maandag, augustus 28, 2006

MAAR IK BEN TOCH BIJ JE? (meditatie)


IK BEN TOCH BIJ JE?

En houd dit voor ogen: ik ben mét jullie… Matteüs 28:20

Alléén zijn,
dat is een groot probleem. Er alleen vóór staan, of dat ménen of vóelen, dat is enorm zwaar. Als er niemand bij je is, er voor je is, dat is hopeloos. Dat kun je gewoon niet áán als mens.
Denk maar aan ziekte, ernstige ziekte. Dan kun je pijn hebben. Dan kun je sombere gedachten hebben. Dan kan het zó donker wezen. Zó zwaar aanvoelen. Zodat je het gevoel hebt: dit trék ik niet. Zo ga ik er onderdoor.
En als er dan niemand bij je is. Als er dan niemand is, met wie je kunt praten. Aan wie je die sombere gedachten, je angstige vermoedens, je pijn en verdriet kunt vertellen. Nou, dan wordt het ondraagbaar.

Of je moet iets doen, wat je niet áán kunt. Gewoon een onmogelijke opgave voor je. Je ziet er tegenop als tegen de Alpe d’Huez!

Wat een geluk, als je iemand hébt. Iemand, die kan helpen. Die naar je kan en wil luisteren. Die er voor je is, als het echt nodig is. Die dan zegt: Ik ben toch bij je?
Er zijn mensen, die dat niet hebben. Die er werkelijk alléén voor staan. Geen vrienden, geen familie, niemand.

Voor zulke mensen,
en voor iedereen trouwens, heb ik een bijzonder goede boodschap: er is iemand, die bij je, mét je wil zijn. En dat elke dag, elk moment. Tot aan het bittere einde. En zelfs nog verder. Zodat dat eind niet bitter wordt. Maar een zoet begin is. Lees maar…

Het gáát in dit gedeelte uit de bijbel over een opdracht. De 11 overgebleven leerlingen krijgen van hun meester iets te doen. Zelf heeft hij zijn werk op aarde gedaan. Het is helemaal áf: hij heeft geleden, is gestorven aan het kruis, is begraven, maar terug gekomen uit het graf. Van tussen de lijken weer naar de levenden gegaan.

Nu gaat hij naar de hemel, naar zijn vader. En de elf afgezanten van hem blijven achter. Met die opdracht. Die luidt, kort en goed: de mensen vertellen, van Jezus en zijn reddingswerk voor de mensen. En zo de mensen tot volgelingen van Jezus te maken. Te zorgen, dat ze door het horen van die boodschap volgelingen van Jezus worden. Een hele opdracht! De grote opdracht, die vandaag ook nog geldt.

Ook vandaag
hebben gelovige mensen de opdracht, getuigen van Jezus te zijn. In daden en woorden, in wat ze zeggen en in de manier waarop ze in het leven staan, laten zien en horen, wie Jezus voor hen is.
Moeilijk? Nou en of! Dat kon hun letterlijk “de kop” kosten. En dat hééft vele van Jezus’ volgelingen het leven gekost.

Nu, en dáárom komt Jezus met die belofte: houd dit voor ogen: ik ben mét jullie! Je staat er niet alleen voor. De almachtige Jezus (vers 18!) gaat naar de vader. Maar hij blijft toch bij de gelovigen. Wonderlijk, onbegrijpelijk! Maar toch wáár. Daar moeten we maar niet al te lang alleen maar over denken. Dat moeten we maar aanvaarden.

Jezus belooft dus, mét ons te zijn. Met allen, die met hem door het leven wíllen gaan. Die hem in hun nabijheid, in hun hart, in hun leven, toelaten.

Hij wil mét hen zijn
bij het volbrengen van de opdracht. Hij wil vrijmoedigheid geven, om goed over Jezus te spreken. Als daar een goede gelegenheid voor is namelijk. Maar ook die wil God geven, als je ’t vraagt. Jezus wil mét ons zijn, zodat onze manier van leven (verder) opknapt. Er een beetje fatsoenlijker uit gaat zien. Zodat de mensen minder reden hebben te zeggen: “Wat maakt die christen, zoals hij zichzelf noemt, er een troepie van!”.

Maar Jezus wil óók mét ons zijn, als er niemand is, en we toch een luisterend oor nodig hebben. Of een hand, die je vasthoudt. Als je verdrietig bent. Of eenzaam. Als het donker is en somber. Als de pijn je kwelt. Zelfs als niemand helpen kán. Ook al staan er mensen klaar die dat wel willen.

Hij wil bij je zijn, en zál bij je zijn, als je hem toelaat. Bij je, als niemand bij je kán zijn. Als je die etappe van je leven moet afleggen van volstrekte eenzaamheid. Hij gaat mee, zelfs de dood in. En…hij is daar gewéést. En weer teruggekomen.
Hij heeft een uitgang uit het graf gemaakt. En uitgang aan de andere kant, door het graf heen.

Dan zegt hij: Ik ben tóch mét je! Wees maar niet bang, ik ben toch bij je?

(september 2006)
-----

Bidden:
Of ik nu een klaproos ben
de duurste roos
of eentje ergens tussenin:
laat mij opgroeien
en open bloeien voor U,
de schepper van mijn leven,
tussen madelieven,
koren-, paardenbloem,
het maakt mij echt niet uit.
Het enige dat ik vraag:
laat mij door U zijn omgeven
.
(Tinie Goedhart)

maandag, augustus 21, 2006

HIJ SNOEIT. EN PIJN, DAT HET DOET! (preek, met persoonlijke toepassing over mijn situatie)


HIJ SNOEIT. EN PIJN, DAT HET DOET !

“Iedere rank…snoeit hij bij…” (Johannes 15:2)

Er zijn mensen,
die erg opzien tegen een bezoek aan de dokter. Of die doodsbang zijn voor de tandarts. Want weet je, die man kan je misschien erg zeer doen. En pijn, wie heeft er geen hekel aan?
Dokter en tandartsen móeten je wel eens even pijn doen. Je hebt een bepaalde injectie nou eenmaal nodig. En er móet wel eens geboord worden. En soms is een zenuwbehandeling nodig. En dat is allemaal niet prettig. Bepaald niet!

