwaaid op Schiphol, zullen dat duidelijk voelen. Zullen ze ongedeerd terug komen? De afstand is ook zo groot. Je kunt ze niet zien of horen. Ze zijn zo ver weg!

Afscheid nemen doet vaak pijn, jawel. En toch is het leven er vol van. En hoe ouder je wordt, hoe meer je dat merkt. En dan gaat het vaak om afscheid, dat zo definitief is. Afscheid op het kerkhof. Iemand verdwijnt voorgoed uit je leven. En bij het ouder worden vallen er steeds meer slachtoffers van die grote en laatste vijand. Je wordt steeds eenzamer, steeds meer onwennig op deze aarde, in dit leven.


Jezus is ook heengegaan. Hij had het wel van tevoren gezegd. “Ik ga heen, naar mijn Vader, die ook jullie Vader is.” Ja, maar intussen is hij wél weg! En de leerlingen zijn alleen. Alleen in een vijandige wereld. En dat met een opdracht, om “u” tegen te zeggen. En dat doen we vandaag de dag niet meer zo gauw, dat weet u.

Een héle opdracht! Want ze moeten die wereld in, de goede, blijdschap gevende boodschap brengen. De goede tijding van redding. En Jezus, de Redder vertegenwoordigen. Hem als het ware tegenwoordig laten zijn. En dat is me nogal wat! En dat Jezus er in die situatie nu niet meer zal zijn. Hoe kán die trouwe Meester dat nou doen!

Nu kun je op verschillende manieren bij iemand weggaan natuurlijk. Je kunt weg vluchten, iemand verlaten. Dat hadden zijzelf gedaan in de hof, toen de soldaten kwamen. Je kunt plotseling weggaan. Jezus had eerst afscheid genomen. En had zijn beloften achtergelaten.


Nu vertrekt Hij. Hij gaat heen, met zijn handen uitgebreid ten zegen. Het laatste wat ze van hem zien, dat zijn zijn handen, in een gebaar van zegening uitgebreid. En ze hebben het begrepen. Dat blijkt, want ze gaan vol vreugde en moed naar het hol van de leeuw: de tempel.

Vreugde en moed, dure en belangrijke artikelen op de markt van het leven! Het kan best zijn, dat je niet bijster geïnteresseerd bent in Hemelvaart. Maar moed en blijdschap, enthousiasme? Ja, alstublieft! Hoe komt het, dat de leerlingen schaarse dingen blijkbaar putten uit het afscheid van Jezus. Wéten? (Lees dan vooral verder!) Luister dan vooral!


Het is al 40 dagen geleden, dat Jezus uit het graf gekomen is. In die dagen heeft Hij telkens wéér moeten zeggen en laten zien, dat Hij leeft. 40 dagen lang! Wat een geduld! Zou jij dat op kunnen brengen? Jezus wél! Hij is dan ook de goede herder. Jezus wordt dat nooit moe. Maar je zou het je kunnen indenken. 40 dagen lang!

Nu komen we 40 dagen al eerder tegen in Jezus' leven. Aan het begin van zijn optreden in het openbaar. Dat is geen toeval! En, net als nu, was ook dát op een berg.

Toen liet de grote tegenstander van God en Gods plannen, de Boze, ook wel Satan of duivel geheten, Hem de hele wereld zien. En hij zei erbij: “Als u mij nou aanbidt, één knieval maakt voor me, dan is heel die wereld voor u. Want ik héb die macht en kan die verlenen.”

Aanlokkelijk toch? Zomaar de opperheerschappij over heel de wereld cadeau krijgen! Maar zo zouden de mensen in de macht van de Satan gevangen blijven. Gelukkig, Jezus bezweek niet voor de verleiding. Hij koos de moeilijke weg...

NU is Hij die zware weg tot het einde toe gegaan. Een strijd, nou en of! Maar Hij heeft overwonnen. En zo heeft Hij de duivel eigenlijk de macht over de wereld afgepakt. Jezus kan nu zeggen: “Mij is alle macht in de hemel en op aarde gegéven.” Hij heeft die niet gepákt, niet gestolen. Nee, gekrégen! Gekregen, nadat en omdat Hij zijn grote werk voltooid en de opdracht volledig vervuld had.

De leerlingen waren hardleers. Maar ze hebben het eindelijk begrepen: hun Meester leef! Dit is Jezus, onze Heer! Dit is de Heerser over al wat is. En opeens is Hij er niet meer. Ze zien nog zijn zegenende handen, en dan is Hij weg! Ze zien nog wél een wolk.

Die wolk, een bijna dagelijks verschijnsel voor ons, heeft ons wat te zeggen.
Wij gebruiken de wolken ook in ons spreken. Bijvoorbeeld in de uitdrukking: Hij of zij is in de wolken. Door de verliefdheid is zo iemand in hoger sferen. Dat is een uitdrukking, ja.
Maar wij, met beide benen op de grond, vragen ons wellicht af: waar heb ik dat meer gelezen in de bijbel of gehoord in een preek?

Nou, om even te helpen: in het Oude Testament komen we de wolk meerdere keren tegen. En dichte wolk hing om top van de berg Sinaï. Daar was God. Mozes klom de berg op en verdween in de wolk. En hij kwam terug met de twee stenen met daarop de 10 woorden van het verbond, de 10 geboden. De wolk ging ook de tempel binnen, toen die door Salomo gebouwd was.

In de wolk is God. Als Jezus in de wolk verdwenen is betekent dat: Hij is de woonplaats van God binnen gegaan. Hij is bij God, zijn Vader. Jezus is weer thuis, nu Hij zijn werk op aarde voltooid heeft.

Daar is Jezus héén gegaan. Hij is weg. Maar Hij is niet met de noorderzon vertrokken. Hij is niet gevlucht. Heeft hen niet in de steek gelaten. Hij liet hun niet zijn hielen zien. Nee, het laatste, wat ze zagen, dat waren zijn handen, Handen, in het gebaar van de zegen uitgebreid. Dat beeld houden ze vast, is op hun netvlies gebrand.

Zegenende handen. Dat houdt in: Jezus IS er nog. Bij zijn leerlingen, ieder persoonlijk. En bij zijn kerk. Hij zorgt, bewaart, beschermt, geeft kracht en moed. Ze mogen Hem aanroepen in elke situatie. Dat gold toen, voor de leerlingen. En dat geldt NU, voor ons.

En dat komt ons bijzonder goed van pas. Of niet soms!!
Want zo riant is de situatie van de kerk niet! Laten we maar bij ons eigen kerkverband blijven: welke gemeente groeit nog? Verreweg de meeste gaan achteruit in ledental. En de vergrijzing gaat sneller dan het landelijk gemiddelde, vrees ik. Is er hier over 50 jaar nog een gemeente?

