dinsdag, oktober 23, 2012

Er zijn...geen wachtenden vóór u (preek Lucas 9:11)


Er zijn … géén wachtenden voor u, zegt Jezus!
(preek over Lucas 9:11)

 

“…en Hij ontving hen vriendelijk…”  Luc. 9 : 11
 

Dat overkomt ons allemaal wel eens, té vaak naar onze smaak: je belt een bepaalde instantie. En je krijgt te horen: “Er zijn zoveel wachtenden vóór u” . Zuchtend ga je zitten, want dat zal wel even duren, vrees je.  
mobieltje néémt tijd
En heb je dit ook wel eens? Je belt iemand, want je wilt even met hem of haar praten. Maar je krijgt te horen: “Ik kan momenteel niet aan de telefoon komen. Spreek je boodschap in, ik bel je later terug”.  Maar je wilt niet iets inspreken,  nee, je wilt contact, op dit moment. Je wilt, dat die ander tijd voor je heeft, tijd aan je geeft.

Au!, daar leg je de vinger op de zere plek. Tijd, die hebben we vaak niet. We hebben eigenlijk geen tijd voor een ander. Wél voor je Nintendo,  je laptop, je mobieltje, ga maar door. Die slurpen onze tijd op, zie je. En daarom hebben we zo”n haast. “Opzij, opzij, opzij! Maak plaats, maak plaats, maak plaats, we hebben ongelofelijke haast”. We moeten dit, we moeten dat. We komen alleen maar tijd te kort. Nee, geen tijd voor de ander.
En dat is gevaarlijk. Lévensgevaar dreigt, als mensen signalen afgeven, die niet opgevangen worden! Ja, dat kan letterlijk een mensenleven kosten!

En Jezus? Dat is een heel ander verhaal!
Is het bij Hem ánders? Maar Hij had en heeft het toch smóórdruk? Kijk maar naar zijn situatie in Lucas 9.
Johannes de Doper
Allereerst: Jezus heeft net bericht ontvangen van de gewelddadige dood van Johannes de Doper, zijn voorloper. Wat erg: je wegbereider, dood. Vermoord!  Dat raakt je toch wel heel diep! Dan moet je even alleen zijn. Want dat moet best even bezinken, in alle rust, vindt u niet? Tegenwoordig zou je zeggen: tijd voor een midweekje op een stille plek. Even er tussen uit, alleen. Tot jezelf komen.

Maar dan komen de leerlingen terug van het uitvoeren van een zware opdracht. In dienst van de verkondiging van het Rijk. Een belangrijke Evangelisatie-campagne, zeg maar. Jezus zelf heeft ze op pad gestuurd. Nu komen ze terug.
eenzame plaats...
Tijd om grondig samen te evalueren toch? En samen met hen samen zijn. Even samen recreëren, zou je zo denken. Even op adem komen!
Dat was de bedoeling ook. Maar als ze dan aan de overkant van het meer van Galilea –een eenzaam gebied- komen, dan staan de mensen al weer te wachten.

En…Hij ontving hen. Kijk, Hij had met recht kunnen zeggen: “Nou even niet, lieve mensen. Morgen zijn jullie de eersten. Ik moet nu iets anders voor mijn zender, de Vader, doen”. Nee. Jezus ontvangt dat grote aantal mensen. Vers 14 noemt een aantal: circa 5000. “Hij ontving hen  vriendelijk”, staat er.  Niets  van teleurstelling te merken, van irritatie  of iets dergelijks. Ja, er staat wél een ander woord: vriendelijk.
In andere vertalingen kom je dat woord hier niet tegen. Waar haalt deze vertaling (de NBV) dat woord dan vandaan?
Nou kan ik een klein beetje het Grieks lezen, de taal waarin het tweede deel van de bijbel, het Nieuwe Testament geschreven is. En daar staat voor “ontvangen”  een woord, dat “aannemen” of “opnemen” betekent. En daar zit iets van gastvrijheid in. Jezus neemt die mensen aan, Hij neemt hen op. Jezus maakt ruimte voor hen. Ruimte niet alleen in de vorm van tijd. Nee, Hij maakt ruimte voor hen in zijn leven.
Er blijkt overduidelijk een ding: dat Jezus de mensen in zijn hart heeft gesloten. Nee, dit is niet maar beleefdheid. Dit is meer, veel meer, onmenselijk veel meer. Zijn hart staat wagenwijd open voor die mensen.

En weet u: het zijn zoekende mensen. Die mensen, ze hebben het niet. Ze weten het niet meer. Ze zijn de weg helemaal kwijt. Ze zijn als een kudde schapen, waarvan de herder weggelopen is. Omdat de herders, de geestelijke leiders het laten afweten. Ze zijn verleiders.

kudde schapen
De herders voeren het volk, de aan hen toevertrouwde kudde, op de verkeerde weg. Een pad, dat niet naar grasvelden leidt. Integendeel.