Maar ja, zachte heelmeesters maken stinkende wonden, zo luidt het gezegde. Dat prikje, die behandeling, die vieze pillen, het is allemaal voor je bestwil. Om erger te voorkomen.

Zo heeft een plant
soms ook een radicale behandeling nodig. Bijvoorbeeld een wijnrank. Die moet hardhandig, én deskundig, gesnoeid worden.

In de woorden boven deze preek is Jezus aan het woord. Hij vertelt hier een gelijkenis. Dat is een verhaal, waarin iets uit het dagelijkse leven verteld wordt. En daarin een beetje verscholen wordt iets aangegeven van de werkelijkheid in het rijk van God. Hoe het dáár toegaat, in het groot, maar ook in het klein. En daar komen wij dus volop aan bod. Gewone mensjes, zoals jij en ik.

O.K, deze gelijkenis
is dus een aspect van het gewone leven van Jezus’tijd en van het land Kanaän, zoals het in de bijbel heet. Daar was de druiventeelt een algemeen verschijnsel. Niet maar dat er druiven verbouwd werden in grote wijngaarden. Maar ook, zoals dat in mijn jeugd op het platteland hier gebruikelijk was met appel-, pruimen- en kersenbomen. Net als groenten en aardappels: je verbouwde ze zelf.

Dat is dus ééuwen geleden! Praktisch niemand had nog tv.! Zelfs een radiotoestel was een bezienswaardigheid. Stel je voor! Maar goed, zó “stok” ben ik dus. Nu is ook op het platteland een groentetuintje een rariteit. En vruchtbomen vind je ook amper. Tóen dus wėl.

Zo hadden de mensen toen en daar – in elk geval op het platteland- o.a. druiven. Het werd gezien als een teken, dat het goed ging. Dat er vrede was en welvaart. De profeet Zacharia (in hoofdstuk 3:10) kondigt aan: Indien je mij (de HEER) gehoorzaamt…zullen jullie elkaar uitnodigen onder de wijnrank en onder de vijgenboom. Ook de ranken met bladeren boden in tijden van welvaart en vrede dus schaduw, om gezellig met de visite buiten te zitten.

Dat betekent dus,
dat men algemeen wist van de hoed en van de rand. De mensen knikten bij wat Jezus zei over de wijnstok. Ze herkenden de dingen, die hij noemde.

“Ik ben de ware wijnstok”, zegt Jezus. “En mijn vader is de wijnbouwer”. En het is geen liefhebberij van God –al heeft hij zijn mensen wel heel erg lief. Maar die wijnstok is er niet een beetje bij, als hobby. Nee, het is hem echt om vrucht te doen. Heel veel en prima kwaliteit druiven, daar gáát hij voor!

Dáárvoor is Jezus gekomen. Daarvoor heeft God zijn zoon gezonden. Daarvoor is Jezus de ware wijnstok. En die wijnstok is prima. Daar mankeert helemaal niets aan. Allemaal puik, in orde, goed geregeld.

Ik ben zelf al een aantal jaren
als liefhebber bezig met het verbouwen van wat druiven om sap van te maken. Dat laatste doet mijn vrouw dan. Maar ik mag proberen ervoor te zorgen, dat de wijnstok druiven voortbrengt. Daarvoor moet je zorgen voor bemesting. En voor water, als het een periode van droogte is.

Hoe het met die druiventeelt van mij gáát? Nou ja, eigenlijk niet zo geweldig. Daarvoor heb je veel meer vakkennis nodig. Maar ja, al doende leer je. Tenminste, een beetje. En leer je vooral ook dingen áf.

Ik heb wél ontdekt, dat een wijnstok zorgt voor enorme groei van de ranken. Voor zover mijn kennis reikt: ik ken geen plant, die dat zó enorm doet. Hij zorgt voor de ranken. En ook voor vruchten. Maar daarvoor moet je die ranken wél erg in de gaten houden. Want die “misbruiken” die groeikracht nogal eens. Dan komt er wildgroei. Dan komen er te veel en te lange ranken. En verschijnt er veel te veel blad.

Als je een “dief”
–dat is een nieuwe uitloper in de oksel van een andere rank of blad- verwijdert, dan ben klaar. Denk je? In de verste verte niet! Als je na een week terugkomt, is er wéér een dief. En vaak is er óók een “reservedief” aanwezig. En soms nog een tweede. Ja, de bank met reserves zit aardig vol!

Laat je dat allemaal begáán, dan komt het niet goed. Voor geen meter! Zo komt er vrucht van likmevestje. Wéinig vrucht, en kléine druifjes! Daarom is het snoeien, knippen en snijden en met je nagels wegknijpen geblazen. Je krijgt het idee, dat je niet anders doet! En toch, die nieuwe zijscheutjes moeten allemaal weg. Want anders blijven de trossen trosjes, zie je! En dat is niet de bedoeling natuurlijk.

Ik maak dagelijks fietstochtjes. Voor mijn gezondheid is dat. Vlak bij mij in de buurt kom ik dan langs een tuintje met een wijnstok. Na twee jaar is die al uitgegroeid tot een geweldige plant. Het is allemaal blad. Maar daartussen zie je ook een paar kleine trosjes druiven. Leuk, zou je zeggen. Maar zo hóórt het niet. De plant had nog lang niet zo groot mogen worden. En er had duchtig gesnoeid moeten worden. Je moet niet bang zijn, om de plant te beknotten!


Dat doet God, mijn vader, ook,
vertelt Jezus. Als een rank geen vrucht draagt, dan moet die weggeknipt worden. En als er wél vrucht is, maar kleine trosjes, met kleine druifjes, dan moet er gesnoeid worden. En dat doet deze wijngaardenier dan ook. Hij blijft met elke rank bezig.

