vrijdag, maart 04, 2011

ZINGEN VOOR GOD, OOK DÁN? (preek, Marc.14:26, Lijdenstijd)

JEZUS ZONG GODS LOF, TÓEN !!!

“Nadat ze de lofzang hadden gezongen, vertrokken ze naar de Olijfberg”. Marcus 14:26

Kun je nog zingen? Of betere vraag eigenlijk: kun je ál zingen? Want een baby zingt nog niet natuurlijk. Maar als je nog maar peuter bent, dan begint het al. En zingen verleer je nooit. Als je echt oud bent, dan zit er soms wat ruis op de lijn. De stem wordt hoog, als die van een vogel, zegt Prediker. Maar ook dan nog kun je zingen. De één mooi, de ander bepaald niet mooi. Maar zingen? Jazeker!

Er zijn mensen, vaak zijn dat jongelui op een bepaalde leeftijd , die menen, dat ze niet kunnen zingen. Dan moet ik altijd denken aan mijn schooltijd. Dat was in een grijs verleden. De basisschool heette nog lagere school. En het kwam niet in ons op, ons af te vragen wat de voornaam van onze meester (zo heette de leraar toen) wel was. Laat staan, dat we er maar aan dachten, hem daarmee aan te spreken. Toen werd er vaak en veel gezongen op school. Het stond zelfs op het lesrooster.

En we zongen allemaal mee. En we deden ons best. Want de meester liep soms langs de banken om dat te controleren. Nou zat er een jongen in onze klas, nou, als er één was die niet kon zingen, dan was hij het. Maar hij zong wel mee. Alles op één zelfde donkere toon. Vreselijk gewoon. Maar de meester heeft nooit tegen hem gezegd, dat hij zijn mond moest houden. Nee, hij mocht meezingen, zo goed als hij kon. Wél zei de meester wel eens, dat hij wat zachter moest zingen. Dan klonk het samen met de anderen nóg beter, zei hij.

Nee, die jongen kon volgens mij niet zingen. Maar je moet zo iemand niet tegenhouden. Want zingen, dat kun je wél. Op je eigen manier, ja. Misschien hoor je bij het koor “De schorre krekeltjes”. Maar dat geeft niet. Zingen, als het tenminste goede liederen zijn, dat is goed. En dat dóet goed. Maar er kunnen ook momenten zijn, dat zingen moeilijk wordt. Dat de keel je dichtgeknepen wordt door de omstandigheden.
Wie zou er kunnen zingen, als hij net gehoord heet, dat hij kanker heeft?!
-------

Jezus zong de lofzang. Op een moment in zijn leven, waarvan wij zouden zeggen: “Er is geen reden om te zingen; integendeel”. Met zijn leerlingen was hij aan de slotzang toegekomen. Het laatste lied van de Pèsach-maaltijd. Dat was een vaststaand ritueel. Aan het Paasmaal werd gezongen. Namelijk “het grote Hallel”. Dat bestond uit Psalm 113 tot en met 118. De eerste twee liederen zong men aan het begin. En aan het slot de andere, 115 tot en met 118. Psalmboekjes waren er nog niet. Geen nood, ieder had “op school” zeg maar, die Psalmen uit het hoofd geleerd. Zoals wij elke maandag het Psalmversje moesten kennen dus.

Best een goede gewoonte. Want “onzinliederen” leer je al jong genoeg. Immers, die liedjes, en ook gewone liederen, liederen zonder God, en zonder Jezus, die klinken bijna op alle zenders in de ether.
En die léér je ook eerder en beter. Maar Psalmen en andere liederen? Liederen die je kent. En die je soms hard nodig kan hebben? Jazeker! Je kunt in een situatie terecht komen, waarin bidden amper mógelijk is voor je. Omdat je er te moe voor bent. Of gewoon, omdat de dichter van die psalm, dat lied precies de vertolking is van wat er in jou leeft. Je kunt in een situatie belanden, waarin men je niet meer bereiken kan. En jij niet meer begrijpt wat die ander bedoelt. Maar dat er dan woorden gelezen of gezongen worden, die jij dan wél herkent en begrijpt en méé kunt opzeggen of zingen. Omdat ze altijd, onbewust wellicht, toch in je hart leefden en met je meegingen, de jaren door. De psalmen dus

Jezus en de leerlingen zingen de lofzang. Misschien konden ze niet allemaal even mooi zingen, die twaalf mannen. Maar het moet geweldig geklonken hebben! Want ze zongen niet alleen met de mond, maar ook met het hart. En zoiets is te merken. Zulke liederen klinken altijd goed. Dat verwarmt je. En tegelijkertijd word je daar koud van, als je begrijpt wat ik bedoel. Zo gaat dat, als je zulk zingen hoort, nog, ook u, (denk ik).

Ook Jezus zingt, uit volle borst. Juist Hij zingt. In de eerste plaats Hij. Hij geeft de toon aan. Hij zingt. Regelrecht vanuit zijn hart, dat van liefde voor de zijn Vader en voor de zijnen brandt. Als dáár nou eens een opname van was….

Jezus zingt de lofzang. Nadat ze het Pascha gevierd hebben en het Avondmaal ingesteld en gevierd is, klinkt er een lied.. En voordat ze naar de hof Gethsemané gaan.
Vermelding van een klein feit, weinigzeggend zo op het oog. Zoals we vaker bij Marcus zulke woorden en zinnen tegenkomen. Maar is deze zin zo onbelangrijk en zeggen deze paar woorden over de Heiland niet zo veel?
Jezus zingt. En dat is van grote betekenis. Want Hij zingt hier voor ons, in onze plaats. EN Hij zingt ons vóór. Wij mogen na hem, achter hem aan zingen.

De Jezus, die hier zingt, is metterdaad de Heiland. Zijn woorden, zijn daden zijn helend. Helen, om dat te doen is Hij gekomen. Jezus zingt psalmen in de nacht. Omdat in ons leven, om ons heen, omdat het leven zélf ook vaak zo donker is. Er is zoveel gebarsten, kapot, gebroken, stuk hier. In deze wereld, onze maatschappij, je eigen leven soms.

Op het moment, dat dit getypt wordt, barst de woede los in het Middellandse Zeegebied. De mensen daar willen vrijheid, democratie. In sommige gevallen lijkt die wens gehoor te vinden. In andere landen worden demonstraties hardhandig weg geknuppeld en geschoten. En in nog weer andere landen durven burgers niet eens dénken aan opstand. Maar hoe dan ook: wat een leed schuilt er achter wat er gebeurt in dergelijke landen! Wat is en gaat er veel kapot!

Nu is dat een “ver van mijn bedshow”. Wij kennen een volwassen democratie. We mogen vrij onze stem uitbrengen. En vrij onze mening uiten. Maar dat betekent niet, dat alles glad loopt in onze samenleving! Bij lange na niet! Wat een ontevredenheid over de bezuinigingen! Ieder zegt: “Ja, we moeten bezuinigen. Maar niet op wat ik belangrijk vind. Vooral niet op wat mij persoonlijk treft. Laten de hoge omes maar één of meer stappen terugdoen”. Ja, ook hier alom ontevredenheid. En de invloed ten goede van de christelijke partijen vermindert steeds meer. Wat een brokstukken!