Je moet weten: wetgeleerden gaven toen onderwijs in de heilige geschriften.  Ze waren de grote kenners van de Schriften, het Oude Testament  Zij waren DE autoriteiten op dat gebied. En zij leerden de “gewone man”,  hoe hij volgens die voorschriften moest leven. Hoe je leven in overeenstemming was  de wil van God. En hoe je zo rechtvaardig was,  God dus recht in de ogen kon kijken.
...hoge muur...
En je aan die voorschriften houden, daar kwam heel wat voor kijken, geloof maar van yes. Want die leiders namen bij de uitleg van de wet van God geen enkel risico. Daarom hadden ze rondom die wet een flink hoge muur gebouwd. Een soort ijzeren gordijn met een breed mijnenveld eromheen.
Daarom waren er veel meer bepalingen dan die God had gegeven, bijvoorbeeld over de sabbat, over wat onrein was en ga zo maar door. Allemaal weten en bepalingen en voorschriften. Om duizelig van te worden! Erger nog: om heel erg moedeloos van te worden. En om doodmoe van te worden. 
zwaar
Zo ziet Jezus  al die mensen dan ook: die herderloze schapen: als vermoeide mensen met een groot en zwaar pak op de rug, voortstrompelend, voetje voor voetje, wankelend, vallend, zittend aan de kant van de weg.
Ze wlden zo graag rust, zie je. Ze wilden zo graag bij God zijn. Maar de weg erheen was zo lang, zo zwaar. Hoe zouden ze die kunnen aflopen en ooit bij God terecht kunnen komen!
Zulke mensen, duizenden, minstens 5000, komen naar Jezus toe. Wéér, want ze waren bij Hem, luisterden naar Hem. Ze zogen zijn woorden, zoals een droge spons water. Zoals droge grond het water gulzig indrinkt. ant ze hebben bij Jezus heel wat ánders gehoord dan wat ze gewend waren van de leraars. Die kwamen alleen aandragen met manden vol wetten, bepalingen, voorschriften, opdrachten. Terwijl ze al zo moe waren.

...zwaarbeladen...
Jezus kwam met een blijde boodschap. “Kom maar naar mij toe, als je zo moe bent. Kom maar met je pak aan geboden en verboden. Kom maar, leg maar neer aan mijn voeten. Ik geef je wat anders: rust. Ik open de weg naar God. Ik BEN de weg naar de Vader. Kom maar, allemaal. Je hoeft niet aan allerlei voorwaarden te voldoen. Alleen maar komen met je dorst en je honger. Vertrouw je toe aan mij. Ik geef rust en vrede. Ik breng je bij de Vader”.
Dat was ándere taal, klare taal. Die hadden ze gehoord. En dat smaakte naar méér. En om meer daarvan te horen, daarvoor hadden ze die lange voettocht om het meer van Gallilea heen gemaakt.

 

verlossing daagt
De Heiland ziet ze aankomen. Hij wéét , hoe moe ze zijn. Hij weet van hun honger en dorst naar het blijde evangelie, de goede boodschap. Hij weet, hoe ze ernaar snakken, hun zware pak af te leggen. Zoals soldaten na een lange speedmars met volle bepakking de riemen losmaakt, zijn bepakking afgooit en op zijn brits neerploft. “Hè hé, eindelijk!”

Jezus ziet die arme sloebers en tobbers, die vermoeide, bepakte, hongerige en dorstige mensen komen. Arme schapen zonder herder!  En zijn herdershart wordt bewogen. Hij is immers de GOEDE herder? Hij stuurt ze niet terug. Dat kan Hij niet over zijn hart verkrijgen, weet je.

“Hij ontving hen”. Niet maar uit beleefdheid. “Hij ontving hen vriendelijk”. Niet maar omdat Hij vriendelijk was, een hartelijk, warm mens. 

Nee, er is een diepere reden voor. Jerzus heeft hárt voor de mensen. Want dat hart is een bijzonder hart, uniek. Het is het hart van de Verlosser, gekomen om mensen te redden. Om ze van hun lasten af te helpen. Ze te verlossen van hun honger en dorst. Ze te bevrijden van hun zonden en de gevolgen daarvan: hun schuldgevoel, verlatenheid, angst.

 
Hij ontving hen vriendelijk. Zó is Jezus, ziet u! Of Hij geen behoefte had om na de dood van Johannes de Doper met zijn Vader alleen te zijn? Of Hij niet erg moe was van al die mensen, van dat praten, genezen, helen? Natuurlijk! Hij was ook volop mens, vast en zeker.

Maar Hij was als Zoon van God gekomen met de opdracht, er namens de Vader te zijn voor de mensen, altijd. 
...alle tijd...
Daarom heeft Hij de tijd, ALLE tijd.






Ook vandaag nog, lieve mensen. Ook voor u en jou.

Heeft Hij dan geen haast? O ja, Hij heeft veel te doen: het grote werk, dat de Vader hem opdroeg. Hij had redenen te over om te zeggen: “Nou even niet, kom later maar terug”.

Maar dat wil Hij niet. Hij heeft de tijd, letterlijk. Hij beschikt over de tijd als Zoon van God. En Hij máákt tijd voor mensen in nood. Altijd, hoe dan ook.

Jezus heeft geen secretaresse, die de afspraken regelt. Er is geen sprake van een wachtlijst van zoveel maanden of weken. De Heiland houdt geen spreekuur van een paar uur per dag. Nooit heeft Hij belet. Hij hoeft niet de agenda te trekken voor een afspraak “later”.  Het komt bij Hem nooit ongelegen. Hij heeft altijd meteen tijd voor je. Voor iedereen. Maar ook voor mij en voor jou. Voor iedereen, die hem nodig heeft. En naar hem toe gaat met al zijn zorgen en problemen. En het grootste probleem is: de zonde en alles wat daarvan het gevolg is en daar mee te maken heeft. 