Dat betekent dus: God houdt zich bezig met iedere gelovige persoonlijk. En hij blijft ermee bezig. God houdt zich persoonlijk met jou bezig, je hele leven lang! Alle dagen van je leven is hij aan het snoeien!

Dat snoeien zit nu eenmaal vast aan het verbonden zijn aan Jezus de wijnstok. Aan die wijnstok en met zó’n wijnbouwer zit je goed, letterlijk. Want dan zijn er groeimogelijkheden te over! Dan kun je je ontplooien, zover je maar wilt. Alleen: de richting bepaalt God. Het gaat hém erom, dat je vruchten draagt. Grote trossen. Dat kan, door de voeding, die de wijnstok aanlevert. Ongekend veel!

Bedenk dat dus wél,
als je aan hem verbonden wilt zijn. En verbonden zijn aan hem, in hem moet je eigenlijk zeggen, is een aanrader, dat zeker! Dat wil ik hier nog eens weer met erg veel nadruk vertellen. Bij Jezus moet je zijn! Verbonden met hem is er leven, écht leven. En wáár levensgeluk, hier en voor altijd. En buiten hem niet. De ranken, die niet aan deze wijnstok verbonden zijn, die wacht níets goeds.

Dus is de keuze in wezen niet moeilijk. Dat zal ieder begrijpen. En die keuze uitstellen lost niets op. En is in wezen gevaarlijk. Letterlijk lévensgevaarlijk. Dus…

Maar het is wél een keuze met consequenties. Want dan begint het snoeien, zie je! Dat snoeien, ja, dat is me wat. Niet altijd leuk, om te doen. Altijd weer die weerbarstige ranken! Telkens verzetten ze zich. Willen ze de verkeerde kant op. Gaan ze voor groei in plaats van bloei. Voor uitbreiding in plaats van vrucht. Voor nieuwe wegen, aangenaam, aanlokkelijk voor zichzelf. Maar ten koste van goede en zoete vrucht voor de wijnbouwer.

Nee, snoeien is niet leuk soms.
Daar is veel geduld voor nodig. En geweldig, dat God dat tóch maar opbrengt. Elke dag wéér! Snoeien kost veel. Maar gesnoeid wórden is al helemáál niet prettig. Snoeien doet pijn. Erg véél pijn soms.

Mag ik deze keer een voorbeeld uit mijn eigen leven geven? Ik aarzel, om dat te doen. Al gauw leidt het af van de boodschap. Maar tóch....

Ik werkte als predikant in een fijne gemeente. Met vallen en opstaan, ook na al die jaren nog. Maar lang niet álles was verkeerd, dacht ik. Ik bracht de boodschap van de bijbel. Op mijn manier, jazeker. Maar tóch. De boodschap van God, dus: de góede tijding. En ik had nog een aantal jaren te gaan. Wat moest er nog veel gebeuren! En wat kón ik nog veel doen!

En toen, zomaar, in een onderdeel van een seconde, sloeg die ziekte toe. Die “critical illness”, zoals dat heet. En mijn leven lag overhoop. En al spoedig bleek, dat ook na lange revalidatie, werken nooit meer zou gaan. Zómaar, plotseling, kreeg mijn leven een wending. Steeds meer richting het isolement in feite. Met elke dag pijn. En elke dag die moeheid.

Over snoeien gesproken…
En over pijn gesproken… Je werk, je gemeente moeten verlaten. Je lieve kleinkinderen lang niet de aandacht kunnen geven, die je zou willen geven. Zien, hoe je wereldje steeds kleiner wordt. En hoe minder en minder je de bescheiden gaven, die je hebt gekregen, kwijt lijkt te kunnen voor God en zijn dienst. En ga maar dóór.

Zo heeft iedereen wel zijn verhaal over snoeien en pijn vanwege het snoeien…

Nu geef ik beslist Gód niet de schuld van bijvoorbeeld mijn ziekte. We krijgen echt niet de straf hier, die we verdienen. Dan zou het pas erg worden. Zó erg, dat wil je niet weten! Dat zou de hel worden in optima forma. Maar nee, dát gebeurt niet. Die straf heeft mijn Heiland uit liefde voor mij gedragen.

En bovendien: Het is beslist niet zo, dat elke nare gebeurtenis, elke pijn, elke tegenslag, elk verdriet te herleiden is tot eigen zonde. En is ook niet altijd snoeien, om vrucht te kunnen dragen. De duivel is er ook nog, weet je. En die pijnigt, uit lust tot pijnigen. En om ons los te scheuren van Jezus. Nee, niet alle pijn is te verklaren. Het leven, het geloof en de vragen, ze zijn niet op te lossen met de logica van een sudoku.

Maar eerlijk is eerlijk:
dat alles gaat niet buiten God om. En door en in dat alles is hij aan het snoeien. Snijdt hij bepaalde richtingen af. En dat doet vreselijk zéér!

Maar zó, en alléén zo, komt er vrucht. Mag ik weer naar mijn eigen leven gaan? Meer persoonlijke omgang met God. Meer zien van de gaven van het gewone leven, in de kleine dingen. Een fietstocht langs een vijver. En in de vroege zomer op een fietspad door het bos, met aan weerskanten struiken met witte bloemen en heerlijke geuren. En de vogels, die zingen. Je voelt het bijna als heiligschennis, als zondig mens daar te fietsen! Dan juicht mijn hart: hoe groot bent U! Kleine dingen, zoals het eerste bakje koffie 's morgens, samen met je vrouw. Dan juicht mijn hart soms even: hoe goed bent U, voor mij...

Meer liefde tot God. En Jezus gaat zo steeds meer voor je betekenen. Niet, dat je dat dagelijks merkt, hoor. Maar er is groei. Of in dit geval: bloei. En vrucht. De vrucht van de Geest, waar we aan het begin van de dienst over lazen. Vreugde, die behoort óók tot die vrucht. En liefde.