Je kunt trouwens ook persoonlijk pijn hebben aan wat je daarvan op de tv ziet. Van die doden, dat lijden in deze wereld. Als die beelden en die berichten tenminste niet teruggekaatst worden door de eeltlaag om mijn hart. En die ongevoeligheid, dat is ook een flinke barst. En dan: je kunt ook zo lijden aan de kerk. De steeds meer naar de achtergrond gedrongen plaats van de kerk in onze samenleving.

Bovendien, mijn eigen leven dan? Verdriet om het leed in de vriendenkring. Barsten in je relatie. Och, noem maar op. Wat een verdriet, wat een pijn komt er soms in je leven! Zou je daar een lofzang over kunnen aanheffen? Kun je dan eigenlijk zo’n lied zingen, zoals wij gezongen hebben aan het begin van deze dienst? Of weet u niet meer, wat we zongen? Over Gods liefde en goedheid zongen we. Kán dat, als er zoveel kapot is of stuk gáát? Wat moet er nodig de grote Heelmeester aan te pas komen! Om te helen. Om ons leed en om wat daar achter schuilt, de zonde weg te nemen. En daarom zingt Hij vlak daarvoor de Lofzang.

Jezus gaat helen, ONS weer heel maken, alles weer nieuw maken. Daarom gaat Hij nu naar de Olijfberg met de leerlingen. Daar is de hof Getsemané. Waar Hij tot bloedens toe moest worstelen, om gewillig de weg vóór Hem te gaan. De hof, waar Hij gevangen genomen zal worden. En dan komt het zwaarste lijden. Dan gaat het naar de dood , de dood aan het kruis. Waaraan Hij drie uur in letterlijk helse duisternis zal moeten hangen. Zó moet Jezus helen, Heiland zijn! Onze Heiland zong, vlak voordat Hij met de leerlingen naar Gethsemané ging, waar Hij gevangen genomen zou worden. Jezus zong in de nacht voor zijn dood aan het kruis.

Jezus zong toen de Lofzang, de Psalmen 113-118. We zingen daar ook een aantal liederen van. En dan moet je proberen, niet alleen die woorden met je hárt te zingen. Maar dan net als Jezus: vlak voordat je gevangen genomen zal worden, bespot, gegeseld, veroordeeld en de marteldood in moet gaan! En dat totaal onschuldig. Woorden als “God heb ik lief, want Hij hoort mijn stem”- terwijl Hij doof was in de duisternis , drie uur lang! Woorden als Psam 118 : 2! En zo zou ik dóór kunnen gaan. Jezus zong, toen! Kun je daar ook maar iets van begrijpen?

Ik vrees van niet. Want dat is de mens niet eigen, zie je. We zingen uit onszelf klaagzangen, als we lijden. Alleen 100% klaagliederen. En als er dan ook nog onrecht achter zou zitten… Nou, berg je dan, als we de mond open doen! Oef! Zó zijn wij. Maar God prijzen in ons lied? Kom op, zeg! Eerder klagen we God áán.
Nee, we zingen de Lofzang niet in een dergelijke situatie. Daarom zong Jezus voor ons, in onze plaats. Om ons zwijgen of klaaglied te verzoenen. Hij zong en ging meteen naar Getsémané, naar de rechter, naar het kruis, naar de donkere nacht van de verlating, naar de Godsverduistering.

Jezus zingt. Met vaste stem. Terwijl Hij wéét, wat er Hem te wachten staat. De Heiland zingt. En dat is heil. Daarin zit helende kracht. Voor ons, die vaak zo weinig reden hebben om te zingen. Die wel kunnen huilen soms. En dat soms ook, misschien van binnen, dóen. De Heiland wil huilenden helen. Hij wil het werk dat daarvoor nodig is, doen. Dat heeft Hij deels al gedaan. Zijn hele leven was lijden. Hij had levenslang, kun je zeggen. En Hij wil dat werk afmaken, dat laatste, dat allerzwaarste. Hij wil dat, omdat de Vader dat van hem vraagt. En dat wil de Vader, omdat wij de zonde hebben gewild en willen. Omdat we de zonde bedreven, schuld op ons hebben geladen, het gericht, de ondergang verdiend. Hij wil helen.

Maar Hij weet, dat er daarom de dood Hem wachten, en de hel van duisternis, 3 uur lang. Toch gaat Hij die bewust binnen. Het wordt zwaar. En toch zingt Hij. Hij zingt het voor ons, in onze plaats. En Hij zingt het ons vóór. Hij leert ons, dat God toch, altijd, in alle omstandigheden, oneindig goed is. Dat Hij onze lof verdient. Hij vraagt, dat we Hem loven. Maar Hij is ons loflied ook waard.

Jezus zingt. En u, jij, ik? Met een mooie stem, krassend en piepend of brommend, dat maakt niet uit. Maar: zingen we. En natuurlijk ook en vooral: wát zingen we dan? Want er is veel te horen op de radio. Maar het meeste wat er gezongen wordt is onverstaanbaar. Het wordt overstemd door overweldigend luide muziek. En wat je dan wél kunt verstaan is onzin, waar je niks mee kunt. Of als je over de tekst nadenkt, frons je je wenkbrauwen. Want de lichamelijke liefde of de geliefde neemt de plaats in van Hem, die dat waard is.

De lofzang voor God, die klinkt maar weinig. Maar zingen wij ánders? Zingen we Jezus na? Zo, gewoon, als alles over rozen op rolletjes gaat, of ook als het tégen zit. Of als het donker wordt in je leven? Als het heel erg moeilijk is. Zingen we, ook dan? Psalmen, de Lofzang, in de nacht? “Onmogelijk”, zeg je? Ben ik het mee eens. Onmogelijk, als we niet Jezus nazingen. Als Hij ons niet bij de hand pakt en ons meeneemt. Maar dat wil Hij doen. Want Hij zong voor ons. Daarom alleen kan het: Hem nazingen. Zingen, de Lofzang, Halleluja! Hand in hand met Jezus.

Jezus zong de Lofzang, het groot Hallel. Halleluja, dat is: “Loof de HEER!” “Gods goedheid houdt ons staande…houdt dan de lofzang gaande”, zingt Psalm 107. Ja, dat moet. Het Hallelua moet blijven klinken, zolang de wereld staat. Dat moet, dat mag, dat kan. Ook als de wereld ten onder gegaan is, blijft de Lofzang klinken. Uit de mond van allen, voor wie Jezus leed en stierf, streed en overwon. Halleluja, Amen!
--------

Voorstel voor een orde van dienst:
(Eerst even dit aan de gemeente melden: we zingen in deze dienst coupletten van Psalm 115-118, het “Groot Hallel”. Juist nu we nadenken over het feit, dat Jezus deze verzen met zijn leerlingen zong, willen wij graag meezingen. Zing en bedenk, dat de Heiland in zijn situatie deze woorden zong. Bedenk dat en laat je ontroeren over de grote liefde, die Hij heeft gehad. Hij moest zaken, hierin genoemd, missen. Wat een liefde!)