En als je dat alles als een last ervaart, er onder gebukt gaat, heeft Hij tijd voor je. Dan moet je daar wél gebruik van maken. Hij wacht op jou. Hij wil je helpen. Hij ontvangt je vriendelijk.

Jezus klopt...
Je mag het zelfs sterker zeggen. Hij komt naar je toe. Nu, op dit moment. Nu je dit leest of hoort lezen. Hij klopt op de deur van je trommelvlies. Op de poort van je hart, de kern van je leven. Hij wil je zeggen, je laten zien en voelen, dat Hij er is, vriendelijk, open. Dat Hij ruimte heeft voor jou en je problemen. Omdat Hij hart voor je heeft. EenVerlossershart. Een hart vol priesterlijke bewogenheid. Daarom wil Hij ook jou altijd helpen.

 

En weet je, dan krijg jij ook een ander hart. En daaruit stroomt dan óók bewogenheid. De drang, om mensen in nood te helpen, wanneer je kunt. Dan zeg jij ook minder vaak: “Morgen, hoor. Dán help ik je". Dan geef je minder vaak “niet thuis”, het antwoordapparaat, uitstel, dat vaak afstel betekent. Dan duren ook jouw dagen nog steeds 24 uur. Maar toch zeg je minder vaak: geen tijd. Dan ga je wat lijken op Jezus, zie je.

 

En dat zal mensen om je heen vast niet spijten!

Amen.
 -------------
 

 Voorstel voor een orde van dienst:
Vooraf Gez. 409 : 1,4,5,
Aanvangslied: Gez. 330 : 1,2
[in ochtenddienst: Samenvatting van de wet, Matt.2:35-40
 zingen: Ps. 25:5
 Verkondiging van vergeving: Lezen Psalmen 86:3-5
 zingen Ps.25:3
 De 10 woorden uit Deut. 5
 zingen: Ps. 25 : 2]
Gebed
Lezing: Lucas 9 : 1-11
Zingen: Ps. 72:1,4
Preek over Lucas 9 : 11 ged.
Zingen: Zingende Gezegend 72 : 1,4
Gebed
[middag/avonddienst: geloofsbelijdenis door zingen van Gez.100 uit "Voorzichtig Licht*]
In eerste/ochtenddienst: Zingende Gezegend 299 
--------
*)Voorzichtig licht, liederen van A.F.Troost, lied 100
      melodie: gezang 460

1. Ik geloof, dat God mijn Vader,
    bron van al het goede is,
    die van hemel en van aarde
    schepper, herder, hoeder is.
    Hij zal weiden, mede-lijden
    teder als een moeder is.

    2. Ik geloof dat Jezus Heer is,
        die zachtmoedig binnenrijdt,
        aan wie alle dank en eer is:
        zaad, tot ondergang bereid -
        opgestaan en opgevaren
        keert Hij weer in heerlijkheid.

       3. Ik geloof: de Geest, de Trooster,
           en één kerk, de ware bruid,
           de vergeving van de zonden,
           paaslicht dat ons graf ontsluit -
           eeuwig samen zing ik: Amen,
           roep ik, God, uw glorie uit!

vrijdag, oktober 12, 2012

Herfstdepressie? Maar... 1 Petrus 1:25 (meditatie)

HERFSTDEPRESSIE?  MAAR... (meditatie)

“maar het woord van de Heer blijft eeuwig bestaan.” 1 Petrus 1:25

Herfst! Dat betekent korte dagen, lange nachten.  En  lange avonden ook. “Gezellig!”, zeg je? Jazeker. Maar als je nou geen “gezel” (meer) hébt? 
Als je alleen bent. Als je oud en eenzaam bent. Dan lijkt dés te meer in de herfst alles triest en donker om je heen.
Lange nachten. "Fijn, kun je vroeg naar bed. Lekker bijslapen!" O.K, maar als je nu niet kunt slapen? Als je maar ligt te woelen en er sombere gedachten zijn, al die uren?
dreigende lucht
Korte dagen. En ook nog vol somberheid. Dreigende luchten vol donkere wolkeen. Die voortvliegen boven je hoofd, gedreven door een harde, gure wind.
En al het mooie van de zomer is weg. Bladeren vallen en waaien weg. Bloemen zijn bijna allemaal verdwenen.
Alles spreekt van vergankelijkheid. Ja, het hoge woord moet er maar uit: het spreekt van verderf, van ondergang, van de dood. Niets en niemand is hier blijvend.
depressief...
Wat een somberheid, niet? Mensen mensen, als je al niet depri wás, zou je het als je dááraan  denkt, wel worden!