En dan denk ik soms:
ja, die pijn. Die maakt je wel eens chagrijnig en neerslachtig. Méér dan eens. Veel te veel eigenlijk. Alsof alleen jij alle ellende van de wereld op je schouders hebt gekregen. En tot de vrucht van de Geest behoren niet chagrijn en gemoppper en gezeur over je ziekte en problemen...

Maar ja, snoeien doet pijn, vreselijk pijn. En toch…Wát is God blij, als hij vrucht ziet! Wat verheugt Jezus zich, als hij kijkt naar zo iemand. Niet om die pijn. Maar om de vruchten.Hij gaf zijn leven. En de kracht die door hem heen stroomt, zorgt voor vrucht!

Nee, ze zijn ons bepááld niet naar de zin. Zuur, klein, die druifjes. Maar boven is er vreugde!
Ook over jou? Láát u snoeien, ook al doet het pijn! In de hemel juichen God en de engelen!

Amen.

------------------------------------------------------------------------------------------------

Voorgestelde orde van dienst:

Eventueel vooraf: Gez. 460:1,2
Na stil gebed, wijdingswoord en groet: Gez. 460:3,5
{In ochtenddienst:
Het is goed, ook als gemeente, gezamenlijk, onze zonden te belijden en te smeken om vergeving en vernieuwing; we doen dat door samen te zingen Psalm 51:2,4
Dat er genade is voor schuldige mensen, daar is de bijbel duidelijk over. We zingen daarvan met de woorden van Psalm 51:6
Gods wil voor ons leven komt tot ons uit 1 Kor. 13
We zingen Gez. 481:1}

Gebed om opening van het Woord en de leiding van de Geest
Schriftlezing: Joh. 15:1-8
We zingen Gez. 78:1,2.
2e Schriftlezing:Gal. 5:22-26
Zingen: Zingende Gezegend 70:1,2,3.
Preek over Joh. 15:2 (ged.)
Zingen: Ps. 36:2
Dankzegging en voorbeden
Dienst van het offer
Gez. 157:3
{middagdienst: Geloofsbelijdenis van Nicea}
Gez. 157:4
Zegen
Amenlied: Zingende Gezegend 76:4

-----

Punten voor voorbede en dankzegging:

Loof de Heiland, om de vruchtbaarheid die hij geven wil. Voor de kracht, die hij in ons laat stromen. Zodat wij ons kunnen ontplooien. Zodat we vruchten kunnen dragen voor God.
Prijs God voor het geduld, dat hij met ons heeft. Want we zijn zo weerbarstig. En dag in dag uit wil hij ons verzorgen. Onvoorstelbaar!

Gebed, om als rank aan Jezus verbonden te worden, als dat nog niet gebeurd is. Want anders wordt het helemaal niets met ons!
Gebed om de pijn (blijmoediger) te dragen, die het bijgesnoeid worden kost. We voelen ons zo beknot
, ingesnoerd soms! Geef kracht, om dat te dragen. Laat ons (blijven) zien, dat het gáát om de vruchten. Vrucht voor de liefdevolle en zorgzame wijnbouwer!
Voorbede voor hen, die veel pijn te dragen hebben, (veel) meer dan anderen, of dat ménen.


(augustus 06)

zaterdag, juli 08, 2006

VAKANTIE, EVEN RUST ! (meditatie)



A L L E E N..., L E K K E R ?




Jezus... week uit naar een afgelegen plaats, waar hij alleen kon zijn. Matteüs 14 : 13

Vakantietijd. De mensen zwermen alle richtingen uit. Als een zwerm bijen, op zoek naar nectar in de bloemen.
Wat is jouw bestemming? Ga je ver weg? Of zoek je het deze keer in eigen land? Daar kun je het óók treffen met het weer per slot van rekening.
Vakantie. Het is je gegund. Want het leven vraagt al genoeg. Soms kan de stress te groot worden. En raak je zo langzamerhand opgebrand. Dan ben je écht aan vakantie toe.



Misschien heb je in het gewone leven veel met mensen te maken. Misschien ben je er aan toe, eens even een poosje géén mensen te ontmoeten. Geen andere mensen dan je gezin, bedoel ik. Dan moet je vakantie niet naar een beroemd toeristenoord leiden. Want daar kom je van de regen in de drup! Nee, dan wil je wat ánders. Dan ben je toe aan berg- of boswandelingen. In gebieden, waar je amper iemand tegenkomt. Waar alleen de natuur is. Dáár kun je tot jezelf komen!





Alleen zijn, daar hebben veel mensen een grote hekel aan. Ze schrikken ervan, als ze de klok horen tikken! Alleen is maar alleen. De meesten zijn gewend aan (veel) mensen om zich heen. In elk geval aan de bekende, vertrouwde mensen. Als die wegvallen, dan moet dat verwerkt worden. Als een man zijn vrouw verliest, als de vrouw alleen achterblijft, dat valt niet mee!



Alleen zijn, je moet leren, ermee te leven. Maar éigenlijk went het nooit. En verreweg de meesten zijn dan ook erg blij met elk bezoekje. Dan kun je eens even je verhaal kwijt, zie je! Daarom is de vakantietijd voor veel alleengaanden een extra moeilijke tijd. En kun je voor eenzame mensen veel meer betekenen dan je denkt, eenvoudig door een kaartje te sturen vanaf je vakantieadres.









Alleen zijn, in een verlaten gebied je vakantie doorbrengen, het trekt veel mensen dan ook niet. Die gaan het liefst naar een gezellig volle camping. En ze vinden 't niet erg, als het strand "dichtbevolkt" is. Als het maar gezellig is! Een gezellige tijd hebben, daar draait het om.
Nou ja, ieder zijn meug, zeiden ze vroeger.