En even persoonlijk, bij jezelf te rade gaan. Hoe stáát het met je leven vanuit het geloof? Is er wel een echte, persoonlijke, levende band met de hemelse Vader? Ben ik op Hem gericht, zoals een plant niet zonder licht kan. En daarom zich richt op de zon? Kennen we Jezus als vriend en broer? Is ons bidden een werkelijk gesprek met God?

En als je geloof lééft: is er sprake van groei? Of is het vuur van je geloof geworden tot een laag, walmend pitje?

Dat kan wél of wel wéér in orde komen. En dat doet de levende Jezus, waar het zopas over hadden. Want Hij is dan wel in de hemel. Maar is nog altijd hoofd van het lichaam; en dat lichaam, dat zijn wij, dat is zijn kerk. Er is dus een hechte verbinding. Want hoofd en lichaam kunnen niet zonder elkaar.

Daarom mogen we met gegronde verwachtingen Hem vragen. Vragen, om die verbinding tot stand te brengen. En om groei van dat leven vanuit de band aan Hem. Hij heeft alle macht om dat te doen in ons. Want Hij is in de hemel. Maar Hij werkt op deze aarde. Dat doet Hij door zijn Geest. Die heeft Hij uitgestort op aarde immers?
.
Dat is keiharde noodzaak, ook als je geloof levend is. Want ons Hóófd is dan wel in hemel. Maar wij zijn op deze aarde. Net als de discipelen toen.

En die wereld, waar in we leven, dat is bepaald geen vakantieoord!
Dat was het voor de discipelen niet. Helemaal niet! Die waren voortdurend in de tempel, vertelt de Bijbel. En de tempel, dat was in wezen het hol van de leeuw. Daar waren de Schriftgeleerden kinderen aan huis. En de Farizeeën idem dito. Nou, die konden het bloed van Jezus' volgelingen wel drinken!

Toch waren de leerlingen daar voortdurend. En ze loofden God. Ze waren dankbaar en vol vreugde. Omdat Jezus in de hemel was, verheerlijkt, tot koning gekroond. Maar toch zegenend aanwezig. Ze gaven vrijmoedig uiting aan hun vreugde. Je moet maar durven! Dat is gewoonweg spelen met vuur! Dat kón niet goed aflopen.

Nou, dat zou spoedig ook blijken. Dat kwam hun op vervolging te staan. Dat werd gevangenschap, geseling en ga zo maar door.
Toch trotseerden ze dat alles. Ze wisten: het loopt wél goed af. Want de de Meester heeft ons zijn zegen nagelaten. Die zegenende handen, die gaven kracht en moed.

En vast en zeker: dat kan de kerk van deze tijd ook erg goed gebruiken. Want die kerk heeft de wind niet mee. Dat lijkt anders te liggen. Want over vervolging van christenen horen we nogal eens tegenwoordig. Bovendien staan kranten vol over discriminatie van moslims. En inderdaad, op dat terrein zit er veel niet goed.

Maar christenvervolging hier, of discriminatie van christenen? Daar is immers geen sprake van? En zo lijkt het toch ook hier? Niemand legt jou en mij toch een strootje in de weg? Er is volledige vrijheid voor ons, om naar de kerk te gaan en christen te zijn en dat te beléven ook.

Er is tóch al openheid. Openheid voor religie, voor het bovennatuurlijke, het spirituele. En dat vooral in de breedste zin van het woord. Wat en hoe dan ook maar. Maar daar zit het probleem meteen ook. Want dat wordt van ons ook verwacht. Dat we open staan voor van alles en nog wat, rijp en groen, op zichzelf zinnige dingen én complete onzin. Dat we ons nergens over verbazen, en helemaal niets afwijzen.

En als we naar de Bijbel willen leven, dan moet dat soms wel terdege. En dat valt vaak niet in goede aarde. “Die christenen weer”, hoor je dan. Of: “Daar heb je die fundamentalisten weer, die fijnen”.


Daarom kunnen ook jij en ik moed en kracht gebruiken. Moed, om voor onze mening, voor de waarheid van de bijbel, úit te komen. Door ánders te zijn, in ons spreken, in ons doen en laten. Ook door te laten zien, waar onze prioriteiten liggen. Wat we belangrijk en minder belangrijk vinden. Wat ons drijft. Waar ons hart is, bijvoorbeeld bij God of bij god goud en god geld. Ja, moed hebben we elke dag nodig.

En ook kracht. Kracht, om staande te blijven in het geloof. Blijven staan, terwijl zoveel dingen ons willen verleiden tot zonde. God heeft de mens veel gegeven. Maar die gaven zijn tegelijkertijd evenzoveel ópgaven. Om die gaven niet te misbruiken. Om er een gepast gebruik van te maken. Denk maar aan Internet. Want wat liggen daar een grote gevaren. Bijvoorbeeld om daar geen tijd aan te verspillen. Tijd, die heel erg nodig is voor iets anders. Of het gevaar, verkeerde sites te bezoeken.

Kracht en moed. Om blij en moedig elke dag in te gaan. Terwijl er misschien zoveel is, wat we zo graag anders zouden wensen. Omdat je leven zo beperkt is. Omdat je moet missen, wat anderen als vanzelfsprekend beleven.


Kracht en moed om te leven. Terwijl er zoveel pijn, zoveel verdriet is in je leven. Terwijl je hem of haar zo mist. Terwijl je zo opziet tegen de toekomst. Tegen het afscheid moeten nemen. Tegen het afstand moeten doen.

En dan: Jezus nam afscheid. We zien Hem en zijn werk soms nergens in ons leven. En we leven in een wereld, waarin we steeds weer afscheid moeten nemen en afstand in acht moeten nemen en moeten doen. We hebben onze Helper zo nodig!

Maar Hemelvaart zegt: Jezus is er wél! Denk aan het geheim van de afgezanten van Jezus. Ze hadden moed en kracht. Hun geheim was: die zegenende handen! Die spreken. Die zeggen: Ik ben er heus wel, hoor. Ik Ben hier boven. Om jou telkens weer op te tillen.
------

Ik ben in het gelukkige bezit van een noem het maar “elektrische” fiets. Een fiets met elektromotor. Mijn noodzakelijke hulp is dat. De accu daarvan kan ik via de adapter telkens opladen. Moet ik niet vergeten, de adapter en zo de accu aan te sluiten aan het elektriciteitsnet natuurlijk. Nu, zo laadt Jezus ons geloof op via zijn Geest. Daar moet je Hem wel om vragen, dat begrijp je wel.
Jezus zegt: Ik ben jullie Hoofd. Ik ben nu in de hemel. Maar Ik blijf nauw verbonden aan jullie. Ik kan en wil je niet missen, hoor! Nooit! Ik houd ook jou vast. Zeer zeker. Altijd!
Dát is het houvast, dat Hemelvaart biedt. En daar kunnen we 't mee doen! Dat is zelfs reden tot grote vreugde! Mijn liefje, wat wil je nog meer! Halleluja!