 Petrus wist het ook al. Hij schrijft aan mensen, die zijn gaan geloven in Christus en dus christenen heten.  Maar ja, ik weet net zo goed als jij, dat christenen lang niet altijd ZIJN wie en zoals ze HETEN. Misschien is dat
jouw probleem wel met geloven. Word je dáárom weerhouden, christen te worden.
Nou kun je natuurlijk zeggen: christenen zijn ook maar mensen. Zwakke mensen en zo. En ja, dat kan ik niet ontkennen. Dat wist Peterus uit zijn eigen leven ook, nou en of! Maar dat kan ook als smoesje gebruikt worden, weet je. Want als je echt christen
wordt, dan word je een ander, een nieuw mens. En een nieuw mens kan natuurlijk niet op de oude voet leven. Dan komt er een nieuw leven. Dat is zo zeker als 2+2 vier is.
Bijbel kompas
Dáár heeft de leerling van Jezus het over. Over het nieuwe leven, dat leven is vanuit en naar de Bijbel. Leven met de bijbel als richtsnoer. Met de woorden van Jezus als leidraad. Leven geleid door de Geest van Christus

En als hij het geweldige van de boodschap van God voor mensen wil aangeven, dan haalt hij een woord aan uit het eerste deel van de bijbel, het Oude Testament. Een woord, door God gesproken via de mond van van een profeet. En dat is een bode, een boodschapper van God. Jesaja was zijn naam.
ballingschap
Die sprak in een tijd, waarin het voor het volk van God, Israel,
wel heel erg moeilijk was. Het was zelfs in ballingschap, ver weg naar Babel, weggevoerd.Daar had dat volk het zelf naar
gemaakt, o ja. Maar er waren wél beloften die God gedaan had. Alleen was er een groot probleem: ze leken mooi, maar bleken krachteloos en dus waardeloos.

De profeet hoort die geluiden óók. En hij moet erkennen: Ja, zo lijkt het wél.  Het gras verdort, de bloem valt af. Door invloed van de weersomstandigheden.  Alleen gaat het daar niet over  de herfst, maar over zengende zon en  de schroeiende wind. Maar in beide gevallen blijkt: niets is tegen tijden en weersinvloeden bestand. Niets is hier blijvend. Alles vergaat, hoe mooi ook.
herfst...
Klopt als een zwerende vinger. Dat geldt voor bloemen. Dat geldt voor alles. Deprimerend, niet? Er is hier niets, wat blijvend houvast biedt. Waar je aan vast kunt klampen, ook als het er echt op aan komt. Als niemand je echt kan geven, wat nodig is. Als je leven er mee gemoeid is. Nee. Maar…

vaste rots...
Maar God is er óók nog! Ook dán . Hij is er. En zijn beloften zijn er. Gods woord is tegen alles en iedereen bestand. Zijn beloften verroesten en vermolmen niet. O nee! Ze blijven. Ze zijn vuurvast, bieden altijd houvast. Je mag ze vastpakken. “Heer, U hebt toch
zelf gezegd:  Ik ben bij je, altijd. Hou me dan vast, nu er niets en niemand meer is die me houvast kan geven. Hou me vast, tot in en tot door de dood heen”. Een goed gebed, als je depri bent. Dát geeft houvast! Want HIJ biedt houvast, letterlijk blijvend, altijd!  Zélfs als jij dat niet meer kunt weten, omdat je helemaal de koers kwijt bent. Wat een troost!
Want Christus is de vaste Rots van mijn behoud!

Bidden: (uit "Voorzichtig Licht" van André F. Troost)





 



 
 

maandag, september 10, 2012

GODS OOGAPPEL? ZEKER WETEN! (preek over Psalm 17:8)


GODS OOGAPPEL?  ZEKER WETEN! (preek)
 "Behoed mij als de appel van uw oog..." Psalm 17:8
ik wil ze allemáál...
“Kinderen die vragen worden overgeslagen”. Zo luidt een oud (ouderwets misschien?) spreekwoord. Ouders leren hun kinderen, -althans, dat hoop ik voor die kinderen-  niet vrijpostig, begerig te zijn. Zoals dat meisje in dat reclamespotje over vlaaien: “Ik wil ze allemáál!!” Nee, niet vrijpostig zijn, maar nederig. Een kind, dat geduldig afwacht of en totdat het iets krijgt, dát komt goed over. Nederigheid is een deugd, zeggen we dan. En hebberig, vrijpostig van alles maar vragen, dat is het tegenovergestelde.
Maar besef wél: vrijpostigheid is niet hetzelfde als vrijmoedigheid. Als een kind vrijmoedig en open dingen aan vader of moeder vraagt, dan is dat prima. Dat laat zien, dat de relatie met zijn ouders in orde is. Dat er vertrouwen is en liefde. Dan geldt ”vragen staat vrij”. Zijn ouders zullen wel bepalen, of het wel goed voor hem is, wat hij vraagt. Want dat kan een kind lang niet altijd overzien immers?
------
David, de dichter van Psalm 17, durft ook niet bepaald een kleinigheid te vragen. Hij wil dat de HEER, zijn Vader in de hemel, hem behoedt. Dat die hem in zijn hoede neemt, hem nauwgezet en in alle opzichten bewaart in de gevaarlijke situatie, waarin hij zich bevindt.
En die situatie is gevaarlijk! En geen klein beetje ook!
Wanneer dat precies was, weten we niet. Want vijanden, daar wist David alles van. In verschillende situaties van zijn leven was hij omringd door vijanden. Denk aan de tijd, dat hij vervolgd werd door koning Saul. David had geen vlieg kwaad gedaan. Integendeel, hij had Saul en het volk gediend. Hij had zijn  leven in de waagschaal gesteld. Maar Saul haatte hem en vervolgde hem.



