Posts tonen met het label Paasfeest. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Paasfeest. Alle posts tonen

woensdag, maart 28, 2007

OPSTANDING! GELOOF JIJ DAAR WAT VAN? (preek, Paasfeest)


GELOOF JIJ IN DE OPSTANDING?

“De vrouwen gingen naar buiten en vluchtten bij het graf vandaan, want ze waren bevangen door angst en schrik.” Marcus 16:8


Paasfeest!
Nieuw leven! Jezus is opgestaan! Dus: het graf is leeg. Logisch toch?
Nou, nee, logisch is wat we gedenken met Pasen niet. Bepááld niet. Er is dan ook veel ongeloof. Want het past echt niet in het beeld, dat de mens van de 21e eeuw heeft. Het strookt niet met onze logica.

Nu is er ongeloof in verschillende vorm. De één zegt: Die bijbel kan me wat! Daar kún je niets mee in het leven. Dat oude boek staat zóver bij ons vandaan. Opstanding? Ik weet wel béter! Kom me niet aan met dat sprookje, zeg! Een ander beweert: Jezus is opgestaan, jazeker! Opgestaan in de gedachten van zijn leerlingen. Hij leeft, nou en of. In de woorden van zijn volgelingen. Zo leeft Jezus. In de inspiratie, die mensen uit zijn woorden putten. Maar niet letterlijk. Hoe kom je erbij!

Maar in welke vorm ook, er is veel ongeloof. En natuurlijk wijzen we dat af.
Maar wijzélf? Nou, wij geloven het wél. We doen geen punt of komma áf van de bijbel. Máák het nou even, zeg!

Maar ik vraag:
IS het wel zo vanzelfsprekend, om te geloven, dat Jezus is opgestaan? Dat Hij wél gestorven en begraven is, dood is gewéést. Maar dat Hij nu leeft? Ik kan het best begrijpen, dat mensen buiten de kerk er geen sikkepitje van begrijpen. Het is zelfs logisch, dat ze niet geloven. Want het is toch ook een feit, dat ongelooflijk is. Letterlijk niet te geloven!

Op het eerste gezicht kijk je er heel gek tegenaan, tegen de woorden boven deze preek (onze tekst). Dat er bij de eerste getuigen geen blijdschap was. Maar grote schrik. En dat ze niet opgetogen getuigenden, althans eerst niet. Maar dat er een grote stilte viel.
Laten we even wat nader kijken naar de gebeurtenissen in de graftuin.

Daar treffen we
drie vrouwen aan. Namelijk Maria uit Magdala, Maria, de moeder van Jakobus en Salomé. En als we naar het laatste vers van het vorige hoofdstuk kijken, dan tkomen we daar dezelfde namen tegen. Daar troffen we ze op de heuvel Golgotha, waar Jezus gekruisigd werd en stierf. Daar waren zij getuigen van. Weliswaar van een afstand, maar toch.

Toen was de nacht gekomen. De volgende dag was de Sabbath. De dag van de rust. Nú was die voorbij. Nu was het zondag, zoals wij de eerste dag van de week noemen. Op deze dag waren ze in actie gekomen. En ze waren er vroeg bij. Waarschijnlijk waren ze, toen het nog donker was, op pad gegaan.

Nu was het licht
geworden. Dat hadden ze nodig, want ze waren gekomen met een doel. Namelijk om Jezus´lichaam te balsemen. Nu was dat al gebeurd, door Jozef van Arimatea en Nicodemus. Misschien wilden de vrouwen dat nog een keer doen, om hun Geliefde extra zorg en eer te bewijzen. Misschien wilden ze doen als die vrouw vóór zijn lijden: zijn hoofd zalven met welriekende olie. Als laatste eerbetoon. En om de lijkgeur wat te onderdrukken. Want het was immers al de derde dag.

Eén ding is zeker: ze komen voor het lijk, het dode lichaam. Ze komen niet voor Jezus. de Jezus van daarvoor, de levende Jezus. Die is er immers niet meer. Want wie dood is, is niet meer. Is in elk geval niet meer hier, onder de levenden.

Daarom komen ze dus,
om wat te bréngen: een stuk zorg en eerbied aan het dode lichaam, uit liefde voor Jezus. Ze komen om te géven, niet om te ontvangen. Ze zijn er niet om door Jezus getroost te worden. Niet om vreugde te beleven. Wél om een “droeve plicht” te vervullen. Namelijk de laatste eer. De állerlaatste. De finishing touch, zeg maar.