Jezus zoekt wél de eenzaamheid. Hij heeft gehootd, dat Johannes de Doper dood is. Vermóórd, door Herodes, moet je eigenlijk zeggen. En Johannes, dat was de voorloper van de Messias. Zijn dood is voor Jezus erg in- en aangrijpend. Dat moet Hij wél verwerken. Daarom gaat Hij naar een eenzame plek. Hij wil alléén zijn.

Dat lukt voorlopig niet. De mensen vinden hem tóch weer. En daar komt het werk weer op hem af: zieken worden aangedragen en vragen om genezing. Maar die heling van het lichaam moet verkláárd worden. Dat Hij niet alleen het lichaam heelt, maar heel de méns. Dat geweldige nieuws moet Hij verkondigen.

Hij biedt ook nog zorg aan wat wij "de inwendige mens" noemen, maar waarmee we in de regel de maag bedoelen. Jezus geeft een hele schare te eten.

Maar dán stuurt Hij de mensen naar huis. En de leerlingen moeten vooruit gaan naar de overkant van het meer. En dán pas komt de Heiland aan zichzelf toe. Hij vindt de eenzaamheid, de afzondering. En die benut Hij voor contact met de Vader. Bij hem vindt Jezus weer kracht en moed om verder te gaan.





Zó wil ook ónze vakantie zijn. Een soort pompstation. Maar niet om benzine te tanken. Maar nieuwe kracht, nieuwe moed. Energie om er weer tegenáán te kunnen. En wáár je dan bent, dat dóet er eigenlijk niet toe. Want overal is die "benzine", die brandstof om vérder te kunnen, te krijgen. Ja, letterlijk: te krijgen. Helemaal voor noppes!




God gééft die namelijk dolgraag, aan u, aan jou. Dan moet je er wél om vragen. Dan moet je contact met God zoeken, óók in vakantietijd!





Dát belóóft wat, wat ik je brom! Dat wordt genieten in de vakantie. En kracht opdoen voor daarna!





Zingen/bidden:







Gij dak boven mijn hoofd.


ik schuil onder uw zegen;


mijn vuur wordt niet gedoofd,


mij deert geen ruige regen.





Gij steunbalk in de rug,


Gij muur om op te leunen,


al val ik vaak terug-


Gij blijft mij ondersteunen.





Gij steen om op te staan,


geen dag zou ik begroeten


kon ik op U niet gaan,


o grond onder mijn voeten.







Gij handpalm om mij heen,



behoed mij, doe mij hopen,



Gij dak, Gij steun, Gij steen,



mijn toekomst doet Gij open.




(A.F Troost, uit Zingende Gezegend)

maandag, mei 22, 2006

KOLONISTEN (meditatie, rond Hemelvaartsdag)


KOLONISTEN
(rond Hemelvaartsdag)

"Maar wij hebben ons burgerrecht in de hemel..." Filippenzen 3:20

Denk je wel eens aan de hemel?
Aan hemelvaartsdag denken we dezer dagen in elk geval wél eens, neem ik aan. We hopen dan op mooi weer. Want het is een vrije dag, zie je. En dan is het wéér toch wel erg belangrijk.

Maar buiten dat, denk je wel eens aan de hemel zélf? Misschien zegt u of jij: "De hemel? Zegt me totaal niets. Want ik heb helemaal niks met God -als Hij al bestaat. En geloven, dat is voor mij dus ook een vér-van-mijn-bed-show".

Of je bent wél gelovig, zeg je. Gelovig in de zin van: er zal wel iets zijn. Iets, dat op één of andere manier met deze aarde en deze mensen te maken heeft. Misschien denk je aan een leven na dit leven. In één of andere vorm dan. In de vorm van geesten misschien. Of in de zin van een nieuw bestaan, weer: op één of andere manier. Met “iets”van licht en vreugde en geluk of zo.

Maar dan denk je inderdaad niet aan de hemel. Want die komt in de bijbel voor. Dat is de woonplaats van God. Van de "god, die jou niks zegt". Of waar je wel heel vage ideeën over hebt.

Mensen, die vanuit de bijbel
toch wel wat méér weten, denken wel degelijk aan de hemel. En ze willen er allemaal graag kómen. Maar de meeste van hen denken: Jazeker, maar straks, na dit leven. Dus: láter pas. Sommigen denken: als het éven kan: véél later. Want al is er veel ellende, dit leven hier is toch de moeite waard. En die hemel, je weet er zo weinig van, zie je.

Er zijn óók mensen, die naar de hemel verlangen. Dán is weer de vraag: waarom verlangt u naar de hemel? Is dat alléén, omdat er in uw leven zoveel verdriet, ziekte, pijn en dergelijke is. Of is er méér?

Nu is er voor de mensen, die de hemel op zichzelf wel zien zitten
goed nieuws.
Want de hemel is binnen bereik gekomen. Jezus, de Christus, leed en stierf. Maar stond ook op uit de dood. Van tussen de lijken ging Hij terug naar het leven en de levenden. En Hij is naar de hemel gegaan. Het pad naar de hemel ligt open. Ook voor mensen.

We kunnen dus naar de hemel, na dit leven. Die mogelijkheid is er ook voor u en jou. Maar wat betekent dat nu voor ons leven hier?

Wij hebben ons burgerrecht
in de hemel, schrijft Paulus aan de gemeente in Filippi. Niet: we zullen eens in de hemel komen, en daarmee uit. Nee, we hebben dat recht , hier en nu. Wat betekent dat?

U moet weten: de inwoners van de stad Filippi waren Romeinse kolonisten. Ze wóónden ver van hun vaderland. Maar ze waren wél echte Romeinen gebleven. De tradities en gewoonten van Rome bleven hun leven bepalen. En de wétten natuurlijk ook. Want hun regeringscentrum was Rome.

Onze Koning troont in de hemel, wil Paulus zeggen. En wij zijn hier op de aarde. En we verwachten zijn komst hier. Zijn wederkomst. Want Hij komt terug, zoals Hij weggegaan is. Dan zullen hemel en aarde (nieuw, gelukkig maar!) ook zichtbaar één worden. Dan gaat ook die aarde er uitzien als een deel van het rijk van God. Dan zal ieder Hem gehoorzamen. Zijn regering aanvaarden. Naar zijn wetten leven.