grot
Ik maak dat maar concreet. Hij zat werkelijk in het nauw. Met zijn mannen had hij zich achter in een grot verstopt. Als een muis in de hoek gedreven door de koning en zijn soldaten. Ze wisten dan wel niet, dat hij daar zat met zijn handjevol mannen. Maar als ze er ook maar even lucht van kregen…
Ze waren immers uit op zijn dood. Gunden hem het licht in zijn ogen niet.
In die situatie bidt de koning tot God. En natuurlijk vraagt hij om bewaring en bescherming. Daar gebruikt hij beelden voor. Hij is dichter per slot van rekening.
----
Hij gebruikt het beeld van de vogel, de kip of kloek bijvoorbeeld, die een nest jonge vogels heeft
"moeder" met "de kids"
Toen ik jong was hadden we een toom kippen in een hok achter ons huis. Als jongentje vond ik dat natuurlijk leuk, dat begrijp je. Soms broedde één van die kippen eieren uit, in een apart hokje. En dan kwamen er kuikentjes. Schitterend! maar soms kwam ik bij dat hokje en dan zag ik alleen de moederkip zitten. Waar waren de kuikentjes?
Nou, die waren er wel, maar ze zaten “onder moeders vleugels”. Heerlijk dicht bij elkaar en lekker warm en veilig onder die vleugels.
Prachtig beeld van bescherming en verzorging is dat, vind u niet? Om zo  veilig  en geborgen te zijn bij God, dat vraagt David. Omdat de onherbergzaamheid en onveiligheid zo groot is. “Verberg mij in de schaduw van uw vleugels, mijn God”.
----
Het andere beeld is dat van de oogappel. “Behoed mij als de appel van uw oog”.