Vooraf: Ps. 116 : 1-4
Na votum en groet: Ps.115 : 4,5
(In ochtenddienst belijden we onze schuld voor God en horen we van de vergevende liefde van God door samen met hart en mond te zingen: Zingende Gezegend 218.
Dan lezen we als richtlijn voor ons leven voor Gods aangezicht: Joh. 15 : 3-17)
Gebed
Schriftlezing Marcus 14 : 22-31
Zingen: Ps. 118 : 3,4,5
Na lezen van de preek: Ps. 117
Slotlied: Psalm 118 : 9,10
(In middag-/avonddienst tussen vs. 9 en 10 de Geloofsbelijdenis)
-----------------
Enkele richtlijnen voor de dienst van het gebed:
Voorbede voor de grote problemen in deze wereld. Voor nood van armoe. Nood in Arabische staten, vol onderdrukking, onvrijheid, uitbuiterij. Bid om bevrijding.
Voor communistische landen, waar evenmin vrijheid is. Ook geen vrijheid van godsdienst: christenen worden onderdrukt en vervolgd. Sterk en bevrijd a.u.b.
Vluchtelingen
Ellende rondom: in maatschapppij, die meer en meer verhardt.
Nood dichterbij, bijv. in de familie.
Problemen, zorgen, ziekte in eigen leven. Kan: die problemen zijn niet op te lossen, ziekte niet te genezen, moeten dood in de ogen kijken. Troost, draag dóór. Als we moeten leven met pijn, sterk dan, dag in, dag uit.
Help, om niet te klagen, maar te dragen, en elke morgen te vragen om kracht.
Help, ook dan te loven -door lied, door wat zeggen en doen. Leid zulke mensen, Heilige Geest, zodat hun leven vol is van veel goeds over de Heiland.
De drie-enige God is waard, om te loven!

vrijdag, januari 07, 2011

"ZONDE, ZEG!" "NOU EN OF!"


“WAT ZONDE, ZEG!” “NOU EN OF!!”

“…dan reinigt het bloed van Jezus, zijn Zoon ons van alle zonde.” 1 Johannes 1:7


Ja, zo gebruiken we dat woord zonde toch? “Wat zonde”, zeggen we. Maar we bedoelen: wat jammer nou toch! “Was je te laat om de trein te halen? Wat zonde, zeg”. Terwijl je er misschien helemaal niets aan kon doen. “Oh, kijk nou toch, een vlek op dat nieuwe vloerkleed. Wat zonde!” Ja, in die zin praten we váák over zonde. Maar in de bijbelse betekenis?
Nee, dán is zonde niet echt een populair onderwerp voor gesprek. Bepaald niet! We praten liever over het weer. Of over de vakantie, die we achter de rug hebben, of die er aan zit te komen. Zelfs onder geheide kerkmensen gaat het gesprek zelden over zonde.

--------
Johannes, de geliefde apostel van de Heer Jezus stelt de zonde wel aan de orde. Hij doet dat in zijn eerste brief, gericht aan ons onbekende mensen. Zelf kende hij hen wel erg goed. Hij weet wat er speelt. Onder hen waren er, die meenden, dat ze supervroom waren. Prima christenen waren ze. En ze voelden zich boven anderen verheven. Maar ze meenden óók, het station “zonde” gepasseerd te zijn. Zonde doen, zij? Niks ervan! Dat is voor ons voltooid verleden tijd!

Nou, je begrijpt, dat de schrijver daar fel tegen in gaat. We kunnen zeggen, dat we de zonde niet kennen. Dat die niet in ons leven voorkomt. Maar oei, dan zitten we er flink naast. Dat is zelfbedrog, zelfmisleiding (vers 8). Nee, de zonde is trieste werkelijkheid. En dat in het leven van ieder mens. Dat zonde doen, dat is net als fietsen: je verleert het hier nooit ofte nimmer. Dat blijft, ons hele lieve leven lang.

Wat dat betreft zitten we er wel heel diep in! Zitten we steeds weer in het donker, hopeloos tastend naar een uitweg. En altijd zonder resultaat. We komen er nooit van zijn leven van af. Triest, in- en intriest Het is net als met een ongeneeslijke, dodelijke ziekte.
Weet u, het zit zó diep, bij ons allemaal, dat Paulus ergens zegt, dat we slaven van de zonde zijn. We zijn eraan verkocht. En toch, of moet ik zeggen: daarom, zijn we er zo aan verkNocht. De zonde is een doolhof, met alleen doodlopende paden. De zonde is een gevangenis, waarin we levenslang opgesloten zitten.
En de zonde gaat niet alleen diep, maar is ook breed. De zonde is een complex in ons leven. Er is sprake van oorzaak en gevolg. Eén keer vreemd gaan, en je huwelijk wankelt door de aardbeving van een vertrouwenscrisis. Of het ligt meteen in puin.

Maar…er is tóch een uitweg. En die is: reiniging door het bloed van Gods Zoon.
Nou zat dáár voor sommige mensen toen al een probleem, zo groot als een wolkenkrabber. Want het gaat hier over het bloed van Jezus van Nazareth, de Zoon van God. En er waren toen, -en door de eeuwen heen trouwens, ook nu -, die dat een straat te ver vonden en vinden. Namelijk dat Jezus én 100% mens en tegelijkertijd 100% God was en is. Dat is niet voor te stellen en dus niet waar. Dat kan eenvoudigweg niet waar zijn!

Toch spreekt de bijbel zó over hem. En alleen zó kon hij met het probleem van de duisternis afrekenen. De duisternis die overal heerst: in mensenlevens, in de maatschappij, in heel de wereld. Er is een weg naar het licht, het echte licht. Die weg is absoluut uniek. Het is de enige weg. En die was toen en is nu: Jezus, de Zoon van God en zijn werk. Het bloed van Jezus, Gods Zoon, moet over ons leven komen. En reinigingswerk verrichten.

Zonde is dus onreinheid. Het moet dus er af, ja er uit gewassen worden. Het zit dus in ons, heel diep van binnen. En het zit bij wijze van spreken nog in onze genen ook. Zonde is besmettelijk. Zonde is erfelijk. Zonde maakt je vies. Er zit vuil diep binnen in ons. En er mogen dan prima, krachtige wasmiddelen bestaan, maar ze hebben geen kracht genoeg, om zonde te verwijderen. Ze mogen allesreinigers heten, maar de zonde kunnen ze niet aan. Dit virus is resistent tegen alle antibiotica. Tegen alle middelen die wij kunnen bedenken en inzetten.

Er is maar één wasmiddel op heel de aarde te vinden, en dat is bloed. Het bloed van Jezus, de Zoon van God. Dát -en dat alleen- kan de zonde de baas. Kan die onreinheid de baas. Kan mij en jou rein maken. Die blokkade om de weg op te gaan naar de vuilnisbelt, waar we onze vuile zonden kwijt kunnen, moet dus overwonnen worden.