Dus is er geen blijde verrassing, daar in die mooie tuin met prachtige olijfbomen. Geen blijde gevoelens, maar verbijstering, toen in de tuin arriveerden. En zagen, dat de steen weggerold was. Een vertwijfeld zich afvragen: hoe komt dat? Wie heeft dat gedaan? Want ze kwamen voor een graf, dat geslóten was. Ja, ze moesten er wél in, maar ze verwachtten toch, dat de steen op zijn plek lag, voor de ingang.

En dat, terwijl het open graf een boodschap heeft. Het zegt: nu is de zonde weg. Nu is er leven, waar de dood koning was. Nu heeft liefde de haat overwonnen. Nee, dat komt niet op bij de Maria’s en Salomé. Bij niemand. Want zoiets is in geen mensenhart opgekomen. Omdat niemand de woorden van Jezus hierover begrepen heeft.

En als ze het graf binnen gaan, krijgen ze dan ook de schrik van haar leven. Want binnen zien ze een jonge.man, in een wit gewaad. En wit is inde bijbel de kleur van reinheid en vreugde. Dat zégt dus op zichzelf al wat. Bovendien is het een lang gewaad. Dat staat voor voornaamheid en feestelijkheid.

Als je dat leest,
krijg je al een duidelijk vermoeden, waarmee je met die jongeman te maken hebt. Maar Matteüs geeft in zijn evangelie zekerheid. Hij vertelt: het gaat om een engel.

En hij brengt een boodschap namens God. Dat is zijn taak: bode zijn van God. Hij spreekt over Jezus. Dat Hij er nog wél is. Maar dat zijn lichaam niet meer in het graf is. De vrouwen weten, dat Jezus gekruisigd is. Ze waren erbij. Wat op een afstand, maar toch. Ze weten: Hij is gestorven. En Jozef van Arimatea en Nicodemus hebben zijn lichaam in dit graf gelegd.

Ze hebben goed gekeken, zegt vers 40. Oók bij de graflegging. Wéér van afstand. Maar ze waren er getuige van. Maar de engel zegt: jazeker, maar nu is Hij uit het graf. Hij is opgewekt. God heeft zijn Zoon gewekt uit de slaap van de dood. Jezus Christus lééft!

En hun reactie? Grote schrik. Ze schrikken zich lam.

Kunt u zich dat voorstellen?
Veroordeel ze niet te gauw, hoor. Want denk je eens in: je was er BIJ, bij de wrede dood van een geliefde. Je hebt gezien, dat hij of zij doodgemarteld werd. En je was getuige van de begrafenis. En dan kom je het graf bezoeken.
En dan blijkt het graf geopend. En bij het graf tref je een jongeman aan, die wel een engel moet zijn. En die spreekt over opwekking, over leven. Zou jij daar niet ondersteboven van zijn?

De vrouwen vluchten in paniek. Ze maken benen. Ze hollen weg, zo snel als haar benen haar kunnen dragen. Naar huis. En de opdracht, om de leerlingen te vertellen, dat Jezus leeft, die vergeten ze. Ze denken er niet over, om dat te doen. Tenminste, de eerste tijd. Ze zijn verlamd van schrik. Bang zijn ze, en in de war.


We hebben de neiging,
te zeggen: dat valt bitter tegen! Die vrouwen kénnen Jezus toch? Ze hebben hem vaak ontmoet. Ze reisden misschien wel met Hem mee. Ze hebben alles meegemaakt, of van dichtbij gehoord. Al zijn wonderen. En al zijn wóórden. En Hij heeft er toch over gesproken, meerdere keren. Over zijn dood EN Opstanding. En dan dit?

Ja, dat is ook wel zo. Maar… Wij weten nog weer veel meer. We staan eeuwen áchter het feit van de Opstanding. We kunnen Jezus niet in levende lijve ontmoeten. Maar we hebben wél de hele bijbel. Ook de brieven van de apostelen, de ooggetuigen van de Opstanding van onze Heiland. En hoe reageren wij, vandaag?

Er is veel ongeloof om ons heen. En als we eerlijk zijn: ook IN ons. In de kerk, in de gemeente. Maar ook in ons eigen hart. Trouwens, wie kan ook geloven, DIT geloven?
Er zijn mensen,
jong én oud, die zeggen: Ik kan dat niet. Ik wil wel, maar zoiets kán ik niet geloven. En misschien zeg je wel: ik kan helemáál niet geloven.
Is dat wáár? Geloven, kán dat niet? Het kan wél. JIJ, U kunt het wel. Want er is iemand, die het geloof héél graag wil géven.