oogappel
De oogappel of pupil is dat zwarte stipje in het midden van het oog. “Iris”, zo heet het ook wel. En de iiris is erg belangrijk voor het zien.
Nu zijn je ogen op zichzelf al erg belangrijk voor de mens, voor jou en mij. “Je ogen, daar heb je maar twee van”,  zeggen we dan. “Die kun je niet missen”.
In wezen kun je zelfs niet één van die twee missen. Want met één oog kun je geen afstanden schatten. En bedenk maar eens, wat dat betekent…
Ja, wees zuinig op je ogen. En zorg vooral goed voor je pupillen.
Want de  pupil heeft in dat ingewikkelde mechanisme, dat het oog is, een onmisbare functie. Het is namelijk het luikje, het zichtbare donkere stukje van het regenboogvlies, dat het licht doorlaat. Vandaar, dat het verder open gaat als het donker is. En dat het kleiner wordt naargelang er meer licht is. Zó valt er een beeld van waar je naar kijkt op het netvlies. En dat wordt dan doorgegeven aan de hersens. En zó kunnen we zien.
----
Zie je, hoe belangrijk de appel van het oog is? Van onschatbare waarde gewoon!!
En daarom worden mijn pupillen door mijn oog, door mijn lichaam zelf, heel nauwgezet bewaakt. Dat doet dat oog zelf. Of beter: dat doe je als mens. Maar het gebeurt in een reflex.
Moet je maar eens (voorzichtig, kijk uit je doppen!!) uitproberen: probeer je oogappel maar eens aan te raken met je wijsvinger. 10 tegen 1, dat je oogleden daar een stokje voor steken. Nee, raak mijn oogappel niet aan!
"mijn oogappel"
Nu kun je een mens, bijvoorbeeld je man, je vrouw, je kind ook “mijn oogappel” noemen. Daarmee geef je aan: hij of zij betekent ontzettend veel voor me. Voor hem, voor haar, daar gá ik helemaal voor. Probeer hem of haar niet iets aan te doen. Over mijn lijk!
-----
Het is dus echt niet niks, wat David aan God vraagt!  Zorg voor mij, zoals een mens in een reflex zorgt voor zijn oog in het algemeen en de appel van zijn oog in het bijzonder. Ik zit in de penarie. Maar red mij. Ga er helemaal voor, mijn God, om mij uit de nesten te halen, te bevrijden, te redden.
Waarom? Waarom zou God dat doen? Was die David zo’n beste brave broeder dan? Had hij het verdiend, dat de HEER hem zou redden? Had hij zó goed geleefd voor God, dat Die wel moest zeggen: “Nee, dat kan ik niet maken, hem in de steek te laten. Die móet ik wel helpen”.
een blinde...
Je kunt zeggen: daar sla je de spijker op de kop. Zo is het maar net. Want David zegt hier eigenlijk: Ik ben voor U net zoveel waard, als een oogappel voor een mens. U kunt zonder mij niets beginnen. Ik ben onmisbaar voor U.
-----
En toch: het ligt wel een tikkeltje anders. Je moet dat wel nuanceren.
God kan ons wél missen. Echt wel. Het is heus niet zo, dat Hij niet kan zien zonder ons. Dat hij gebrekkig is zonder ons. O nee. God is God. En Hij blijft gewoon God, ook als wij er niet zouden zijn. Of als wij hem in de steek zouden laten. Als we de biezen pakken. Stiekem, langzaam maar zeker bij hem vandaan glippen. Daar mist de HEER niets aan. In die zin zijn we niet zijn oogappel.
God kan ons wel missen. Maar hij wil ons niet missen. Hij wil, dat mensen, dat jij en ik bij hem zijn. Dat wij niet zonder HEM kunnen en willen leven.
Dát wil Hij zielsgraag. En daarom zijn wij als een oogappel voor hem. Zo beschouwt Hij ons. Zo behandelt Hij ons. Zo gaat Hij met ons om. En daarom mogen wij dit vragen. ”Behoed mij als de appel van uw oog”.
-----
Door kruis hoop
Zó kijkt God naar ons. Weet je, waarom en hoe ik dat weet? Omdat ik kijk naar Jezus, de Heiland. Hij is Gods Zoon. En dat betekent: Hij is écht Gods oogappel. Niet omdat God dat wil alleen. Maar omdat Jezus Gods Zoon is, en zo echt, helemaal Gods oogappel. De Vader zou niet Vader zijn, als die enige Zoon van Hem weg zou vallen. Dan was God geen Vader, niet God meer.
En nu kwam die Zoon als mens op aarde. Hij bleef tenvolle Gods Zoon. Maar Hij werd mens. En als mens leefde Hij, leed en stierf Hij.
Niet per ongeluk, hoor. Dat gleed God niet even door de vingers. Niks ervan.
Maar de Vader wilde dat. Zoals Jezus dat wilde. Dat was Gods plan om de mens weer zijn kind te maken. En zo zijn oogappel.
-----
Begrijp je? Ja?  Nou, dan ben je veel knapper dan ik. Want als ik dat wonder vatten wil, dan staat mijn verstand stil. Daar kan ik als vader niet bij: je eigen zoon de dood in laten gaan, de dood in sturen zelfs! En dat voor zulke stukken verdriet als jij en ik zijn! Tenminste: als God naar mij kijkt, dan moet ik me vreselijk schamen. Je eigen kind offeren voor zoiets! Onbegrijpelijk! 
En toch: God dééd het. En Jezus gáf zichzelf. En om dat offer, om der wille van Jezus, wil God dat wij zijn  oogappel zijn. En mogen we dat gebed  omhoog sturen, naar God toe. Net als David deed.
-----
...om te vullen..
Ja, dit gebed mag je bidden. Zo vrijmoedig mag je zijn. Dat is geen ongepaste vrijpostigheid, waar je de HEER boos mee maakt. Nee, het is in alle opzichten gepaste vrijmoedigheid. God wordt er niet boos om. O nee, Hij wordt er heel erg blij van!
En dat gebed word verhoord. David werd bewaard. Zoals je je ogen, het kunnen zien bewaart. Verdedigt tegen alles wat dat je af wil pakken.
Nu kunnen wij daar niet altijd tegenop. Soms moet je je eigen kind, je oogappel, prijsgeven. Machteloos, hulpeloos. Dat hoeft God niet. Hij bewaart je als je het vraagt. Zelfs door de dood heen.
Want niets is zo kostbaar voor God als zijn oogappel. En daar mag ik, mag jij ook bij behoren.
-----
Is dat niet overweldigend goed nieuws?
Amen.
-----
Aanwijzingen voor de liturgie
Psalmen:  81: 4,8,9; 17:3; 121; 18; 84
Gez. 466; 443
Zingende Gezegend 270, 322
Adem van Boven (Troost) 41:1,3, 4  (laatste couplet event. na 12 art.) *)
-----
Voor de dienst der gebeden
Het is goed in de gebeden eens te denken aan de ouders: wijsheid bij de opvoeding van de kinderen, bijv. ze te laten zien en horen wat het 10e gebod betekent voor het leven in deze wereld.
Bidden voor mensen met een heel negatief zelfbeeld en hun grote problemen.
Danken voor Gods grote liefde: We zijn voor Hem waardevol!
Danken dat Hij altijd wil én kan bewaren.
Mensen zijn vaak niet betrouwbaar; daarom is overgave en vertrouwen zo moeilijk. Daarom bidden om (meer en groter) vertrouwen.

*)A.v.B. 41:1,3,4 (melodie Gez. 415)




zaterdag, juni 30, 2012

KAMPIOEN, WIJ??

Maar wij zegevieren in dit alles glansrijk dankzij hem die ons heeft liefgehad. (Romeinen 8:37)