Redding door bloed, dus: de dood van iemand anders, dat is de weg. En dan al reiniging. Dat is ook al zo’n doorn. Reiniging heb ik nodig. Dus: ik ben smerig? Ik ben een smeerpoets, een vies varken? Nou, ik ben een net mens, hoor! Er is geen enkel mens, die ik iets misdaan heb. Ik doe geen vlieg kwaad. Wat dacht je nou, man! Daar moet de bijbel niet mee aankomen.
Nu luidt een gezegde: een goed geweten komt door een slecht geheugen. Maar oké, je ziet dat zo. Je hoeft niet gereinigd te worden.

Nee, zeg je. En dan ook nog wel door bloed, het bloed van Jezus. Dus door de dood van een mens. Een mens, die opgeofferd wordt, de dood wordt in gejaagd. En dat om de schuld van andere mensen te betalen, zeg maar: van mij. Nou, dat trek ik even niet, hoor. Daar word ik niet goed van. Er vloeit al bloed te over in onze wereld! En dan: elk mens is toch verantwoordelijk voor zijn eigen daden? Je kunt dat toch niet overdragen?

En tot overmaat van ramp: het bloed van Jezus, Gods Zoon. Nou, dan haak ik definitief af, als je dat maar weet. Jezus, volledig mens EN Zoon van God, dus als ik het goed begrijp: echt, waar en onvervalst God. Daar kan ik niet bij! Dat kan ik niet aanvaarden als waarheid. Jij wél dan?

Ja, ik toch wél. Ik kan het niet begrijpen. Totaal niet. Dat kan geen mens. Het enige wat je kunt doen, dat is: dat aanvaarden op gezag van iemand, die het kan wéten. Nou, er is Iemand, die alles weet. En HIJ zegt het. Iemand, die het oppergezag heeft, God.

En Hij heeft het zo bepaald. En hem geloof ik, onvoorwaardelijk!
Hem geloof ik, ook als hij tegen mij zegt in de bijbel, dat er zonde is in mijn leven. Zonde in de echte betekenis. Niet maar: dingen, die jammer zijn, sneu, die ongelegen komen. Maar: dingen, die echt verkeerd zijn. Die een jammerlijke afloop hebben, namelijk mijn dood, mijn ondergang voor altijd.

Dan geloof ik God, als hij zegt: dat slaat niet alleen op de buitenkant. En niet alleen op wat je nu verkeerd doet of zegt of denkt.
Nee, dat zit diep. Je doet niet alleen zonde, je bént één brok zonde. En dat vanaf je geboorte al. En dat uit zich niet alleen in het verkeerde, dat er volop in je leven is. Maar ook daarin, dat er goede dingen er uit jezelf niet in je leven zijn. Niet in je daden, je woorden, je gedachten.
--------

Hard, hé? Nou, ik aanvaard dat tóch. En jij, en u? Zo niet, dan moet ik zeggen: “Wat zonde, zeg!”. Ja, dat is nou echt zonde. Dat is gewoon jammer. Maar ook zonde in de betekenis, die het in de bijbel wel heeft: dat je de bestemming niet bereikt. God heeft je bedoeld voor het leven. Bedoeld, om voor altijd, voor eeuwig, écht te leven. En dat mis je dan.

Dus, accepteer, wat God over je leven zonder hem zegt: dat je leven, jij zelf, één brok zonde zijn. Dat je zelf misschien nogal eens moet schrikken van je gedachten. Dat je vaak door iets niet te doen, of door te zwijgen, grote kansen om van positieve betekenis te zijn, mist. En dat dat niet maar zonde, jammer is. Maar dat je op dat moment je bestemming miste.

En dat is zonde. Zonde, zoals Johannes dat bedoelt. Dat is zonde naar God toe. Ja, ik weet het: het is vreselijk moeilijk, dat te aanvaarden. Maar toch: dat is de weg naar het leven. Dan mag je dat ander óók aannemen: die vergeving. Want weet je; God aanvaardt ons en heeft ons lief: bruto, niet maar netto. Hij aanvaardt ons, zoals we zijn: een brok zonde en schuld. Hij heeft ons lief, niet alleen maar schoon gewassen, maarook inclusief alle modder en viezigheid er aan.

De dichter Gerrit Achterberg heeft in een vlaag van verstandsverbijstering zijn hospita dood geschoten en haar dochter verwond. Hij dichtte later:
“Ik deed van alles, wat gedaan kan worden
het meest misdadige – en was verdoemd.
Maar Gij hebt, God, een witte steen genoemd,
mét die van mij. - Nu is het stil geworden,
zoals een zomer om de dorpen bloeit.”

Van die witte steen kunt u lezen in Openbaring 2:17. Maar zo is het: verdoemd, de winter, de dood. Maar toch: de zomer, de bloei, het leven, licht in de duisternis van je bestaan. Dát geeft God! Wat een wonder, onbeschrijfelijk groot en goed! Wat een blijdschap komt er dan in je hart! Wat eenruimte in je leven! Wat kun je dan opgelucht ademhalen. Wat ga je een ander dan gunnen, de vergeving aan hen ook te gunnen. Gods vergeving van zonden. Maar ook dat jij hen vergeeft wat zij jou hebben aangedaan.

Het bloed van Jezus, de Zoon van God, reinigt ons van alle zonden. Letterlijk van alle. Zo bont kunnen we ’t niet maken, dat de reinigingskracht van dat bloed ze niet áán kan. Het lust ze rauw, om zo te zeggen.

Dat heeft hij gedaan. Dat is een feit, niet door alle aardbevingen samen met alle overstromingen, met verenigde krachten, van zijn sokkel te krijgen. Daar kunnen geen miljoen duivels iets van af doen. En daar kan geen enkel mens iets aan toe voegen. Dat is genoeg. En genoeg is genoeg. Daar kán 0,0 % van ons bij. En daar hoeft ook niets bij.

Maar er is wél een weg naar toe. En die staat klip en klaar voor ons opgeschreven. Kijk maar naar het begin van vers 8 van 1 Johannes 1. “Belijden we onze zonden, dan zal hij, die trouw en rechtvaardig is, ons onze zonden vergeven”. Er is dus een betrouwbare TomTom. Ja, zelfs veel en veel betrouwbaarder: we vinden geen enkele wegomleiding of –opbreking onderweg. De God die trouw en rechtvaardig is, wijst die weg. En Jezus, de Heiland, mens en God, hij IS die weg.

Dus: die weg gáán, je zonden belijden. Want anders kom je niet op je bestemming. “Als we zeggen, dat we de zonde niet kennen, misleiden we onszelf”, staat er. Jezelf mis-leiden, verkeerd leiden, zodat het mis gaat. En zelfs als je niets doet, gaat het, is het mis. De enige weg naar het doel, de bestemming is Christus. Je zonden belijden.
Dat betekent: eerlijk toegeven, dat God in de bijbel gelijk heeft. Dat je eigen visie er niet toe doet. En er trouwens vierkant náást zit. Dat je door die te volgen, daarbij te blijven, nooit ofte nimmer thuis komt. Maar voor eeuwig blijft dwalen. Dan blijf je en bén je ver van huis. En dat zou pas zonde zijn! Wat zonde, zeg! Nou en of!