Maar ook nu al
is Jezus onze Koning. Ook hier al gelden voor ons zijn wetten. Tenminste, als je je onderdaan van Hem noemt.

Dus: graag in de hemel willen komen, op zichzelf niks op tegen. Maar dan niet alleen, om van alle ellende af te zijn -al kun je daar soms bijna in stikken. Het gáát erom, de Koning te ontmoeten. En voor altijd helemaal naar zijn wetten te leven.

Maar ja, als dát een diepe wens van je is, dan weet je ook, dat je je burgerrecht in de hemel hebt. Dan ben je nu al kolonist van de hemel. Tijdelijk gedetacheerd op aarde. Maar dan probeer je ook hier en nu zijn bewind tot zijn recht te laten komen in je leven. Want dan wil je het de Koning steeds méér naar de zin maken

Is dat zo bij u en jou?

Want er zijn ook mensen,
die ándere "idols" hebben (en idool betekent letterlijk: afgodsbeeld, afgod!). Paulus zegt: van sommigen geldt, dat de buik hun God is. Het eten of niet eten van bepaald voedsel, dáár verwachten ze het heil van. Dat bepaalt hun leven. Zulke mensen -en zouden ze er vandaag niet bij bosjes op deze aarde rondlopen?- komen niet in de hemel terecht, als het zo blijft. Nee, hun wacht het verderf, de ondergang (vers 19). Ze zijn burgers alleen van de áárde. En daarom houden ze zich aan de regels, die hier gelden. En die soms lijnrecht tegen die van God en zijn Rijk ingaan.

Onderdanen van dat rijk van beneden kúnnen eigenlijk ook niets met de hemel, die Christus bereikbaar heeft gemaakt. Ze voelen zich bij die hemelwetten niet thuis. En in de hemel zouden ze bepááld niet thuis zijn. Ze willen immers zélf de dienst uitmaken?

Maar wie zich op en top happy voelt in de dienst van God, voor die is de hemel het einde. Of eigenlijk: dan begint het pas goed!

Zingen/bidden: Gez. 232

woensdag, mei 17, 2006

PREKEN (LEZEN), DE MOEITE WAARD?


PREKEN (MAKEN) DE MOEITE WAARD?
(na) Pinksteren

"... op die dag breidde het aantal leerlingen zich uit met ongeveer drie duizend." Handelingen 2 : 41b

Beleggen, aandelen aanschaffen
is een tijdlang erg populair geweest. Zodra je wat geld op je spaarrekening had, gingen mensen er over denken. dat te beleggen in aandelen. Want met de stijgende beurskoersen leverde dat heel wat op, zie je. Het rendement was hoog. En daar gáát het toch maar om, waar of niet. Slapende rijk worden, daar dromen veel mensen van. In elk geval: van veel geld verdienen, op gemakkelijke manier.

Toen was er een periode, dat het met de koersen heel wat minder ging. Dat leverde sommige mensen een flinke strop op. Hun aandelen zijn gekelderd. Zijn soms half zoveel waard geworden. Géén rendement dus. Integendeel! En nu lijkt het weer de goede kant op te gaan. En wordt beleggen misschien weer een rendabele business.

Preken,
preken houden, preken schrijven, is dát eigenlijk rendabel? Levert dat wat op? Of kun je je energie maar beter in wat anders steken. De hoorders en lezers, doen ze er wat mee? En de vraag, die er aan voorafgaat: is die preek zó, dat die mensen ráákt? En dat er wat gebeurt met hem of haar. Dat hij of zij zich bekéért? Dat hij zich voor het eerst naar God toekeert. Of de banden met God weer nauwer aanhaalt?

Kortom: is de preek rendabel. Komt er vrúcht tot stand?

Op het Pinksterfeest
in Jeruzalem, het eerste Pinksterfeest "nieuwe stijl", was dat duidelijk wél het geval. Drie duizend mensen werden toegevoegd aan de groep van gelovigen. Drie duizend!

Drie duizend mensen, die Jezus aanvaardden als hun Redder. En die in een lange file stonden, om gedoopt te worden. Eenvoudig, omdat dat niet gebeurd was, toen ze baby's waren. Toen waren ze besneden. Dat was het teken van het verbond, van de verbinding aan God en zijn beloften tóen. Nu is er de doop, door Jezus bevolen. En...filevorming vóór het doopwater, kóm er eens om!

Dát was de reactie op wat de apostelen namens hun Heer doorgaven. Apostelen, voor alle duidelijkheid, zijn mensen, die met Jezus hadden geleefd. En door Hem uitgezonden waren, om zijn boodschap door te geven. Die waren op dit Pinksterfeest aan het woord. In feite spraken álle volgelingen van Jezus, de vrouwen incluis. Maar de apostelen voorop. En het was met name Petrus, die verkondigde. Een preek hield, zeg maar.

Dat was blijkbaar een erg goede preek. En waaróm was het een goede preek? Natuurlijk, vooral omdat hij sprak, vervuld met de Heilige Geest. Dus: echt enthousiast. Want enthousiast is dat God in je is. Dat je vol van God bent.

En dat is altijd wezenlijk
voor een goede preek: dat de mensen horen, voelen, dat de preker zelf volop áchter zijn preek staat. Dat hij preekt niet alleen met zijn mond en zijn verstand. Dát moet ook. Maar het moet ook en allereerst uit zijn hart komen.

Maar als je enthousiast en vurig spreekt, en de boodschap is hol en leeg, dan kom je er natuurlijk nóg nooit een millimeter verder mee. Dus de inhoud is ook belangrijk. Die moet goed zijn.

Nu, als we bij Petrus te rade gaan, dan blijkt een goeie preek een paaspreek te zijn. De toespraak van Petrus gaat helemaal en alleen over Jezus. Jezus, die door zijn Vader naar de aarde was gezonden. Jezus, die zijn Geest naar zijn gemeente heeft gezonden. Jezus, die dood geweest is. Maar die lééft. En die door te lijden en te sterven en op te staan, rédding brengt.