 Kampioen worden, ja, vóór het Europees Kampioenschap droomden velen daar wél van. Dat we dat konden en zouden worden. Dat men dat in Europa na dit EK overal zou moeten zeggen: "Die Nederlanders, dat zijn superkampioenen. Ze begonnen niet zo goed, slecht eigenlijk. Maar uiteindelijk, in de finale: super! Het zijn superkampioenen daar in dat kleine landje aan de Noordzee!"
Stel je toch eens voor, dat het zó gegaan was! Dát was even een prestatie geweest! Want de tegenstanders waren bere-sterk. Die verdedigingen van de andere teams: een ondoordringbare muur. En die spitsen, messcherp waren ze. En die verdediging van ons? Verdedigen ligt ons niet zo. We vallen liever aan. "Aanvalluh..."  Druk zetten op de tegenstander, dat ligt ons altijd het beste.
balen als eeb stekker...
Maar daar kwam eerst geen spat van terecht. Dus dachten we: we kunnen dat kampioenschap wel vergeten. Dat oranje-gedoe, die vlaggetjes, die mutsen, het kan weer de kast in. Nee, kampioen, superkampioen nog wel? Wij? Schrijf maar op je buik! Wij? Minkukels in het kwadraat!
En dan tóch, uiteindelijk: superkampioenen!
Maar zo ging het niet. Het werd inderdáád helemáál, niks. Nothing, nothing at all.
En dus nu? Balen als de bekende stekker. Een afgang, niets meer en vooral niets minder.
                                                            -----
Met mensen die in de God van de bijbel geloven lijkt het geen spat anders. Die hebben het vaak niet breed. Ze zitten nog wel eens in het hoekje waar de slagen vallen. Soms zelfs letterlijk. Worden ze vervolgd, bespot, gevangen gezet. Omdat ze zo ánders zijn, weet je. Omdat ze aan de zijlijn staan. Niet meedoen met anderen en dergelijke zaken. Anders doen, anders zijn.  Daarom: weg met die hap. Opzouten jullie!
grof vuil...
Nee, niks super-kampioenen? Máák het nou even, zeg! Bij het grof vuil, dáár kun je ze vinden!
-----
Paulus, de schrijver van dit bijbelboek, de brief aan de gemeente in Rome destijds, weet dat heel goed. Christenen hebben, als ze werkelijk zijn, zoals ze heten, een vast doel voor ogen. Net als de Oranjeploeg.  En dat doel was: de winst in de finale. Kampioen worden! Nou, christenen hebben een ander doel: voor God en de naaste leven hier en nu. En later bij God komen in zijn hemelse luister!
het zwaard....
De weg daarheen gaat bepaald niet altijd over rozen, hoor. Integendeel, ze hebben te maken met tegenstanders, die dat willen verhinderen. En die tegenstanders, dat zijn bepaald niet een stelletje amateurs. O nee, die kúnnen er wat van! Ze zetten alle kracht in. Ze werken met verenigde krachten, in dienst van de leider. En dat is, je raadt het waarschijnlijk al, de duivel, Satan, de boze, Gods tegenstander.
En reken maar: dat wordt zwaar. Dat wordt lijden. Concreet, vers 35: tegenspoed, allerlei ellende, vervolging, honger, armoede, allerlei gevaar, bijvoorbeeld het zwaard, dat kan doden. Nee, Gods kinderen zijn hier geen reuzenhelden, geen supperoverwinnaars. Nee, het is een kudde schapen, onderweg naar het abattoir. Ze worden geslacht. En Gods tegenstander heeft lak aan diervriendelijke methodes, houd daar wel rekening mee!
Dus er komt geen vervolg van dit verhaal? Dat is over en uit? Dat is niks en wórdt ook nooit wat? Gaat het zo? Omdat de tegenstand en de vijand zelf toch groter en sterker blijkt dan verwacht? Nou nee, dat had je verwacht misschien. Maar niets ervan!
De gelovigen konden en kunnen dat verwachten, zie je.
Kijk maar in vers 36. Dat lijden, die vervolgingen, ze zijn, zegt Paulus (in een citaat uit Psalmen 44:23) helemaal in-gecalculeerd. Dat lijden, die minachting, die vervolging, ze zijn allemaal "om u''. Om God dus. Omdat je verbonden bent aan God. Omdat je dat fijn vindt en daar rond voor uit komt. Dan komt er lijden.
Denk maar aan Paulus zelf. Wat die niet zoal meegemaakt heeft! Dat wil je gewoon niet wéten, hoor. Wat een lijdensweg was zijn leven, sinds hij Christus als Heer diende. Afschuwelijk gewoon.
vervolging
Dus die vervolging, dat lijden: opgenomen in Gods scenario, hoor. Dáárom lijkt een christen soms een echte schlemiel. Lord wanhoop in het kwadraat!  LIJKT, ja. Maar, alles is niet wat het lijkt, bedank dat wel! IN al die dingen zegevieren wij glansrijk, schrijft Paulus. Met zó'n leven vol lijden! Met een kerk, die het zó moeiljk had en heeft in de wereld! Want ja, zo noemen we de groep mensen, die vertrouwt op God. Die met hun hart houden van hun Heer, Jezus. Die noemen we Kerk, gemeenschap van mensen, die bij God horen.  En dat lijkt  beslist  geen goed team, maar een verzameling zwakke, weinig weerbare mensen. Maar ze worden kampioen, stuk voor stuk. Ieder, die van dat team van harte deel uitmaakt. Kampioen, SUPERkampoenen nog wel!
Maar de weg náár de overwinning is bepaald niet gemakkelijk. Er moet met volle inzet gestreden worden. Het doel wordt niet zómaar eventjes bereikt, o nee! Daarom LIJKT het vaak, alsof het niks is en wordt met de kerk. Daarom voel ik me vaak een loser in plaats van een kampioen. Niets triomfantelijks is er te ontdekken aan de kerk.
Je leest, hoe christenen in andere landen bloedig vervolgd worden, vermoord, onderdrukt. Je ziet om je heen, hoe de kerk afkalft. Hoe gemeenten telkens leden verliezen. Ook leden die het geloof niet meer zien zitten. Je ziet, hoe kerkenraden worstelen met de vraag: hoe verder? Hoe de mensen vasthouden, bereiken, warm houden voor de strijd? Zodat de "club" in de race blijft voor de medaille, de erekroon, het kampioenschap. Lukt niet zo erg, vind ik.
En dus: een schamel cluppie, hoor. Dat wordt niet wat. Echt niet.
                       ----- 
het pad...
Zo lijkt het. Gelukkig is het waar: alles is niet wat het lijkt. Want je weet het: er is een weg naar het kampioenschap. En die weg is een verhaal apart. Een voetbalteam kan soms spelen als een vieze vaatdoek. Niet om aan te zien! Maar als de finale maar gehaald wordt! En als dat bereikt is, dan zijn alle problemen onderweg onbelangrijk geworden. Het enige dat telt: het doel. En dát is dan binnen handbereik. Als je onderweg dat doel maar voor ogen houdt! Dáár moet je in blijven geloven. Dat helpt je er bovenop, als je een nederlaag hebt geleden. Het komt op de finale aan. Als die maar gewonnen wordt, zie je... 
Ronaldo
Nu zijn er teams, die een geheim wapen hebben. Zo was het team van Portugal helemaal opgebouwd op en rondom Ronaldo. Als die op dreef was... Niet te stoppen gewoon! Zijn solo's, zijn dribbels, schijnbewegingen, schoten, die konden leiden tot doelpunten, doelpunten. Hij kon zijn team naar de overwinning voeren, naar het kampioenschap leiden. Dat is niet gelukt uiteindlijk. Maar het had kunnen gebeuren, nietwaar?
Geweldig, als je zo'n wapen hebt!
Je kijkt je ogen uit!
Het team van de Kerk heeft ook een geheim wapen. Had je niet gedacht zeker. Maar wáár, jawel! Zo'n stille kracht, die op het veld, het slagveld dan, niet opvalt. Je ziet hem niet. Maar Hij is er wel. En die Hij, dat is Christus. En dankzij hém winnen we met glans, schrijft Paulus. Door hem zijn we superkampioenen. Dat is nu nog niet aan ons af te zien, hoor. Maar dat kómt wel. Het is nu vaak nog géén gezicht. Maar dan zul je staan te kijken!
En gelovige mensen willen wát graag bij hem en zijn team behoren.
Waarom? Om de overwinning, die we met en door hem behalen? Och ja, dat speelt altijd mee. Maar ten diepste ligt er iets anders op de achtergrond. Er staat in het zinnetje boven dit sukje (deze preek) nog iets bij over hem en zijn verhouding met ons. Namelijk, dat Hij ons heeft liefgehad.
Dat klinkt een beetje als een nostalgisch iets. Als iets van vroeger. Iets dat nu niet meer geldt. Maar bedenk wel: in de bijbel is liefhebben niet voor niets een werkwoord. Liefde is dáád. Die liefde van Jezus voor ons is niet voorbij, geweest, afgelopen, over en uit. Gelukkig, Goddank niet!
lichtend kruis...
Nee, je moet, je mag lezen: we zegevieren in de strijd met al die geweldige vijanden glansrijk - dankzij de band aan de Verlosser, die ons zijn liefde heeft betoond. En die liefde is zichtbaar geworden, uiteindelijk aan het kruis. In zijn dood, waarmee Hij de basis heeft gelegd voor de vergeving van onze zonden. En die de oorzaak is van onze glansrijke overwinning.
Want Hij overwon die dood ook. Zoals Hij de duivel en al zijn trawanten overwon. En dat is een duivels team, dat er wezen mag. Dat een mens, zelfs alle mensen zonder moeite grondig kapot kan maken. Alleen Jezus kan je redden. Want Hij heeft zich oppermachtig getoond.
En als je aan Hem door het geloof verbonden bent, dan deel je in die Goddelijke kracht. Maar die kracht blijkt niet in het bewaren voor en redden uit de strijd. Maar in het helpen in het gevecht.
Als teams een speler hebben, die er ver bovenuit steekt, dan laat je dat zien. Dan erken je hem als leider. Geef je hem alle ruimte. Zó word je kampoen!