Het is een sprookje, dat de zonde in je leven een gepasseerd station kan worden, ja zelfs kan zijn. Een sprookje met een wel erg boosaardige heks. De duivel, die ieder, die zijn sprookjes gelooft, te grazen heeft en krijgt. Nee, geen leuk verhaal vandaag. Maar volledig waar. Dus moet het verteld worden. Moet het sprookje de wereld uit, je leven uit.

Want een sprookje deint je in slaap. En doet je mooie dromen beleven. Maar de werkelijke wereld, inclusief je eigen leven, is uit zichzelf geen sprookje. Het eindigt niet met “nog lang en gelukkig” leven. Nee, je leven is één groot massief blok zonde. En als God je door zijn Geest schoon wast, dan komt er een proces op gang. Waarin steeds weer, maar ook MEER zonden beleden worden. En dat proces duurt je leven lang.

Daarom heb je telkens wéér zonden te belijden. Maar even zo vaak wordt dan dat bloed in je leven actief. Het reinigt, telkens als je zonden belijdt, die zonden. Het wast die zonden weg, keer op keer. Daar kun je op rekenen. Het fundament van die belofte is zó vast, daar kun je een kerk op bouwen. Daar hééft God een kerk, ja DE Kerk op gebouwd. De gemeenschap van mensen, die leven uit de vergeving door het bloed van de Heiland.

Mensen, die daarom oook elkáár kunnen vergeven. En die vergevingsgezindheid stralen ze ook uit. Ja toch? Die theorie breng jij toch ook in praktijk? En dat laat je uiteraard ook naar buiten toe zien. Dat valt op., ook aan je buitenkerkelijke buurman. Daar worden mensen, die God niet kennen, jaloers op. Mogelijk zó jaloers, dat ze die gave ook graag willen. Nou, en als ze dat u laten merken... Oef, wat een mogelijkheid om óók met woorden te getuigen...
Amen.
---------

Voorstel voor een te gebruiken orde van dienst:

Vooraf: Zingende Gezegend ( A.F. Troost) 213:1,2,3
Na votum en groet: Psalm 65:1,2
(In ochtenddienst: als belijdenis van schuld én genade: Evang. Liedbundel 189b:2, 3
en lezen van Gods wil.
Dat laatste kan in de bewoordingen van dr. de Ruyter:

"In Christus spreekt God je aan: Ik ben de Heer, je God. Ik heb je bevrijd uit de slavernij van dezonde; Ik heb je vrijgekocht van de duivel; Ik wil jouw God zijn.
1. Ga niet naar een ander; IK heb je lief.
2. Eer mij niet op jouw manier; MIJN manier geeft vrijheid.
3. Misbruik mijn naam niet; MIJN naam redt jouw leven. 4. Gebruik mijn dag goed. Dit is de dag van ONS samen.
5. Resoecteer je vader en moeder. Door hen leer je MIJ kennen.
6. Kom niet aan het leven van een ander. Ik bescherm het jouwe toch ook?
7. Bewaar het geheim van man en vrouw. Ikmaak hen één in mij.
8. Neem niet wat van een ander is. IK zorg toch voor je?
9.Wees trouw in wat je zegt. Zo heb je mij ook leren kennen.
10. Wees niet jaloers. IK vervul het verlangen van je hart.)

Gebed
Lezing: 1 Johannes 1:5 tot 2:2
Gezang 449: 1,3,4,5
Verkondiging
Gezang 440: 1,2
Gebeden
Slotlied: Zingende Gezegend 272: 1, 4,5 of, in middagdienst, gezongen in berijming van Casper Koolsbergen:

`k Geloof in God de Vader, die almachtig hemel en aarde schiep; in Jezus Christus, Zoon uit God geboren, die hem tot aanzijn riep, mijn Heer, die van de heilige Geest ontvangen, geboren uit een maagd, geleden heeft ten tijde van Pilatus, onschuldig aangeklaagd.

Gekruisigd en gestorven en begraven, gedaald in helse dood, de derde dag verrezen, opgevaren, zit Hij voortaan naastGod, vanwaar Hij op een dag terug zal komen als rechter van 't heelal en alle levenden en alle doden ten oordeel dagen zal.

De heilige Geest, Hij wordt door mij beleden. `k Geloof, dat God ons geeft een Kerk, die heilig is en in de wereld als zijn gemeenschap leeft. "k Geloof, dat God mijn zonden wil vergeven, mijn lichaam eens bevrijdt van dood en ondergang, en ik zal leven in alle eeuwigheid. (melodie Gez. 114) en zingen Gez. 109:6.

Zegen.

Voor de dienst der gebeden:

In een dienst over deze tekst kan uiteraard een belijden van zonden -in zijn diepte en breedte- niet ontbreken. Evenmin een dankzegging voor de vergeving van onze zonden, het verkeerde, dat er was en is. En het goede, dat vaak ontbreekt, en altijd gebrekkig is. Loof onze God vol liefde: Hij zond zijn Zoon. Loof de Here Jezus: Hij gaf zijn leven. Bid ook om de hulp en leiding van Gods Geest om de strijd tegen de zonde met vuur te (blijven) voeren. Loof ook Hem om zijn bereidheid, dat steeds weer te doen. Bid ook om zo onze trots te overwinnen en de weg die ons gewezen werd te gaan.

maandag, december 27, 2010

GEZOCHT: TROUW! EN...GEVONDEN! (Psalm 36:6b Jaarwisseling)


GEZOCHT: TROUW – EN…GEVONDEN! (Psalmen 36:6b, jaarwisseling)

“HEER, …tot in de wolken reikt uw trouw…” Psalm 36:6b


[als u deze meditatie in een samenkomst van de gemeente wilt gebruiken op Oudjaarsavond of Nieuwjaarsmorgen, kunt u de volgende liederen wel gebruiken: Psalm 36; 91:1,2; Gezang 398!, 293, 426!, 427, 460; Zingende Gezegend 270; voor de kinderen: Stil maar, wacht maar...)
--------

Zo rond de jaarwisseling worden we wel eens “sentimenteel”, zeggen we dan wel. Vooral zo op de laatste dag van het jaar hebben we daar last van. Dan gaan we wat mijmeren, wat herinneringen ophalen, wat mediteren over wat geweest is. We kijken óm. Naar het jaar dat voorbij gevlogen –of soms voorbij gekropen is.
We vragen ons af, wat dat jaar ons heeft gebracht. Heeft het ons gebracht, wat we verwachtten, wat we hoopten. Of?
Ik vrees, dat velen teleurgesteld zijn, de één meer, de ander minder, maar toch. Teleurgesteld in het leven. Zoals het gegaan is. Teleurgesteld in het leven. En vooral teleurgesteld in mensen. Niemand is betrouwbaar. Niets gaat zoals je graag wilt. Wat is een belofte nog waard? Als je op zoek bent naar trouw, naar betrouwbaarheid, dan is dat een zoektocht zonder eind.