Hoe gá je geloven? Hoe ga je iets, dat letterlijk ongelooflijk is, aanvaarden? Wie sleept je binnen, door de woedende golven van dit enorme wonder van God? Wie brengt je door de branding van de onmogelijke gebeurtenis van leven door de dood heen? Wie brengt je levensschip in de veilige haven van het geloof? Van het leven vanuit de Opstanding, dat is: het LEVEN (met hoofdletters)?

Dát zijn belangrijke vragen. Dát is de hamvraag! Dat is van levensbelang, jawel!

Wie doet dat,
je tot geloven brengen? Doen dat die getuigen van toen? Het Evangelie zegt, dat het zo niet gaat. Lees het hoofdstuk thuis maar eens uit.

Maria uit Magdala geloofde, ja, maar nadat Jezus haar verschenen was. Maar de apostelen geloofden haar niet. Pas toen de Levende in hun midden kwam, pas tóen kwamen ze tot geloven in de Opstanding. Pas toen ze Hem zágen, met eigen ogen.

Hoe kom je tot geloven ZONDER te zien? Nou, God zélf moet je zover brengen. Dat deed hij toen door Jezus. En NU door de Heilige Geest. Doordat Hij spreekt namens de Vader en de Zoon. Doordat Hij spreekt door de boodschap van de bijbel. En brengt die boodschap en de betrouwbaarheid ervan, in je hart.

Je hoeft je alleen dat cadeau láten geven. Dit geschenk aanvaarden. Gewoon dat Hem vrágen, dát is de manier. Bij het kúnnen geloven ligt het probleem niet. Maar: ben je er zeker van, dat je dat geschenk WILT?

Mensen kunnen
je gouden bergen beloven. Er zijn oplichters, die aanlokkelijke beloften doen. En ze hebben altijd weer klandizie. En verzekeringen maken je wijs, dat je zómaar veel geld kunt lenen. En dan kun je leven als een prins. Want je kunt kopen, wat je wilt. Maar je belandt diep in de schuld En de loverboy belooft een meisje de zevende hemel. Maar hij pakt een meisje haar jeugd af.
Nee, dat wordt een grote teleurstelling. De “Stairway to heaven” kan zelfs een trip naar de hel worden. Een enkele reis naar de ondergang. Je wordt slááf, door zulke mensen zomaar te geloven.

Maar God geeft wérkelijk de hemel, straks, na je leven. En nu. Want op die enkele reis naar de hemel is Hij er BIJ. En de bestemming zéker! De Opgestane zélf staat er garant voor!

Amen.

Suggesties voor de dienst van de gebeden



Stem onze harten op de toonhoogte van de Paasvreugde; geef verwondering en verrassing in onze harten over zóveel goeds.
Geef ons geloof om het ongelooflijke te aanvaarden
Voorbede voor hen, die afhaken, omdat ze menen, niet te kúnnen geloven; leer hun te wíllen, zich dat geschenk te láten geven.
Voorbede voor mensen, die gevangen zitten, in de ketens van loverboys en pooiers, verslaving e.d.
Prijs God om wat Hij in Jezus gegeven heeft. Prijs de Zoon, omdat Hij door zich over te geven overwonnen heeft. Prijs de Geest, die ons wil dóen geloven!

Voorstel voor een orde van dienst:

Eventueel vooraf Opwekking 213 U zij de glorie, of Zingende Gezegend 155
Na votum en groet Gez. 214 vers 1,2,3

(in ochtenddienst: als schuldbelijdenis: zingen Ps. 25:5
als woord van vergeving: zingen: Ps. 25:4
Gods wil: Efeze 6 :10-18
zingen: Ps. 25:6)

Gebed
Schriftlezing: Marcus 16:1-8
Gez. 207:1,2,10,11,12 of Zingende Gezegend 154
Preek
Gez. 215

Slot: Gez. 222
(maart 2007)

woensdag, maart 29, 2006

LEUK, LOL - OF VREUGDE ? (preek)

LEUK IN DE ALLESOVERTREFFENDE TRAP

“Zij die de HEER heeft bevrijd, keren terug.
Jubelend komen zij naar Sion,
gekroond met eeuwige vreugde.” Jes. 35:10

“Leuk” is in de mode.
Alles moet leuk zijn. Als iets leuk is, dán is het goed. En als iets niet leuk is, dan moet je er mee ophouden. Dat geldt voor bijna alles. Als je “op judo” bent en je vindt het niet meer leuk, dan káp je er toch mee? Als een bepaalde studierichting na een paar jaar je toch niet bevalt, dan stap je toch over? Naar een studierichting, die je wél leuk lijkt. En als je relatie, je huwelijk niet meer leuk is, dan stap je er toch uit?