Een geweldig team, dat team van Jezus, die kerk, die gemeente!! Zeg nou zelf. Maar het is alleen zo geweldig door Hem, die er huizenhoog bovenuit steekt: Jezus, de Opperheer, de Zoon van God, de Redder van schuldige mensen.
Hoor je al bij dat team van Hem? Dat team van aanstaande kampioenen? Dat dankzij de Verlosser Jezus vér bioven elke club uit steekt? Bn je aan Hem verrbonden door een oprecht geloof?
Alleen ga je ten onder. En wat dat betekent? Dat wil je niet weten. Beter: dat moet je niet willen!
Samen met anderen in een hecht team kom je ver.
Maar samen verbonden met Jezus kom je aan het doel: de zegepraal, glansrijk!
Amen
-----------------------------------------------------------------------------------------
Aanwijzingen voor de liturgie
Psalmen: loflied  vooraf
               92: 1,2,3;   91,   46
Gez. 217, 435, 90!, 477, 441
Zingende Gezegend 196
Gods wil: bijv. Rom. 12: 9-21
                Daarbij zingen: Ev. Lb, 304 (=Opw. 350)
Opw. 124, 167
Dienst van het gebed:
 voorbede voor vervolgde kerken
                         kerken in verleiding, de zuigkracht van de wereld
                  voor de kerkenraad, die wegen zoekt.
Danken, dat we het team van JEZUS CHRISTUS zijn en daarom, toch, aan de winnende hand