Amen.

Orde van dienst:

Eventueel vooraf: Psalm 47:3,4
Na votum en groet: Gez. 235
Gebed

Schriftlezing: Luc. 24:36-52
Zingen: Zingende Gezegend 178:1,3,4,5.

Preek over Luc.24:51a
Gez. 234

Gebeden, inzameling van de gaven

Gez.230:1,4,5,6
Zegen
-----

In de gebeden na de preek:

bidden, dat we allen in deze wereld tóch het hoge peil van vreugde mogen bereiken. Bidden om de aansluiting aan Gods “vreugde-net” voor ons.
Maar het gebed voor deze wereld met wonden en breuken niet vergeten.
Danken voor Jezus' troonsbestijging en zijn voorbede en werk voor ons nu.
God prijzen!

vrijdag, maart 21, 2008

DOORGEVEN ALSTUBLIEFT !!! ( meditatie)

DOORGEVEN ALSTUBLIEFT!!

"En wanneer deze brief bij u is voorgelezen, zorg dan, dat hij ook in de gemeente in Laodicea voorgelezen wordt en dat ook u die van Laodicea u laat voorlezen." Col. 4:16

Er worden tegenwoordig maar weinig brieven meer geschreven, denk ik zo. Je hebt zoveel andere, snellere middelen om te communiceren. De telefoon is er, ook mobiel. Kun je overal mee naar toe nemen en overal gebruiken immers. En je kunt tegenwoordig mensen óók nog bereiken, als ze niet opnemen: een berichtje inspreken en klaar is Kees. En je hebt e-mail! En chatten schijnt zelfs verslavend te werken. Mogelijkheden te over! Nee, een brief schrijven? Hopeloos ouderwets!

Die schuin gestreepte woorden hierboven zijn van Paulus, een knecht van God. Bijna de hele wereld, zoals die toen bekend was, heeft hij doorkruist. In heel wat landen en steden heeft hij gesproken. Hij bracht het goede nieuws. Over Jezus en de verlossing, die Hij tot stand gebracht heeft. Bevrijding uit het schrikbewind, waarin Gods vijand de mensen verstrikt hield.

Als er een gemeente tot stand was gekomen, ging Paulus weer verder. Naar een andere stad. Om ook dáár het goede nieuws aan de man en vrouw te brengen. Maar hij bleef zo veel mogelijk contact onderhouden. En dat gebeurde onder meer per brief. Dat waren echte zend-, rondzendbrieven.

Vandaar zo'n opmerking als hierboven staat. Een verzoek, dringend, een opdracht eigenlijk, aan de oudsten, de voorgangers van de gemeente in Colosse. Lees deze brief, die ik geschreven heb en die ik u laat toekomen, zélf. En hij is voor de gemeente bestemd, dus: ook voorlezen aan de leden van de gemeente.

En dan? Bij het oud papier? Of in het archief? Nee, dóórgeven! Doorgeven aan de gemeente in Laodicea. Dan kan hij ook dáár voorgelezen worden. De Heilige Geest leidde hem bij het schrijven

van de brief. Dus kon Hij hem ook dáár gebruiken. En datzelfde geldt voor de brief, die hij aan Laodicea had geschreven.

Handig toch? Goed bekeken! Dat is economisch omgaan met de geschreven goede boodschap. Paulus acht zijn brief "geschikt voor hérgebruik". Wat hij schreef is van belang voor de gelovigen in Colosse. Maar dan is het óók goed voor de mensen in Laodicea. En ook voor andere gemeenten nog. Want het zijn allemaal ménsen. Mensen van dezelfde "makelij". Met dezelfde noden en vragen.

Vandaar...

Dominees bekijken het meestal ook vandaag nog zo. Je bestudeert een bijbelgedeelte. Soms "rolt" daar een preek uit. Die houd je in je "eigen" gemeente. Je ruilt met je collega van een andere gemeente. Dan kun je die gemaakte preek gebruiken. Met misschien hier en daar een aanpassing, omdat de situatie daar anders is. Maar toch.

Paulus is vóór hergebruik. Voor dóórgeven. Aan zoveel mogelijk "belanghebbenden". De apostel zou gretig gebruik gemaakt hebben van Internet. Al gauw zou "www. paulusevangelie.it" overal te bezoeken zijn geweest.

Gaven van God, zoals wijsheid en inzicht, vruchten van bijbelstudie, ze mogen voor zoveel mogelijk mensen ten nutte gemaakt worden. God gunt ons zijn geschenk van verlossing en vrede. Hij gunt ons onderwijs. Hij is er niet karig mee. Geen moeite is Hem teveel.

Dus: hóór Gods Woord! Gelóóf Gods Woord!

En dan: doorgeven a.u.b.!

Zodat de boodschap zich verspreidt. Als rimpels in een vijver!

Bidden/zingen: Gez. 481


vrijdag, februari 29, 2008

STERVEN AAN DE LOPENDE BAND? (meditatie, Goede Vrijdag en Pasen)


STERVEN AAN DE LOPENDE BAND. .. OF...?
“Daarna stierf hij...” (vele keren in) Genesis 5
“Jezus...gestorven”. Johannes 19:33

Goede Vrijdag! Paasfeest!
"Geweldig!", zeggen we als christenen. Dat Jezus gestorven is, voor ons! En dat Hij de dood heeft overwonnen! Geweldige feiten!
Ja, maar is dat wel zo?, kun je vragen. Want wat is er dan echt veranderd? Wat is er anders geworden sinds dat gebeuren? Want het droevige relaas van Genesis 5 gaat nog steeds door. Dat treurige liedje van de mensenlevens: geboren worden, opgroeien, (misschien) vader of moeder worden. En dan altijd weer dat refrein: “daarna stierf hij”.