Er is één, die altijd, overal en in alle opzichten trouw is. U begrijpt het al wel: ik bedoel God. En over die trouw van God gaat het dus over dat zinnetje uit dat lied, Psalmen 36, die schuin gedrukte regel hierboven.
God staat daarin tegenover godloze en daarom goddeloze mensen. Die laatsten fabriceren 100% plannen. Plannen, die ze goed vinden voor zichzelf. Maar die tegen de wensen van God ingaan. Omdat ze slecht nieuws brengen aan de mensen om die goddelozen heen. En die plannen voeren ze nog uit ook, als ze de kans krijgen.

Maar God heeft radicaal andere eigenschappen. Bij Hem zijn onder meer liefde en trouw. En die liefde en die trouw hebben alles met elkaar te maken. Die zijn niet los van elkaar verkrijgbaar. Die liefde is trouwe liefde. En die trouw is trouw boordevol liefde. Het is trouw aan al zijn beloften. Want die beloften heeft Hij gegeven uit liefde. Omdat Hij de allerbeste plannen heeft met zijn volk. Met elk van zijn kinderen heel persoonlijk. Al die plannen maakt Hij tot werkelijkheid.
Want zijn trouw reikt tot de wolken, zegt de dichter. “Ook niet hoog”, denken wij. Wij, die vliegvelden kennen. Die de wolken doorklieven. En ver boven de wolken de reis maken naar verre landen en steden. Die zelfs weet hebben van ruimtesondes, die ook mensen nog veel en veel hoger kunnen brengen.
De dichter heeft van vliegtuigen geen flauw benul. Ruimtevaart, nooit van gehoord. Maar hij kent wel de HEER. En hij weet ook uit ervaring het één en ander van Gods trouw. En hij zegt: die trouw van God, dat is een geweldige stapel. Die is hoger dan je ogen kunnen zien. Onvoorstelbaar, zo groot, zo hoog, zo lang en langdurig is Gods trouw. Daar heeft de dichter van dit lied een heel hoge pet van op. Daar denkt hij enorm groot van! Hij heeft er alle vertrouwen in, dat de HEER al zijn plannen volvoert.

En Gods trouw is voor hem nauw verbonden aan liefde. Dit is trouw, verbonden aan liefde. Deze trouw is liefdevolle trouw. Zoals Gods liefde trouwe liefde is. Liefde, die het nooit opgeeft.
Eigenlijk hoort dat ook zo, die verbinding. Trouw is in wezen ingebakken in liefde. Zoals liefde een wezenlijk element van trouw is.
Tegenwoordig denken veel mensen daar anders over. Die beschouwen soms, vaak al heel gauw, hun huwelijk of relatie als beëindigd. “Ik houd niet meer van je. Vroeger wel, nu niet meer”. Een huwelijk met een gekozen eind. Op, opgesoupeerd. Liefde zonder trouw. En trouw zonder liefde. Trouw, die het niet houdt, zoals ijs van één nacht.

Daarom krijg je in zo’n voorbij gegaan jaar ook zoveel teleurstellingen te verwerken. Word je in mensen telkens weer teleurgesteld. En kijk je soms met zeer gemengde gevoelens terug. Ben je geneigd, óm te zien in wrok. Ben je niet verzoend met dat jaar, dat achter de rug is. Zijn mensen je ontrouw geweest. En daar ben je niet klaar mee. Je hebt die mensen niet vergeven.
Duidelijk is, dat je dat, zo mogelijk, moet doen. Je moet het in elk geval met God bespreken. Wrok is iets, wat je leven kan verzieken, verkankeren. Dingen moeten uit de weg geruimd worden, voordat ze een gezwel kunnen worden in je leven. Je leven kunnen verzieken.
Je kunt ook gewoon terugkijken en dan pijn voelen. Pijn over wat mensen deden. Over verbroken beloften. Over ontrouw van mensen, die pijn deed. Soms onbedoeld. Omdat het leven nu eenmaal anders ging. Omdat ze hun belofte niet konden houden. Door de omstandigheden. Of “gewoon” vergeten.
Ja, zo zijn wij mensen. Helaas ook christenen. Maar die vechten er wel tegen. Die willen betrouwbare liefde tonen. En liefdevol trouw zijn. Die vechten daarvoor en bidden daar om. U toch ook?


In Gods liefde zit wél trouw. En in zijn trouw zit liefde.
Daar lijkt het soms voor geen millimeter op. Met die beloften van God schiet het echt niet op! Dat hoor je wel eens zeggen. En er lijkt alle reden voor. Ook vandaag. Ook als we terugkijken op het jaar, dat bijna voorbij is. Kijk, dat mensen ontrouw zijn, alla! Dat je op vrienden zelfs niet altijd áán kunt, erg, maar tot daar aan toe. Maar God? Houdt Hij zich nu ook al niet aan zijn woord? En, heeft het daar zo nu en dan niet eens wat van weg? Dat die wolken wel erg dichtbij zijn? En die trouw echt niet zo hoog?

Wat heeft 2010 nou opgeleverd, als het om het vrederijk gaat? Hoeveel dichter zijn we bij het Paradijs gekomen? Het lijkt verder weg dan ooit! Het lijkt alsof de mensen van het allooi van de eerste verzen van deze Psalm steeds meer in de melk te brokkelen hebben! Verderfelijke plannen (vs. 6) te over! Gericht tegen weerloze dieren en mensen. Tegen bepaalde bevolkingsgroepen. Ja, zélfs tegen de mensen die op deze HEER vertrouwen!

Maar God IS trouw. Het tegendeel is in feite alleen schijn. Die zondaars houden geen stand. 2010 bracht ons weer een jaar dichter bij het zichtbaar worden van Gods Rijk. En het nieuwe jaar zal de volgende stap zijn. Vast en zeker! Want Gods trouw reikt tot in de wolken. Is eindeloos. En het is trouw, doordrenkt van liefde! Van eindeloze liefde! Liefde voor mens en dier. Want Hij is de redder van mens en dier. Er komt een nieuwe hemel én aarde.

Die verderfzaaiers, zegt vs. 13: daar liggen ze, machteloos! Zó zal het eens te zien zijn! En wij mogen proberen, aan dat vrederijk nu al in onze kleine of wat grotere kring nu al gestalte te geven. Laat dat ons grote goede voornemen voor het nieuwe jaar zijn. God wil jou en mij gebruiken, om aan dat nieuwe Rijk al wat en steeds meer gestalte te geven.

En voor wat ons eigen leven betreft: ook in 2011 mogen we een klein vogeltje zijn. Een kuikentje, dat schuilt onder de vleugels van Moeder God. Een klein mensje. Met aan voeding en drinken geen gebrek. Met vreugde, van binnen en van buiten.

Dat wordt zó gezien een prima nieuw jaar! Een topjaar! Kan niet beter!