Nee, je moet niets doen wat niet leuk is. Je moet er plezier aan beleven. Je moet er lol in hebben. Zo wordt door veel mensen tegenwoordig geredeneerd. En het gevaar is groot, dat kinderen ook met deze levenshouding opgevoed worden. Dat mét de pap ook dit begrip van “leukheid” de mond en zo het mensje binnen gaat.

Maar ja, niet alles is leuk, helaas.
Het leven zélf is soms vérre van leuk. En bepaalde dingen in het leven van ieder mens zijn niet leuk. Maar dat wil niet zeggen, dat je daar dan altijd onderuit kunt. Soms moet je er wat van máken. Moet je je best doen, er tóch wat goeds van te maken . Of een zo goed mógelijk iets.

Leuk, een populair begrip.
Het woord vreugde
hoor je veel minder. Dat is een ondertussen verouderd begrip. Het is ook van een andere orde. Het is méér. Het gaat veel dieper. Het is ook veel scháárser. Want lol is vaak goedkoop. Lol kun je máken. Je kunt zelfs lol trappen. En lol maken, door een ander pijn te doen, schade te berokkenen. Ja, lol kun je altijd en overal zélf maken. Maar vreugde, die moet je eigenlijk krijgen. En omdat we uit onszelf niet zo gul zijn, is vreugde een schaars artikel.

Boven deze preek staan woorden, die daarentegen uitbundig zijn. Het gaat over “jubelen”. En er is sprake van “eeuwige vreugde”. Nou moe! Dát is me wat! Dáár kun je het mee doen! Dáár gá je toch voor? Ja? U ook? En jij? Lees dan vooral verder.


Het boek Jesaja
is in de bijbel mooi om te lezen. Het begint niet zo fraai. Met aankondiging van oordelen. Israël wacht de ballingschap. Maar al snel slaat de profeet een ander akkoord aan. En gaat hij spreken over bevrijding van de banden, waar de verbanning naar Babel van spreken. Er komt een terugkeer naar het eigen land. En naar “de” eigen stad: Jeruzalem, ook wel Sion genoemd.

Nou en dan gaan alle registers open, hoor! Over de terugreis, van Babel naar Sion. Die wordt op zichzelf al één groot feest! Ze maken de reis al jubelend. Ja, want de woestijn, waar ze door moeten, verandert in één groene en kleurige planten- en bloemenzee. Jonge, jonge, wat zijn ze blij, ook onderweg al! Ja, want ze zijn vrij! De HEER heeft de zijnen bevrijd.

Eigenlijk staat er:
de vrijgekochten
keren terug. Het benodigde losgeld is betaald. In die tijd dacht men dan aan het losgeld, dat een slaaf moest betalen, om vrij man, vrij mens, echt mens, te worden. Wij denken nu eerder aan een ontvoering en het losgeld, dat in die situatie voor vrijheid, voor weer echt leven, op tafel moet komen.

Ja, het volk gaat weer echt léven. Het is ook gelouterd, gezuiverd, daar in Babel. Het wandelt nu op de paden van het verbond. Het leeft nu, zoals God dat bedoeld heeft. Nou, en dat is fijn. Dan ben je blij. En niet zo’n klein beetje ook! Dan kun je jubelen van vreugde!

Zeker, want je zat in de nesten. Je wás als volk ten dode opgeschreven. Maar je komt terug. Je staat eigenlijk op uit de dood. Dát is lachen! Dat is niet maar leuk. Dat overstijgt lol vérre. Dat is leuk tot de duizendste macht!

De reizigers,
de repatrianten, ze nemen die jubel gráág mee. Ze drágen die fier op hun hoofd. Ze zijn gekróónd met vreugde, staat er. Kijk, in die cultuur kon je ook stof op je hoofd hebben. Dat was teken van rouw. Zo draagt de boodschapper, die de nederlaag van het leger en de dood van koning Saul aan David meldt, stof op het hoofd. Ik ben diep in de rouw, betekende dat.