Nou, daar word je niet vrolijk van! Dat wérden de mensen al niet. En dat worden ze óók na Goede Vrijdag en Paasfeest evenmin. Daar heeft de dood van Jezus en zijn opstaan uit de doden helemaal niets aan veranderd. Het is nog steeds: sterven aan de lopende band. De dood draait overuren. De dood werkt in continudienst.
Daar word je bepaald niet vrolijk van toch? Vooral niet, als je nog onlangs aan een graf stond. Of als je die geliefde, die stierf, nog elke dag mist. En van zulke mensen zijn er miljoenen! Als je jong en gezond bent ben je geneigd, dat wég te schuiven. Maar hoe dan ook: de dood is trieste, schrijnende werkelijkheid.
En dát is nu net het probleem achter die vraag “is er dan wat veranderd”. Een vraag, die, laten we wél wezen, het wezen van het christelijk geloof raakt. Als je moet zeggen “er is niets veranderd”, wat is er dan nog vóór te zeggen, om christen te zijn of te gáán geloven?
Kijk, de dood achtervolgde de mens. Sinds de mens in de poel van de zonde gesprongen is, stalkte de dood elk schepsel, zijn leven lang. Die donkere schaduw hing er, bij elke stap. En het probleem: dat is nu nog precies zo! Er is nog steeds filevorming op het kerkhof. Graf na graf wordt gedolven. De weg van ieder mens eindigt daar, geslacht na geslacht. Dus?
---------
Jezus is ook gestorven, vertelt Johannes. Was Hij alleen één van die lange rij, anders en meer niet? Aan de ene kant wel. Zijn lichaam ging ook het graf in. Net als dat van jou en mij straks. Meer was er niet. Tenminste, meer was er niet te zien. Ja, maar toch wás er meer. Jezus ging anders het graf in dan wij. Hij ging het graf binnen na gedane arbeid.En die arbeid was: als zondeloze mens dit aardse leven leiden. En de verzoening, het afwissen en volledig wegdoen van de schulden van de mens tot stand brengen. Zo ging Hij het graf in.
Hij was ook anders in het graf. Hij was er aan het werk, kun je zeggen. Hij verbouwde het graf. Weet je, er zat altijd al een deur in het graf. Een ingang. Die ging naar buiten toe open, zodat je er in kon. Maar aan de binnenkant zat géén kruk. Je kon er niet meer uit.
Nu, Jezus maakte nóg een deur. Een uitgang. En zo kon en kan je door het graf héén!
Dat is er veranderd. Iets heel groots, met enorme reikwijdte!

Ik zou zo zeggen: maak gebruik van die deur. Die deur uit het graf. Want die deur naar binnen, die staat wijdwagen open. Dáár kom je wel door, dat staat vast! “Niet aan denken”, zeg je? Nou, met de politiek van de struisvogel schiet je niks op. Dat station is het reisdoel van ons allen Maar je hoeft niet meer in paniek te raken, als je denkt aan je eigen graf in de toekomst. Want het hoeft niet het eindstation te zijn. Het kán e e n station zijn. Het vóórlaatste. Daarna dan het laatste: de grote, heerlijke toekomst!
Hoe dat realiteit wordt? Dat is nu naar die Grafombouwer toe gaan. En Hem vragen: “Mag ik met U mee?” Bij de Openbreker van het graf moet je wezen en blijven, om de uitgang naar het Leven door te gaan. Hij wil graag je hand pakken en je meenemen, het graf in en door!

Dus: sterven aan de lopende band? Ja, meer zie je niet. Maar er is meer. Namelijk leven door het graf heen. Leven zonder eind. Leven zonder weerga!


Zingen/danken (melodie Gez. 255):Halleluja! Overwonnen
is de duivel en de dood!
Meer dan honderdduizend zonnen
kleurt dit licht de hemel rood:
halleluja, halleluja,
overwonnen is de dood!


Laat de doden, laat ze slapen,
slapen in dit vroege uur
tot de aarde is herschapen
in een nieuwe creatuur-
halleluja, halleluja

Christus wekt hen in dat uur!

Laten wij nu vrolijk zingen,
want het uur breekt spoedig aan
dat de graven openspringen,
als de dood is doodgegaan!
Halleluja, halleluja,
Christus – Hij is opgestaan!

zaterdag, februari 23, 2008

SCHENK JIJ ALTIJD ZUIVERE KOFFIE ? (preek)


SCHENK JIJ ALTIJD ZUIVERE KOFFIE?


“Hij zal zitting houden als iemand, die zilver smelt en het zuivert....” Maleachi 3:3


Voorstel van een orde van dienst:


Eventueel vooraf zingen: Psalm 66:3,4
Na stil gebed, votum en groet: Gez. 481: 3,4,

[in ochtenddienst: Lezen ter verootmoediging Matteüs 6:43-48;
zingen Gez. 463:1
Lezen: Joh.3:16-18 als woord van genade
Gez. 463:3 en 4
Lezen: Gods wil in Joh.3:19-21
Gez.463:5]

Gebed
Schriftlez
ing: Mal. 2:17-hoofdstuk 3:5
Psalm 51:
3,4
Verkondiging over Mal.3:3
Gez. 323:
7,8
Gebeden
Dienst van de offers
Gez. 443:1,2 [in tweede dienst: Geloofsbelijdenis van Nicea] en 3


Gemeente van Christus, onze Heer,

Deze wereld wordt wel eens een “tranendal” genoemd. Een duidelijk beeld. Duidelijk en veelzeggend. Wat worden er hier op aarde een tranen vergoten! Het eerste, wat een baby doet, en ook móet doen tijdens zijn leven hier, is huilen. En er zullen nog vele huilbuien volgen. Ieder mens schreit liters tranen tijdens zijn leven.

Er is enorm veel ellende. En daarbij is er geen discriminatie tussen verschillendebevolkingsgroepen. Ook mensen, die geloven in God, wérkelijk geloven, een levend geloof hebben, hebben vaak een portie ellende op hun bordje, dat “leven” heet.’’

Je zou misschien zeggen: “Maar God is hun Vader toch? Wat is dan de bedoeling van dat leed, die pijn, die zorgen, dat verdriet? Waarom krijgen ook zij daar een portie van?” Sommigen hebben er geen enkele moeite mee. Die schuiven alles op de rug van de duivel. De boze, ook wel Satan geheten, die is de schuldige natuurlijk.


Nou, ik kan je wel zeggen: daar ben ik niet klaar mee. Ik heb gróte moeite met het lijden van christenen, Gods kinderen dus, in deze wereld. Dat de kerk in bepaalde landen onderdrukt wordt. Dat gelovigen soms zwaar moeten lijden. En mijn eigen portie lijden roept ook steeds weer vragen bij me op. Zoveel vragen, ik stik er soms bijna in!

Ja, natuurlijk besef ik, dat ik mag kijken naar wat ik ontvang, elke dag weer. Ik heb niets te klagen. En heel veel te danken. Mensen nou, wát een gaven! Maar toch. Toch die vragen, die last van lijden en zorgen op mijn schouders!

In het gedeelte hierboven staat vinden we een stukje van het antwoord. Een klein stukje maar. HET antwoord op onze vragen, DE oplossing, daar moeten we nog op op wachten. Maar een stukje van het antwoord luidt: God wil in de spiegel kijken.

“Uh”, zeg je. “Wat bedoel je nu dan toch?'

Nou, lees dan vooral verder.

God gaat dus aan het zuiveren. En dan gaat het om Gods volk, Israël. Dat is teruggekeerd uit de ballingschap. Terug in eigen land. En ze vinden het leven daar weer goed. Ook in godsdienstig opzicht. Want er is weer een heiligdom. Priesters brengen weer offers. Alles dus O.K., zou je zeggen.