En Petrus verkondigt, hoe dat vervulling is van wat profeten, brengers van Gods woord in oude tijden, al zeiden. Bijvoorbeeld Joël. U kunt er in Petrus' preek in Handelingen 2 van lezen.

Dáár gaat Petrus' preek over. Jezus, de levende Jezus, heeft vanuit de hemel zijn Geest uitgestort. Zoals je een volle bak water in één keer omkeert en leegstort. Daarom: bekeer je. Ga naar die Jezus toe. En laat je redden. Dat is samengevat de preek van Petrus.En die preek levert een hoog rendement op.

Drie duizend mensen
gehoorzamen en laten zich daadwerkelijk redden. Drie duizend! Dat zijn er véél! Drie duizend. die tot geloof komen als gevolg van één preek! Als die "score" op het bord zou komen bij alle preken van alle prekers... Stel je voor! In een mismoedige bui denken “prekers” vandaag wel eens: 3000 tot geloof komen door één preek? Tegenwoordig moet je 3000 preken houden, wil er één mens gered worden.

Drie duizend, het rendement van één preek! Als dat vandaag eens gebeurde! Dat ging in de miljarden lopen! Dan werden er geen kerken meer afgebroken. Of als expositieruimte of theater gebruikt. Dan was ieder kerkgebouw hard nodig! En moest er volop bij gebouwd worden

Drie duizend, dat is erg veel. Maar dat waren niet álle hoorders. Anderen bleven spotters. “Die lui? Die hebben te diep in 't glaasje gekeken”, zeggen ze. “Dát is de verklaring”. Anderen hadden totaal geen belangstelling voor de boodschap.

Nog weer anderen vonden, dat ze er nog maar eens een paar nachtjes over moesten slapen. Dit was zó afwijkend. En het ging per slot van rekening over een dode. Die was opgestaan. En die zou de Redder zijn? Dat gooide hun hele leven in de war. Nee, wacht eventjes, zeg! Nog even de beroemde kat uit de beruchte boom kijken...

Ja, drieduizend is véél.
Maar dat de boodschap, die Petrus en de anderen brengen, aanvaard wordt, is en blijft niets anders, niets minder dan een wonder. De boodschap van redding aanvaarden is op zichzelf al een wonder. Is werk van de Heilige Geest.

Drie duizend keer zorgt Hij ervoor, dat de pijl van de goede boodschap een mens raakt. Dat die hem, haar midden in het hart treft. Dat is best pijnlijk. Misschien wéét u dat. Heb jij dat ook ervaren in je leven. Maar misschien is er ook wel iemand in je omgeving, je kind, een vriendin, aan wie je dat toch graag zou gunnen.

Want je weet: het doet zéér. Maar het is heilzaam. Zoals een medische ingreep soms erg pijn kan doen. Maar wél nodig is. En genezing tot gevolg heeft. Zo is het met de pijl van de boodschap van God. Nu, die kan ráák zijn, óók vandaag nog. U, jij mag er om vragen. Voor jezelf, voor die ander. Om getróffen te worden door de pijl van het Woord. Midden in je hart. In het centrum van je leven.

Ja, dat evangelie doet zéér.
Ook toen bij die Joden daar in Jeruzalem. Want het gaat over en om die Ene, die zij verworpen hebben. Die zij méé naar het kruis hebben geschreeuwd. Die ze hebben uitgejouwd en bespot. Die Ene, die lééft. En die de Redder is.

Die eigenlijk heel simpele boodschap treft drie duizend. Zij aanváárden die tijding. En in dat woord, daar zit iets van gretigheid in. Want ze mogen dan geraakt, getroffen, gewond zijn - dat bericht is een blij bericht. Van heling, genezing, redding. Hij, die zij hebben veroordeeld, biedt vrijspraak aan hén !

Dat is te zien: ze worden gedoopt. Ze gaan ónder in het graf van het water. En ze staan er uit óp. Ze sterven. Maar ze leven. Ze erkennen, dat ze schuldig zijn. Dat ze schuldig staan, ook en vooral tegenover Jezus. En ze beseffen: alleen Hij kan me redden. Zóver, tot die moeilijke erkentenis, brengt de Geest hen.

Zó worden ze toegevoegd tot de mensen, die gered worden. Dat staat in de lijdende vorm. Dat komt niet, omdat ze beter zijn, of slimmer dan de anderen. Nee, het is pure genade. Gave, geschenk betekent dat. Maar het wordt gegeven aan wie horen en gehoorzamen, als Jezus verkondigd wordt.

Die dag begon met 120 geredden. En eindigde met 3120. Wát een werfkracht!


En nu, vandaag?
Ja, het is een andere tijd en situatie. Toen, op de eerste Pinksterdag, was er een stroomversnelling. Nu wordt de Heilige Geest niet meer uitgestort. Hij is uitgestort. Dat is een eenmalig feit. En nu is de kerk in rustiger vaarwater gekomen. En verreweg de meeste preken zijn gericht tot mensen, die al geloven.

Maar toch: de Geest is aan de kerk en aan de gelovige gegeven. Hij wérkt. Maar tegelijk vraag ik me af: wérkt Hij wel werkelijk nog in de kerk en door mij? Want er is sprake van verontrustende slijtage aan de werfkracht van de kerk! Ja, zélfs krimpen ledentallen. Kerken worden gesloten. De kerk kan soms de mensen niet vasthouden.

Zo is het toch? Er wordt gepreekt. En al is dat misschien niet altijd en overal het geval, er wordt ook vol gloed én inhoud gepreekt. Daar is vast vaak wat op aan te merken. En voorgangers moeten steeds weer hun preken kritisch bezien. Beoordelen op inhoud en vorm. Preek ik wel met verstand en hart? Is er gevoel in? Is er een vonk, die kan overspringen?