Zo was het volk Israël in de ballingschap eveneens in de rouw. Ze hadden alle moed verloren. Ze hadden er totaal geen vertrouwen meer in, dat het ooit ook maar iets zou worden. Ze deden niets anders dan zuchten en steunen en kermen. Maar nu zijn de rollen totaal omgedraaid.. Nu zijn ze dolblij en ingelukkig. Ze lopen te huppelen en te springen, te jubelen en te juichen.

In plaats van as heeft het volk nu een kroon van vreugde op het hoofd. Ze zijn door de vreugde, die God gegeven heeft tot koningen en koninginnen gemaakt. Wát een verandering! Net als de woestijn na een overvloedige regenval.. Van dorre vlakte tot paradijs omgetoverd, beter: omgeschapen.

Ja, het volk keert terug
naar zijn land. Want God heeft er nog grote plannen mee. Plannen, die betekenis voor altijd, voor eeuwig hebben. Waar je dus eeuwig vreugde aan kunt beleven. Nou, dat moet me toch wat zijn, dacht je niet?

We zien die reizigers op weg naar hun stad, Gods stad, Sion. En we vragen ons af: waarom die vreugde voor eeuwig? Waar moet ik nou aan denken bij deze diepzinnige, zwaarbeladen woorden van deze profeet?

Nou ja, eerst maar dicht bij huis blijven. De reizigers kwamen in Jeruzalem aan. En uiteindelijk werd het weer wat met die stad. Er kwam zelfs een tempel, de tempel van Herodes. Daar werden weer offers gebracht. Ja, reden tot vreugde. Een vrome Israëliet kon zich daar intens over verheugen: zomaar omgaan met die grote, Heilige God…

Maar ééuwige vreugde?
Dan kunnen wij nu dieper in die plannen van God kijken. En we horen engelen jubelen in de velden van Efratha. En we horen Simeon zingen, en Maria, en Zacharias. En we zien de herders terugkeren naar hun kudde, en onderweg, gekroond met vreugde, God loven.

En we weten, dat Kerstfeest bepaald het eindpunt niet was. Het werd Goede Vrijdag, de droevige én blijde dag van Jezus’ dood. Toen Hij de zonden wegnam. Ze wegwaste met zijn bloed. En het werd Paasfeest. De dag waarop bleek, dat de dood overwonnen is. Dat die allen die aan de Heer Jezus vastgebonden zijn, geen werkelijke schade meer kan toebrengen.

En zo zien we reizigers onderweg naar Sion, naar de gouden stad met poorten, ingelegd met parels.
En we zien de reizigers arriveren.
De reizigers, die gekroond zijn met vreugde. De reis was niet altijd even gemakkelijk. Sommigen vooral kregen het moeilijk. De feestvreugde straalde er soms bepááld niet van af. En er waren tijden, dat er geregeld klaagzangen gezongen moesten worden. En er van jubelen geen spaan terecht kwam.

Maar ze wisten tóch, althans ze kónden het weten: we worden gedragen. En soms mérkten ze dat ook. En dan was het gejubel niet van de lucht! Dan stond er geen maat op hun vreugde. En ook in verdriet en pijn bleef heel diep van binnen de grondtoon van vreugde. Nee, leuk was het niet altijd op de weg door het leven. Maar er was wél reden tot vreugde van binnen. Want ze wisten óók van de Toekomst.

En dan komen ze áán.
Een moeilijke reis. Maar een behouden aankomst. En dan zien we, kijkend door de bril van de bijbel en het geloof: het nieuwe Jeruzalem, neerdalend op een nieuwe aarde. Nee, we zien het niet scherp. We lezen in de bijbel hiervoor alleen maar beelden. Het échte, de ware werkelijkheid blijft voor ons verborgen. Maar die kómt!

En we weten (vers 10b): gejuich en vreugde trekken de stad binnen. En gejammer en verdriet vluchten eruit weg.

Openbaring,
het laatste bijbelboek, zegt van de heilige stad, die neergedaald is: God woont bij de mensen. En Hij zal alle tranen uit hun ogen wissen. Er zal geen dood meer zijn, geen rouw, geen jammerklacht, geen pijn.

Kijk, dat is hier al onvoorstelbaar. Dat is nu op aarde en in ons leven dagelijkse kost: gejammer en verdriet. En dat andere is hier heel schaars en altijd verdund en gemengd aanwezig: gejuich en vreugde. Omdat hier die valse grote vijand nog zoveel vernielt en verstoort. Om te janken, inderdaad!