Maar helaas, God denkt er anders over. Hij vindt, dat er onzuivere koffie geschonken wordt. Ze zijn niet zuiver op de graat, daar in Israél. Er zit veel flink fout. Het is bepaald niet schitterend. Net als goud en zilver, dat verontreinigd is. Dat schittert niet. Zuivering is nodig. En dat zal ook gaan gebeuren met het volk. Maleachi, een profeet, brengt deze boodschap: God stuurt een bode, de Engel van de HEER. En dat zal de Messias zijn, de beloofde verlosser.


Nou, geweldig toch? Dat betekent vrede, geluk, heil. Dan zijn alle zorgen, die er nog zijn, weg. Ja toch? Ja, klopt als een bus. Uiteindelijk is dat het geval. Maar eerst wordt het nou bepaald niet fijn. “Hij zal zitting houden...”, staat er. Nou. Dat klinkt al zeer onheilspellend!

Dan denk je aan een rechter. Die houdt zitting, om te oordelen.

Nu moet je hier aan iemand anders denken. Namelijk een zilversmid. De Messias van God wordt hier voorgesteld als een zilversmid tevens zilversmelter, smelter van zilvererts. We kijken samen even over zijn schouder, hoe hij dat doet. Kijk je even mee?


Hij heeft een vat. Een groot vat met een zeer heet vuur er onder. Een soort oven dus. Want in dat vat zit zilvererts. Dat is een bepaalde delfstof, die uit verschillende bestanddelen bestaat. En één van die bestanddelen is zilver. En daar is het hem om te doen.

Nu, om dat zilver te krijgen moet het gezuiverd worden. Moeten die andere elementen er uit worden verwijderd. Tegenwoordig kan dat op moderne manier: door elektrolyse of door middel van zwavelzuur. (Heb ik ook maar ergens gelezen, hoor, wist ik echt niet) Toen had men ontdekt, dat die zuivering kon door verhitting. De hele massa erts werd dan verhit. Alles smolt. De andere elementen kwamen boven drijven, als een soort schuim. Dat kon je weg scheppen. En het zuivere zilver bleef over.

Dat stak nauw. 't Was een precies werkje, waar alle aandacht, volle concentratie voor nodig was. Zo moest hij er op toezien, dat het vuur de goede temperatuur opleverde. Bleef het mengsel te koud, dan smolt het niet of niet goed genoeg. Werd het te heet, dan kon het zilver beschadigd worden. Daarom ging de zilversmelter er bij zitten.


Zo zuivert God ook zijn volk Israël. En dat door allereerst de priesters en Levieten te zuiveren. De mensen, die leiding geven dus. En door die leiding, zichtbaar onderwijs door de offers en door hoorbaar onderwijs, zo zuivert de HEER zijn volk.

Dat was hard nodig. Want het volk dacht, en de priesters en Levieten, de helpers van de priesters, dachten: alles is in orde. En dat léék ook zo. Maar ondertussen. Er waren allerlei zonden. Maleachi, de profeet, wijst die aan. Bijvoorbeeld, dat de weduwen en wezen, de mensen in het hoekje, waar de slagen vallen, geen aandacht en zorg krijgen. En dat de mensen kwaad spreken over God. Ze zeggen: God keert de zaken om. Hij beloont de goddelozen en straft de rechtvaardigen.

En die rechtvaardigen, wie wáren dat? Natuurlijk zij, die terug gekomen waren. Die rest, die gered was. Daarbinnen was toch alles O.K.? Maar God is het daar pertinent en volledig mee
oneens. Er moet een flinke zuivering aan te pas komen. Alle verkeerds, alle zonden moeten weg. En zonden, die zijn er volop!

De profeet zegt namens God: jullie denken alleen aan jezelf. En God? Ja, je práát wel over hem. En je houdt je, zo uiterlijk bekeken, wel aan de voorschriften. Maar in wezen staat er maar één op nummer 1 op de hitlijst van je leven. En dat ben jezelf.

En daarom vind je eigen portemonnee zo belangrijk. En “vergeet” je in dat opzicht de dienst van God. De tienden geven, dat vind je onnodig. Dat is veel te veel, zie je. Dat kan bruintje niet trekken, zeg je. Maar je bedoelt: dat heb ik er niet voor over. Mag het niet een beetje minder zijn, een beetje véél minder?


Zo was dat met velen in die tijd. En vandaag? Hoe zit dat met jou en mij? “Ik geloof in God, ja zeker wel”, zegt u. Mooi, van harte gefeliciteerd! En dat meen ik. Maar dat geloof, blijkt dat ook? Komt dat ook naar buiten? En dan ook maar concreet: heeft God alles te maken met je portemonnee en je bankrekening? Of houden we liever onze handen boven water, met onze portemonnee erin, dan ze te vouwen in gebed? Schenken we zuivere koffie?

En hebben de mensen, die alleen staan, die eenzaam zijn, die vergeten worden, onze aandacht? Zorgen we voor hen, door ze op te vangen en te steunen? Of vergeten we hen al te vaak?

Dan zit het niet goed. En dan komt het ook niet goed. Dan komt de vloek in

plaats van de zegen. Dan kun je er op wachten, dat het mis gaat.

Kijk, en nou alstublieft dicht bij huis blijven. Naar jezelf kijken, niet naar de buurman. Weet je, wij, jij en ik, we beseffen wel, dat we zonden doen. Dat we zondig zijn, van binnen. Dat ontdekken we wel, als we naar ons eigen leven kijken. Dat komt wel naar buiten.

Maar hoe ver gaat dat. Maleachi heeft het over “God bestelen”. Dat gaat dus over het 8e gebod, dat je niet moet stelen. Dat past niet bij iemand, die zegt dat hij het eigendom van God is. Nou, ook vandaag kun je God beroven. Dat doe je, als in je begroting de dienst van God de sluitpost is.

Zo was dat bij Israël. Men dacht alleen maar aan zichzelf. De wet schreef voor, de tienden te geven van alle inkomsten. En er waren bepaalde heffingen op het bezit. Daar beknibbelden ze op. Zo kunnen wij ook doen, beknibbelen, financieel gezien, op.de dienst van God. En bedenk dan wel: je dient God óók, door aan je naasten te denken. De naasten rondom je. En de naasten veraf.

Nu, God bestelen gaat dan zo: je doet iets, of wat meer in de collectezakken, als je wat over hebt. Dát is eigenlijk diefstal. Dan steel je in wezen van God. Want de dienst van God en de naasten in nood verdienen méér. Nou vraagt Godniet, dat je je kinderen tekort doet. En hij gunt je graag, dat je onbekommerd geniet van het leven. Daar is helemaal niets mis mee.

Maar gun die naaste ook een leven, dat echt leven genoemd kan worden. En ken je verantwoordelijkheid voor de voortgang van het werk van de kerk. Het werk naar binnen en dat naar buiten toe.