Amen.



dinsdag, november 30, 2010

Kom er in, vreugde! Scheer je weg, verdriet! (Adventspreek)


KOM BINNEN, VREUGDE! WÉG, VERDRIET! (preek, Advent)
“Gejuich en vreugde trekken de stad binnen,
gejammer en verdriet vluchten eruit weg.” Jesaja 35:10
-----------

Voorstel orde van dienst:

(Eventueel) Intochtslied: Zingende Gezegend 202 in wisselzang:Vs. 1 allen, 2 vrouwen, 3 mannen, 4 allen, 5 vrouwen, 6 mannen, 7 allen.
Na wijdingswoord en groet van God: Psalm92:2 en 3
{{(In ochtenddienst: Als verootmoediging lezen Daniël 9:9,10 en zingen Zingende Gezegend 218:2
Gods wil: Romeinen 12:9-21 en zingen Zingende Gezegend 218:4)}]
Gebed om de leiding van Gods Geest
We lezen en zingen Jesaja 35, aldus: zingen Zing.Gezeg. 23:1, lezen Jesaja 35:5-8, zingen Zing,Gezeg, 23:4
Preek over Jesaja 35: 10
Zingen Psalm 118:5,7
Gebeden
Kollekten
Gezang 114:1 en 3
{}(in tweede dienst: Aposolische Geloofsbelijdenis (eenvoudig):

"Wij geloven in de Here God, onze Vader, die alles gemaakt heeft: de wolken, de bloemen, de dieren en de mensen. Zó machtig is Hij! Wij geloven in Jezus Christus, de Zoon van God, die geboren werd in de stal van Bethlehem, die gestorven is aan het kruis en daarna begraven is. Maar na drie dagen is Hij weer opgestaan uit de dood. Wij geloven, dat de Here Jezus naar de hemel is gegaan. En dat Hij terug komt op aarde, om alles nieuw te maken. Wij geloven in de Heilige Geest, die gekomen is op het pinksterfeest en die wonen wil in ons hart. Wij geloven dat we in de kerk bij Christus horen: aks kinderen in het gezin van onze hemelse Vader, waar we allemaal thuis horen. Wij geloven dat onze Heer onze zonden vergeven wil, dat wij straks een nieuw lichaam krijgen en dat we altijd bij de Here Jezus mogen zijn." ){}

Gezang 114:3 Zegen

----------------------
Nederlanders zijn de gelukkigste mensen van de wereld. Dat is het resultaat van een onderzoek, zo was er onlangs in de krant te lezen. Het zal wel wáár zijn. In elk geval, dat mensen dat zéggen. Maar dat zou dan ook te zien moeten zijn aan de mensen. Die zouden echt wel wat blijer mogen kijken! En verbeeld ik het me, of is het wáár, dat veel mensen er nou niet bepaald blij uitzien?

Trouwens, wat is dat geluksgevoel waard, als wij Nederlanders mopperen op van alles en nog wat. Op het weer bijv. Wat was dat nou voor zomer, zo nat en koud! En wanneer krijgen we weer eens een echte winter! Mopperen op de regering, die alles verkeerd doet en jou, juist jou, altijd wil “pakken”. Op de hulpverleners, ambulance, brandweer, die altijd te laat zijn. Op de politie, die jou altijd ten onrechte wil bekeuren. Enzovoort enzovoort. Tot en met de dominee en de wijkouderling toe, die zich nooit laten zien.

En als geluk gemeten wordt alleen naar hoe je je voelt, dan is dat geluk geen ‘blijvertje”. Dan is het “Jantje lacht, Jantje huilt”. Ja, wat is het ware geluk? Wat geeft echte, blijvende vreugde? Is er iets of iemand, dat of die daar voor zorgt? Waar is dat hier op aarde te vinden? Is hier 100%, pure, onvermengde blijdschap, blijvende vreugde? Is er geluk, dat niet puur door de omstandigheden bepaald wordt. Maar dat blijft dwars door alles heen?


Hoogste tijd om naar de bijbel te gaan. De profeet (dat is iemand, die namens God spreekt) Jesaja heeft het over een stad, waarin dat realiteit zal zijn. In hoofdstuk 35 van zijn prachtige boek. En hoofdstuk 35 komt na hoofdstuk 34. Overbodige opmerking, zeg je? Op zichzelf wél, ja. Maar het is wél een flinke stap wat de inhoud betreft. In 34 gaat het over oordeel. Oordeel over Edom, het volk waar Israël wel eens tegenover stond. Maar dat zijn broedervolk was. Het waren namelijk nakomelingen van Ezau, de broer van Jakob of Israël. Die worden in Jesaja 34 veroordeeld. Het finale oordeel, de ultieme straf wordt aangekondigd. En in Edom treft eigenlijk alle heidense volkeren dat oordeel, als het zal komen.

Maar dan Jesaja 35. Daar staat boven: “bevrijding en terugkeer”. En dat betreft het volk Israël. De verlossing daagt. Het volk wordt bevrijd uit de ballingschap en mag terugkeren naar eigen land. Maar we zullen zien, dat daar ook geweldige dingen worden toegezegd aan ieder, die gelooft.

Een grote verandering wordt aangekondigd. En deze verandering is in alle opzichten een verbetering. De profeet zet tegenover de woestijn, de wildernis: de luister van de Libanon. Dat gebied was zeker in die tijd een prachtig gebied: veel groen en water, geweldige bomen. Ja, nóg groter is de tegenstelling. Want een grotere tegenstelling dan die tussen woestijn en paradijs, kun jij die opnoemen? Nou, zo’n verandering zal Israël meemaken: onderdrukking, ballingschap, ellende wordt vrijheid, nieuw bestaan, geluk in eigen land!

God komt. En niet met oordeel, maar met genade. Hij komt, als heelmeester, genezend. Hij komt als schepper, laat het leven ontluiken, opbloeien. Ja, de woestijn bloeit op. Komt tot ontplooiing, zoals een knop zich ontvouwt tot een schitterende roos.
En het gaat nog verder, nog dieper, nog groter.

Kijk, u weet het, ervaart het dag in dag uit: we hebben het paradijs verloren. Wij mensen, u, jij, ik, we zijn het kwijt, voorgoed. We zijn er uitgezet, uitgejaagd. We hebben ons er uit gezondigd. Dat is te merken. Dat ervaren we elke dag. Overal,wáár we ook zijn, en waar we ook kijken. Het paradijs is er niet meer.

Niet meer in de natuur eigenlijk. Die is verminkt, defect gemaakt. Diersoorten zijn bijna of helemaal uitgeroeid, bossen worden in rap tempo gekapt. En van het samenleven op aarde kunnen we ook geen pretje meer maken. Het is meer een soepje, een zootje geworden. En het lukt ons maar niet, de wonden te genezen. En ikzelf? En u? En ervaar jij het leven als een paradijselijk iets? Ja, soms, even,als je vreselijk verliefd bent. Als je een kind in je armen houdt. Als er voor het eerst een kind van jouw kind is, dat jou “oma” noemt.