Maar dáár en dán
is het gejuich niet van de lucht. En dan is er alléén maar pure vreugde.
En dát kunnen we ons al helemáál niet voorstellen! Want lol is zó gemáákt. Maar ook weer zó verdwenen. De momenten van echte vreugde van binnen zijn schaars. En ze duren meestal wel héél erg kort. Maar vreugde, echte, die van binnen naar buiten straalt en die nooit overgaat? Nergens te pakken! Nog niet voor een miljoen te koop! Die is alleen maar te krijgen, gratis en voor niks.

En die ligt te wachten op die reizigers. Bent u één van hen? Ben jij op weg naar Sion?

Die reizigers zijn de mensen,
die God kennen.
En die wandelen op zijn weg. Op de weg, die Hij gebaand heeft. Die Hij tot stand gebracht heeft in Jezus, zijn Zoon. Dus zijn die reizigers, die straks in de stad, die van de hemel gekomen is, wel erg gék met die Jezus! Of dacht je van niet? Ik weet zéker van wél!

Want die mensen weten: zonder Hem is het niks en wordt het niks. Is er nu geen vreugde te beleven. En nooit. Voor eeuwig niet. Dus is voor hen Pasen wel heel erg belangrijk. Voor hen is de Heiland alles! Want door Hem is er toekomst. Een toekomst propvol vreugde!

Vreugde.
Nu nog een zaak van momenten. En bedorven door van alles en nog wat: door je ellendige situatie, door die ander, die het voor je verknalt met één of andere opmerking., door je eigen zonden en kleingeloof. Soms is een bepaald traject van je levensweg echt een lijdensweg. En altijd zijn er schaduwen, ook als de zon schijnt.
En dat geldt zéker ook voor gelovigen. Voor mensen, die van de Heer Jezus houden. Dan komen er even goed ellendige dingen in je leven. Soms juist nog wel méér. Omdat je dan je gaat afvragen: hoe is dit te rijmen met de liefde van mijn Vader en mijn Heiland?

Nee, rozen hebben doornen.
De vreugde straalt niet altijd van je gezicht. Maar dán is de reis hier volbracht. En dan is er eeuwige, ongestoorde vreugde. Maar die begint al hier en nu. Zoals je onderweg naar je vakantiebestemmming al voorpret kunt hebben en kunt genieten van wat je wacht. Zo zijn Gods kinderen vol vreugde om de thuiskomst in het Vaderhuis straks.

Voelt u dat ook wel eens? Nee, niet altijd. Nu hebben we hier onze taak. En die mogen we vervullen, gedragen door die diepe, innerlijke vreugde. Want we zijn vrijgekocht van zonde en dood. Het losgeld is betaald. Sion verwacht ons. God wacht op ons. En de Heer Jezus draagt ons straks in zijn armen Sion binnen. Ja echt, wát een vreugde!

Amen.

-----
Handreiking voor de dienst der gebeden:

Dank aan Jezus, die het losgeld heeft betaald. Een hoge prijs. Vrij om Hem te dienen;
Voorbede voor wie zó’n prijs niet achten en deze vrijheid verwerpen. Breng ze tot inkeer. En zegen alle werk, dat daarvoor wordt gedaan.
Voorbede voor hen die genoeg hebben aan lol.
Voor die snakken naar vreugde, maar die op verkeerde adressen zoeken
Doe ieder van ons delen in de verlossing, die Jezus tot stand bracht.
We reizen naar Sion; geef ons vreugde onderweg.
Soms is onze weg een lijdensweg; help ons, wees bij ons, draag ons.
Help ons de moeiten blijmoedig te dragen. Houd ons oog op de Toekomst gericht.
Help ons, de Heiland nog mer lief te hebben.

-----
Mogelijke orde van dienst:

Eventueel vooraf (intochtslied): Ps. 84:1,2
Na votum en groet: Ps. 84:3,4
[In ochtenddienst: als schuldbelijdenis zingen Gez. 435 : 4
Lezen: Hos. 14:5,6
Zingen: Gez. 436:5
Gods wil: Deut. 5 en Gal. 6:1,2
Zingen: Gez. 437:2 ]
(op plaatje: Sinaí, Horeb, berg wetgeving)

Schriftlezing O.T.: Jes. 35
Zingen: Ps. 87
Schriftlezing N.T.: Openbaring 21:1-4
Zingen: Gez. 288:1,4,8
Preek over Jes. 35:10
Zingen Gez. 265:1,2,3
Gebeden
Collecten
Zingen: Gez, 441:2, 6 ( middagdienst: Lezen Geloofsbelijdenis) en 11


(maart/april '06)