En als dat niet gebeurt, is je dienst aan God niet in orde. Dan schittert het niet als echt goud of zilver. Dan moet er gezuiverd worden. En dat wil God doen. God doet dat door zijn Messias, zijn gezalfde. En wij weten, dat dat de Zoon van God is. Dat zuiveren vindt de HEER zo belangrijk, dat Hij dat aan niemand anders toevertrouwt.

Dus zie je die zilversmid zitten. Het erts is omgesmolten tot een mengsel van zilver en onder anderen lood. En nu wordt het nog eens omgesmolten. En daar zit hij, die zilversmelter. Want er moet zuiver zilver voor de dag komen. Daar gaat het om, dat snap je wel. Daarom zit hij bij dat smeltvat. Om dat wat er niet in hoort, weg te scheppen. Want dat vuur zorgt, dat de onzuivere bestanddelen boven komen drijven.

En hij zit er geduldig en schept. En zie je hem in dat vat kijken? En wanneer houdt hij op? Als hij

zichzelf aan de inhoud kan spiegelen. Als hij zichzelf kan zien. Dan pas is het zilver zuiver. Dus dat vuur, die hitte is nodig. Daar wordt het erts pas echt, pas zuiver zilver van. Daarvan krijgt het zijn echte waarde.

Zo is God bezig. En daarin zien we Jezus aan het werk. En we weten ook, dat Hij ook pijn leed. Dat Hij in de smeltoven kwam. Terwijl Hij volmaakt zuiver was. En volkomen het beeld van zijn Vader vertoonde. Om hem heeft God goede bedoelingen met wat er gebeurt in ons leven. Krijgen we niet ons verdiende loon. Maar mogen we delen in het loon, dat Jezus verdiende. Als we geloven. En door dat geloof aan Jezus verbonden zijn.

God wil dus zichzelf zien. Als je naar zijn volk kijkt, moet je eigenlijk God zelf zien. Als Hij en ook de gelovigen, maar ook de buitenkerkelijken het leven van christenen goed bekijken, dan moeten ze in hen iets van God zien. Dan moeten ze dus een beetje op de Heer Jezus lijken.

Nou, zeg je waarschijnlijk, dan moet er bij mij nog een heleboel veranderen. Dan moet er nog veel gezuiverd worden. Ja, vind ik ook van

mezelf. En ik vrees: zo denken we allemaal. En dat zal terecht zijn ook. We moeten allemaal in dat smeltvat. En het vuur moet hoog opgestookt worden.

Dat wordt pijnlijk, denk ik. Heel erg pijnlijk, vrees ik. Dat gaat misschien tranen, verdriet, pijn lijden, afbraak kosten of wat dan ook. In elk geval: wat je kostbaar en dierbaar is kan je worden afgenomen. Verre van leuk. Pijnlijk tot en met. Maar zuiverend. En dat is de bedoeling, zie je.

Nou moet je weer niet gaan denken: “O, dus als ik ziek word of als er verdriet in mijn leven komt, dan moet ik op zoek. Op zoek in mijn leven, wat er fout zit. Met welke zonde hangt deze ramp samen?” Nee, als het pijnlijk wordt in je leven is dat niet altijd om een bepaalde zonde. Al kan een bepaalde zonde best wel bepaalde uitwerking en pijnlijke gevolgen voor je hebben. En daar moet je je ogen niet voor sluiten. Maar automatisch verband tussen een bepaalde, aanwijsbare zonde en lijden is er niet.

Wél kan het zijn, dat God je dichter bij zich wil hebben. En dat dit inhoudt, dat je zuiverder, reiner moet worden. De Heer wil ons geen pijn doen. Zeker niet! Daar is geen sprake van.
Hij wil alleen dat heerlijke voor je: dicht Jezus en de Vader leven. Daar zorgt de heilige

Geest voor. En daar kan Gods Geest bijvoorbeeld ziekte of verdriet, dat in ons leven komt, voor gebruiken. Hij alleen kan ons verdriet en onze pijn wegnemen. Hij gebruikt daar vaak mensen voor. Maar het is zijn werk.

En dan voel je je meer afhankelijk daarvan, zie je. Dan heb je hem meer nodig. Dan besef je: alle goeds in mijn leven moet van God komen. Dan word je meer dankbaar voor kleine dingen. En wil je het hem steeds meer in alles naar de zin maken. En dan wordt zijn wil voor jou steeds meer wet. Ook in het omgaan met wat je bezit. Die gaven wil je dan besteden in zijn dienst. En voor het bestwil van de naaste.

Zo wordt je gezuiverd. Zo gaat je leven blinken. En als de mensen naar jou en je leven kijken, dan zeggen ze: “Hé, wat is dat nou toch? Wie is dat toch? 't Lijkt Jezus wel Dat kan toch niet?” Ja, dat kan wel. Dat je trekken van Jezus en zijn Vader vertoont. God kijkt naar je. En zegt: “Ja, ik zie iets van mezelf in hem, in haar!”

Dat is pas zuivere koffie!

Amen.


Handreiking voor de dienst van de gebeden


Danken voor verlossing door werk van de Heer Jezus; voor alles wat we elke dag als vrucht van zijn werk krijgen.
Bidden om kracht, om onze ziekte, verdriet te dragen; kracht om gewone, gebroken leven hier áán te kunnen: ook de pijn van de zuivering door God: wat we moeten missen, om te glanzen voor Hem.

Bewaar ons voor en help ons strijden tegen het materialisme, de hang naar geld en goederen; Help ons, verantwoord om te gaan met wat we ontvangen hebben: ervan gepast genieten; Uw dienst, kerk niet sluitpost laten zijn; de naaste dichtbij en veraf in het oog te houden, voor hen te bidden en te helpen waar we kunnen.
Laat ons glimmen voor U, zodat U iets van Uzelf herkent, als U naar ons leven kijkt, vernieuw ons naar het beeld van Christus en help ons, daarnaar te (blijven) streven.



maandag, januari 07, 2008

GOD - WAT? WIE? HOE?

God - Wat? Wie? Hoe?


“… het enige wat ik verlang:
wonen in het huis van de HEER
alle dagen van mijn leven,
om de liefde van de HEER te aan
schouwen…” Psalmen 27:4





Voorstel voor de liturgie:

Vooraf: Gez. 323:1,6,8;

na votum en groet: Ps.63:2,3;

( in de ochtenddienst: Als schuldbelijdenis en genadeverkondiging zingen: Gez.449:1-4;

Gods wil: Lev. 19:1-4, 11-18, 32-37; zingen Gez. 449:5;)
Gebed;
Lezen en zingen: Ps. 27. Zingen:vs.1; lezen vs.4-10, zingen: vs. 6,7;
Preek over vers 4
Zingen; Ps.43:3,4,5;
Slotzang: Gez. 430:2,5,7. In de tweede dienst kan vers 7 gezongen worden na de geloofsbelijdenis.