Daar ligt één van de oorzaken, dat je je afvraagt soms: is preken rendabel?

Maar er is méér. De vraag is toch óók: wordt er goed geluisterd? Hoe staat het ervoor met het horen van het Woord?

Er staat in het Evangelie
een gelijkenis. Jezus sprak die uit. Moet u toch misschien eens (weer) lezen. Zoek dan het Evangelie naar Mattheus, hoofdstuk 13 maar eens op. We kennen die als de gelijkenis van de zaaier. Maar misschien is een titel, die de bedoeling beter weergeeft. Namelijk: de gelijkenis van het horen. Want het gaat over de gesteldheid van de bodem, waarin het zaad valt.

Daar kan het één en ander aan mankeren, zie je! Ik bedoel: er kan het één en ander mis zijn bij u, bij jou, die dit leest of hoort. In de gelijkenis noemt Jezus een paar zaken.

Zo zijn er kapers
op de kust. Vogels, die het gestrooide zaad oppikken. Je vindt het allemaal maar moeilijk, die preek, die bijbel. Je moet je er zo voor inspannen, om het te begrijpen, zie je!. Het klinkt wel goed. Maar het leven is zó toch ook wel aardig? Waarom dan de moeite doen, om Jezus in je leven te krijgen. Allemaal veel te moeilijk, hoor. Laat maar zitten!

Een andere groep vindt die boodschap maar bijzonder geweldig. Dat is het helemáál, hoor! Yesss! Die Jezus, supercool.! Je gaat helemaal uit je dak van vreugde. Enthousiast tot en met!

Maar… Na een poosje ontdek je, dat het toch wat tegenvalt allemaal. Eigenlijk valt het smérig tegen. Want de mensen spreken je er op aan, zie je. “Zo, hoor jij nu bij dat clubje? Had ik niet van je verwacht. Ja, je moet het zelf weten, hoor. Maar het lijkt me helemaal niks. Want je mag helemaal geen leuke dingen meer, wel?”

Ja, en bepaalde mensen gaan je mijden. En achter je rug gniffelen ze wat. “Weet je ’t al? Hij is vroom geworden, hoor! Je kunt helemaal geen lol meer met hem hebben.” Nee. Het valt tegen. En dat allemaal door die boodschap, die preken over Jezus. Nee, toch niks voor mij. Ik zie er maar van af.

Er komt ook zaad
tussen de dorens terecht. Je hoort een preek. En wéér vind je het wel oké. Dat is wel wat voor mij. Die redding door Jezus, die vergeving, dat geluk, geweldig! Maar…

Maar ja, je wilt ook léven, hè. Je leeft hier op aarde. En leven zit vol met van allerlei zaken. Je hebt te zorgen voor je kinderen. En dat vréét energie. En je maakt je zorgen om je kinderen. U weet wel: kleine kinderen, kleine zorgen, grote kinderen idem zorgen. En dat kan je eigenlijk helemaal in beslag nemen.

En bijbellezen doe je er snel even tussendoor. En van echt bidden, echt contact met God, komt niet zoveel terecht. Of je bent heel druk met de studie. Of je doet alles wat je kunt, om je carrière wat glans te geven. En daar ben je dan druk mee. Maar het levert wél wat op, zie je. En een mooier en ruimer huis zou wel erg goed uitkomen. Dus… Dat slokt je helemaal op. En daarom kan die dominee in zijn preken het wel mooi vertellen. Maar in de praktijk kun je je er niet al te veel van aantrekken.


Of preken rendabel zijn?
Preken, aansprekend preken is moeilijk. En luisteren is in de praktijk ook heel erg moeilijk. Daarom lijken preken vaak helemaal niet rendabel. De dominee wordt er soms mismoedig van. Waar doe ik het eigenlijk voor?! En de kerkganger (of die dit leest) denkt soms: het zegt me allemaal geen spat. Waar dóe ik het voor? Het levert niets op!

Nou, dat klinkt dus allemaal vrij negatief, om het maar voorzichtig te zeggen. Is het zo somber? Toch niet. Want het is Pinksteren geweest. De Geest van Christus wil ook vandaag nog volop aan het werk. De preekheer enthousiast, vol van God en van zijn blijde tijding maken. En de harten van de luisteraars bewerken. Zodat ze open staan voor die boodschap.

Vraag er maar om. Dan zul je wat beleven! Dan gaat de preek (nog) meer vol van Jezus worden. Omdat de preker vol van Hem is. Dan komt de luisteraar vol van de Heiland. Dan wordt je leven vol heil. Dan leef je uit de vergeving. Dan leef je meer en meer voor God!

Preken rendabel? Ja, zeker wel. Zó wel!
Amen.
-----

Voorstel voor een liturgie:

Eventueel intochtlied: Psalm 118 : 7,9
Na stil ge
bed, votum en groet: Ps. 119 : 40, 49

[In de ochtenddienst als schuldbelijdenis en bemoediging: Lezen Luc. 18 : 9-13 en zingen Psalm 51 : 2
Lezen Luc. 18 : 14 en zingen Psalm 32 : 2
Gods wil: Gal. 5 : 13-26 en zingen Psalm 32 : 3]
Gebed
Schriftlezing: Hand.2 : 37-42
Zingen Gezang 304
Verkondiging over Hand. 2 : 41
Zingen: Gez. 328
Dienst der gebeden: Dankzegging, voorbeden, lofprijzing, stil gebed, Onze Vader (samen)
Dienst van het offer
Zingen: Gez. 255 : 1 (in middagdienst geloofsbelijdenis van Nicea) en 4
Zegen
-----

Dienst der gebeden:
Voorbede voor allen, die het Woord verkondigen: enthousiasme,
ijver bij de bestudering van het Woord ;
die het Woord horen: open harten, oren.
Gebed om het werk van de Geest;
werfkracht voor de kerk
Vergeet niet, de grote problemen in de wereld bij God te brengen!