Maar ’t verdampt allemaal zo snel, dat mooie, dat geluk hier. En ervoor in de plaats komen moeite en leed, om met Mozes in Psalmen 90 te spreken. Onze reis door het leven is eigenlijk, op de keper beschouwd, geen spelevaren. God heeft ons geen kalme reis beloofd, wél een behouden aankomst. Maar geen kalme reis. Dat merkt u toch ook? En het kan in je leven soms behoorlijk spoken! Metershoge golven! Als je dan niet wist van Gods beloften…. Als je dan Gods armen niet om je heen wist –al voel je die lang niet altijd, ze zijn er wel. Maar een paradijs hier, nou nee, niet echt! Nee, een barre woestijntocht, zo is het leven vaak.

Maar God wil het paradijs terug, weet je. Hij ziet ons graag gelukkig. Daarom slaan gejammer en verdriet op de vlucht. Ze kiezen het hazenpad, als de HEER dat wil. Als God zijn volk terugbrengt naar hun land, naar hun stad Jeruzalem, dan vluchten de krakers. Ze weten: wij zijn hier illegaal. Nou helpen geen barricades. Nu wordt het rennen voor je leven. En daar gaan ze, die jammer en dat verdriet, hals over kop!

Want daar komt God, aan het hoofd van zijn volk, de wettige bewoners. Ze waren weggevoerd om de zonde, de donkere ballingschap in. Daar verbleven ze machteloos, zonder perspectief, machteloos. Trillende handen, knikkende knieën. Hopeloos! Hoopjes ellende, in één woord gezegd. Zo was het. Maar nu? God heeft zijn belofte waar gemaakt. En kijk, nu bestaat het volk uit mensen, die stuk voor stuk “een heel andere mens” geworden zijn. Nu hebben ze weer moed en kracht. Kijk, daar is Jeruzalem!

En zie ze de stad binnen trekken! Niks geen gejammer! Geen traantje te bekennen. Nou ja, vreugdetranen, die wel. Gejammer en verdriet heeft God weg gebonjourd. En binnen de muren vestigen zich nu gejuich en vreugde. Vreugde, daar zijn zelfs kronen van gevlochten. En daar zijn ze mee getooid. Ze juichen, ze dansen en springen. Hoor ze zingen! Hoor ik psalm 150? “Halleluja, loof de HEER!” Blije mensen zijn ze. En blijven ze, want gejammer en verdriet wonen er immers niet! Gejuich en vreugde, die zijn er thuis! “Kom maar”, heeft God gezegd. “Hier mogen jullie binnen. Hier mag je wonen!

Dat is de belofte voor de toekomst. Dat was Israëls Adventstijding. En wij?

Ben jij een blij mens? Dat kan. Met Pinksteren is Jeruzalem groter geworden. Wereldwijd zelfs. Overal, waar Jezus, de Heiland erkend wordt, daar is een oord vol gejuich en vreugde. Mensen, die met Jezus leven, zijn in principe blije mensen. Want Jezus is immers de grote overwinnaar? Gejammer en verdriet zijn op de vlucht geslagen. Ze hebben geen recht meer om te wonen bij Gods volk. Dus ja, als ik geloof dan ben ik in principe een blij mens. Met de mond vol met lofzangen. Lof voor God, onze Vader. En voor Jezus onze Heiland. “Halleluja, lof zij het Lam!”

Dus nogmaals die vraag. Stel die aan jezelf. Ben ik een blij mens? Als ik in de spiegel kijk, wat zie ik dan? Een brok chagrijn of een hoofd met een kroon van vreugde? Ben ik onder de indruk van die oude kop met rimpels? Of van wat de Heer door zijn geest aan die mens gegeven heeft en zal geven. Zie ik in de spegel een nieuw mens?

Laten we geen verstoppertje spelen met elkaar en met onszelf. En eerlijk bekennen: we kijken lang niet altijd door en over ons spiegelbeeld heen. We zien die vreugdekroon vaak niet. Ook niet als we onze Heiland Jezus kennen. En dus de bril van het geloof dragen. En weten van de tweede Advent. Van de toekomst, die ons wacht, doordat Christus ons bevrijd heeft. We staan echt niet altijd te juichen. En die kroon van de eeuwige vreugde dragen.

Nou is het ons allemaal duidelijk: we hebben bepaald ook niet altijd reden tot vreugde. We zitten soms nog werkelijk midden in de woestijn. We waden door het brandende zand. Soms is het leven een moeras, waarin we in een dodelijke omklemming vast zitten. We dreigen verzwolgen te worden. Niet dan? Voelt het zó soms niet aan?

En toch: er is een belofte. Jezus is de komende koning. De koning, in wiens Rijk alles heel zal zijn. Die alle tranen droogt. Elk gejammer van verdriet verdrijft. Wat heeft Hij daarvan al veel tekenen laten zien, toen Hij op aarde was.
We zijn op weg naar de volle vervulling van Jesaja 35.

Want wat God wil, dat gebeurt. Zonder mankeren! Je zag het aan Israël bij de terugkeer uit Babel. En dat gaat nog een stuk verder! Hij zorgt er niet maar voor, dat er wat mensen in de hemel komen. Nee, Hij zorgt voor een nieuwe aarde, een nieuwe schepping zelfs! Dan jaagt Hij gejammer en verdriet weg. En dan voorgoed, definitief, helemaal!

Dat belooft de HEER. En die belofte stáát. Die belofte is niet anders dan zekerheid. Weet u waarom? De basis van Gods beloften Zijn altijd het werk van Christus. Aan de basis staan namen als Golgotha, waar Christus stierf voor de zonden. En de hof van Jozef, waar Hij opstond. Dat is de garantie, dat de dood verslagen is. En van het feit, dat ook de gevolgen van de zonde eens zullen verdwijnen. Ook gejammer en verdriet. En dan is er blijvend plaats voor gejuich en vreugde.
Dat is de reden, dat het paradijs in aantocht is. Nee, het is er nog niet. De Kerk heeft het moeilijk vandaag. In sommige landen door vervolging. En hier door verleiding, een niet minder groot gevaar. Het is moeilijk voor de Kerk. En het wordt nog moeilijker, in de tijd voor Jezus’ terugkeer. Houd daar wél rekening mee!

Maar het komt goed, echt, helemaal goed! God veegt de tranen weg. Hij jaagt alle gejammer en verdriet voorgoed weg. En in het nieuwe Jeruzalem zijn en blijven voorgoed vreugde en gejuich. Die wonen daar.

Vind je dat ook niet een reden, om er naar uit te zien?

Amen.

--------------

Suggesties m.b.t. de dienst van de gebeden:

Bidden: voor mensen, die op zoek zijn naar geluk; leren, wat ware geluk is, blijvend, bron van vrede voor altijd; leren geluk op juiste plaats te zoeken; voor wie bij zoektocht naar geluk hopeloos verdwaald zijn, zijn blijven steken bij surrogaat. Danken, dat God ware geluk geeft in Jezus, zijn Zoon. Bidden voor mensen die Jezus kennen en toch nog in woestijn leven; veel mensen verdrietig, in gemeenten, in wereld. God ziet zo graag anders; zien op Hem, wijzen op Hem. Leer verlangen naar het oord,het leven vol vreugde, waar verdriet en gejammer verbannen zijn.