(Gemeente van onze Heer Jezus Christus)

Welk beeld hebben mensen van God? Dat kan heel verschillend zijn. Vooral omdat de bijbel in deze wereld toch steeds meer een plaats in de marge gaat innemen. Ja, de bijbel schijnt een geweldige beststeller te zijn, nog steeds. Maar dat betekent nog niet, dat hij regelmatig open gaat en gelezen wordt. O nee! Wie kan zoiets saais en vermoeiends bedenken. Stel je voor!

En als je dan wél, of wel eens, in dat boek leest - hoe lees je dat boek dan? Puur uit nieuwsgierigheid. Alleen om eens te weten, wat daar zoal in staat. Of om een andere reden. Namelijk, dat dit boek iets heel speciaals voor je heeft. Je gelooft namelijk, dat wat erin staat, de woorden van God zijn. Ja, wel door mensen opgeschreven, maar toch.


En dus is de bijbel voor jou Gods woord. Daarom heeft dit boek alle gezag voor je. En je wil je door dat Boek, Gods woord voor mensen, laten leiden en beheersen. De bijbel bepaalt dus je waarden en normen, kun je zeggen.


Maar hoe je tegen de bijbel aankijkt, dat maakt heel wat uit. Als je de bijbel niet kent, of niet aanvaardt als de norm voor je leven, dan kijk je ook anders tegen God zélf aan.

God, wie is hij eigenlijk, dat is de vraag. En hóe is hij? We leven in de tijd waarin wel over “ietsisme” gesproken wordt. Velen noemen zich gelovig. Er is wel ”iets”, zeggen ze. En dat kun je wel “god” noemen. Maar ook wel “Allah” of hoe dan ook. Het is “iets”, dat je steun geeft op de één of andere manier. Maar waar je verder je niets van aan hoeft te trekken.

Erg vaag allemaal. Eigenlijk geen wonder, als je het boek, waarin God zelf spreekt, en ook zichzelf openbaart, vertelt wie en hoe hij is, niet leest. Of niet ziet als het volledig betrouwbare Woord van God. Maar dááruit moet je dat aan de weet komen. En daaruit alleen. Anders verdwaal je.

Maar hoe is het godsbeeld van kerkmensen? Er zijn mensen, die zich christen noemen en toch een vaag idee van God hebben. Die God eigenlijk ook alleen maar gebruiken als noodhulp, als steun in de rug. Maar uitsluitend, als ze ’t zelf niet meer of niet meer alléén áf kunnen. Maar die verder met Hem weinig rekening houden in hun leven.

En wij? Hoe kijken u en jij en ik tegen God aan? Hoe zien we hem, wat komt het meest bij ons boven, als we aan God denken? Er zijn er onder ons, die misschien opgegroeid zijn met een donker beeld van God. Een karikatuur eigenlijk. God, de toornende rechter, die zonden straft en voor wie je altijd weer beducht moet zijn. Anderen denken meer aan licht en liefde, als ze zich een beeld van God vormen.

In de tekst wordt gesproken over “de liefde van de HEER”. In een oudere vertaling staat het woord “liefelijkheid”. Maar dat heeft nu toch wel een wat andere betekenis dan in de tijd van de Statenvertaling. En liefde, dat begrijpen we wél. Tenminste...Als de dichter aan God denkt, dan komt dát woord bij hem boven. Wat bedoelt de dichter met het woord, dat hier met “liefde”, “liefelijkheid” vertaald is? Laten we nauwkeurig kijken.
-----

Allereerst is duidelijk, dat God -en dus die liefde van God- erg belangrijk voor hem is. Aan de ene kant begrijp je dat niet. “De man heeft wel wat anders aan zijn hoofd”, zou je zo zeggen.

Wat is namelijk de situatie van de dichter? Daarbij nemen we aan, dat David dat is. David is ver van huis. De troon is hem beloofd, maar hij moet vluchten voor Saul. Veel en felle vijanden dus. Ook zijn ouders hebben hem verlaten. Hen heeft hij namelijk in veiligheid gebracht in het land Moab.



De dichter verlangt naar verlossing. Uiteraard! En toch staat de HERE in zijn verlangen voorop. Hij verlangt er allereerst naar om die liefde van zijn God te aanschouwen. Want hij zal ook verlossen, weet hij. Daar vertrouwt hij vast op.
Dus juist omdat hij zoveel anders aan zijn hoofd heeft, verlangt hij naar God en zijn rsuedhuis hier op aarde. Dat is zijn geheim: de HEER en de dienst van hem in het heilligdom, de tabernakel, (zie afbeelding) staan centraal in zijn leven. Dat vormt de basis van zijn bestaan. Dat maakt, dat hij telkens weer tóch het leven áán kan. Ja, de moed zakt hem wel eens in de schoenen. Dan klaagt hij zijn nood aan God. Het tweede deel van deze psalm maakt dat echt wel duidelijk.


Maar toch: door zijn band aan God is hij heldhaftig. Is hij een geloofsheld. Juist nu zijn leven zo moeilijk is, weet hij één ding. Dit: God en hoe en wie Hij is, dát heb ik nodig; dáár moet ik het van hebben. Ik kan alleen verder, omdat God voor mij zo goed, zo liefelijk, zo vol liefde is.

Ja, God trekt hem. Want hij weet van zijn liefde, die je kunt aanschouwen.
Liefde, dat is hier: vriendelijkheid, welwillende gezindheid, goedgunstigheid. Die hééft God, zegt David. Hij bedoelt: mijn God, de HERE, is vriendelijk. Hij kijkt met welgevallen naar mij.


Moet u die woorden eens in uw hand nemen en ze stuk voor stuk aan alle kanten bekijken: DE HERE HEEFT MIJ LIEF. Dat is toch onvoorstelbaar! God is vol liefde naar u en mij toe!!!

Maar nu moeten we wel even nader kijken naar dat woord "liefde". Niet, dat ik er iets aan af wil doen. Beslist niet!
Maar die liefde heeft wel een heel bepaalde kleur. Omdat het onlosmakelijk verbonden is aan het heiligdom. David verlangt één ding boven alles. En dat is: in het heiligdom, de tempel te zijn. Of eerder de voorloper daarvan, de tabernakel –een grote tent dus. Om dáár iets te aanschouwen. En aans
chouwen betekent: met vreugde bekijken.

En wat kun je in het heiligdom dan wel zien? Waar kun je je daar in verkneuteren? Nu, in de tabernakel en wat daar gebeurt is te zien, dat God goed is. David had voordien al in stille verwondering in de tabernakel gezien, dat God liefelijk is. En hij wil het dolgraag wéér zien. Met intens verlangen strekt zijn hart zich daar naar uit.


In de eredienst in de tabernakel kun je onderzoeken, zegt Ps. 27. D.w.z.: je hoofd en je hart er goed bij hebben, bij wat daar te zien en te beleven is. En dan aanschouw je Gods liefelijkheid.


Zo komen we een heel eind in de richting en gaan we dat woord begrijpen.
Want wat zie je in de tabernakeldienst gebeuren, als je met open ogen en hart kijkt? Je hoort het tempelkoor Gods lof zingen. Je ziet en hoort de priester de zegen van God op de mensen leggen. Je ziet gezinnen en families samen aan tafel zitten. En als je goed kijkt, dan zie je dat God Gastheer is. Maar je ziet allereerst en allermeest veel bloed vloeien. Het bloed van offerdieren.



Want dat is de basis: de offerdienst. Dieren, die sterven. Het bloed van stieren en bokken, dat vloeit. En als je weer met oog en hart en hoofd kijkt, dan zie je dieren sterven. En je ziet dóór en dóór zondige en schuldige ménsen leven, vrijuit gaan.

Je ziet ze aan tafel zitten met de HEER. Je ziet hen dicht bij God, terwijl Hij vriendelijk naar hen kijkt en met hen omgaat. Je ziet daarin hen beleven: ik kan bij God terecht. Ik mag met Hem omgaan als met een liefdevol Vader. En je ziet en hoort hen God loven. En je ziet hen heengaan met de zegen van hun God als heerlijke bagage bij zich.


Zó zie je de liefde van God. Dat is dus geen lievigheid, toegeeflijkheid. Basis voor de liefde is bloed, dat stroomt. Is verzoening van zonde en schuld. Liefde, gebaseerd op recht. Op voldoen van Gods eisen.


Als wij goed kijken, dan zien we als basis van Gods liefde het kruis. We zien het Lam van God, die de zonde van de wereld wegdraagt.
Gods liefde, zegt David in vs. 1, dat is licht. En licht betekent leven en vreugde. Gods liefde, dat is heil. En heil, dat is verlossing, uitredding uit de klauwen van elke vijand, de dood incluis.

Gods liefde, zie vers 5, dat is bij God onderdak zijn. Voor altijd veilig zijn en geborgen.
Nou, dat is andere koek, niet? God is niet “iets”, iets vaags, iets tussen hemel en aarde. God zorgt er n niet maar voor, dat er iets van leven na dit leven is. Nee, God is Iemand. En hij werd zichtbaar in Jezus Christus. En hij is tastbare liefde. Liefde in hoogsteigen persoon. Maar die moet je wél willen zien.
God is liefde, jongelui, broeders en zusters. Dat zie je soms, als je met hoofd en hart kijkt. Bijvoorbeeld naar je vrouw, je kinderen, je echte vrienden, die God aan je geeft. Wat is God vol liefde! Dat kan in je opkomen, als je die overweldigende –of liefelijke! - natuur bekijkt. Wat is God liefelijk, het kan bij allerlei gelegenheden en op vele momenten in je naar boven komen.


Maar hoe liefdevol God wel is, ontdek je vooral op zondag in de kerk. Als je de liturgie met hoofd en oog en oor en hart beleeft. Als je verwonderd om je heen kijkt en luistert in de eredienst.

Gods liefde, je kunt die zien en ervaren, als je samen God looft. Door te zingen, maar ook zingend naar anderen te luisteren! Als je bij monde van de voorganger ziet en hoort, hoe de grote God je in liefde begroet.


Als Hij liefelijk zegt, het fijn te vinden jou samen met anderen te ontmoeten.
Als je samen schuld belijdt en Gods genade je wordt verkondigd. Als je Gods liefdevolle aanwijzingen krijgt in zijn aanwijzingen en vermaningen. Om je leven van elke dag in goede banen te leiden.

Als zijn woord in de verkondiging naar je toe komt, om je te bemoedigen en toe te rusten.


En zo zou ik nog dóór kunnen gaan.

Zo kunnen we in de kerk in de liturgie de volmaakt goede God ontmoeten. Gelukkig, God ontmoeten kan overal, elk moment. Ons is immers de bijbel toevertrouwd? En als je daarin leest. komt God in al zijn liefde naar je toe! Maar de kérkdienst is toch voor wie daartoe in de gelegenheid en in staat is, dé tijd en plaats voor de ontmoeting met de Vader van de lieve Heiland, onze Here Jezus.

Reden, om inderdaad dat te zoeken, zoals David deed. Hij miste die eredienst heel erg. Want hij kon er niet heen. Daarom strekte hij zich er naar uit. Verlangde hij vurig, dat het weer zou kúnnen. Vandaag zijn er veel christenen die iets dergelijks ervaren: ze zijn niet in staat om de diensten te bezoeken. Of ze moeten nogal eens verstek laten gaan. En ze missen de kerkgang heel erg.



En u en jij? Zeg eens eerlijk: vind je ’t echt fijn, om naar de kerk te gaan? Misschien moet je zeggen: nee, eigenlijk niet. Span je je er dan wel echt bij in? Je moet de dienst aanschouwen, zegt David namens God. Je oren, ogen, je verstand, je hart moet er bij! En daar moet je moeite voor doen!

De kerkdienst is zó fijn. Want de God in die kerkdienst is zo boordevol liefde. Hém kun je ontmoeten! De Here Jezus is zo’n lieve Heiland. Hij komt naar ons toe, hier, nu! Hij zegt: Ik heb je zo lief! En wat is je reactie? Eén reactie past eigenlijk maar: te fluisteren: ik heb U ook zo lief. Want U bent zo goed, zelfs voor mij!

God is goed. En Hem daarom van daaruit liefde te betonen, wat is ook dát goed!

God is goed. Maar u hebt begrepen: het heeft niets te maken met lievigheid. Schipperen in je leven met de zonde, dát past niet. Juist Gods liefdebewijzen zien is een duidelijke aansporing tot levensheiliging. Want wie zou déze God nu met een slordige levenswandel pijn willen doen?


Juist wie zijn liefde ontdekte en ontbrandde in wederliefde, brandt ook van verlangen Hem te verheerlijken. Door zijn leven te versieren met goede werken. Door te vragen: “Lieve Vader, wat wilt U dat ik doe? Nu, in deze situatie, voor U, voor mijn naaste?” Want dat is déze Vader toch zeker waard?!
Amen.

Vingerw
ijzingen voor de dankzegging en gebeden:

Vergeet niet, de Here voluit te loven om zijn liefelijkheid!

Vraag om lust en kracht en moed, om Hem door slordig leven niet (weer zoveel) pijn te doen

Voorbede voor hen, die een verkeerd beeld van God hebben (meegekregen misschien) en die . misschien daarom Hem maar moeilijk kunnen liefhebben.