woensdag, november 10, 2010

NIET GRAAIEN MAAR GEVEN (preek)


NIET GRAAIEN MAAR GEVEN (preek over Romeinen 12:1)“…uzelf als een levend, heilig en God welgevallig offer in zijn dienst te stellen, want dat is de ware eredienst voor u.” Romeinen 12:1Wat willen we met ons leven? Waar gaat het ons om? Wat is ons doel? Ik zou ze de kost niet graag geven, die het wel helemaal weten. Zoveel mogelijk elke dag plukken natuurlijk. Er zoveel mogelijk uit halen, dáár gaat het om!
Op zichzelf niks op tegen om te genieten natuurlijk. Graag, alstublieft! Gunt God ons ook. En dat zegt Hij ook in de bijbel. Hij geeft ons talloze gaven. Die pakjes mogen we blij uitpakken. Maar als mijn enige doel is: grijpen, grissen, graaien, als ons leven bestaat uit alleen maar nemen, dan zit het wél fout. Daar beleeft Hij geen grammetje plezier aan. Dat kan en mag nooit het motto van mijn leven zijn. Niet “graaien, grissen, grijpen”, maar “geven, aanbieden, offreren, offeren”.

Gods afgezant Paulus schrijft: ik vraag u om uzelf als een offer in Gods dienst te stellen. Die mensen in Rome hebben een lange brief gekregen. Tot aan hoofdstuk 12 ging het over Jezus. Hoe je door zijn offer rechtvaardig bent voor God. En over wat de Heer zoal nog méér te bieden heeft, bijvoorbeeld in het werk van zijn Geest. Joden, maar nu ook welk volk dan ook, ieder mag die geschenken in bezit nemen.
Maar dan komen de hoofdstukken 12-16. Die gaan het over wat die gaven in je leven uitwerken. Want die geschenken doen wat met en in je leven. En dat komt uit in de manier waarop je door ’t leven gaat. Dat bepaalt de koers, die je met je leven wil varen. Dat bepaalt, waar het leven op gericht is. Wat het karakter van je leven is. Hoe je in een paar woorden je leven kunt typeren. Bijvoorbeeld dat “nemen” of dat “geven”.
Kijk, in Rome stonden de nodige tempels. En er werden even zoveel afgoden vereerd. Aan al die goden werden de nodige offers gebracht. Veel offers, die de brengers daarvan veel kostten. Maar: ze hadden er wat voor over. Want ze kregen er wat voor terug, zie je. Althans, dat hoopten ze. Ze probeerden de godheid gunstig te stemmen. Zodat die gaf, wat zij graag wilden hebben. “Do ut des”, zeiden ze. “Ik geef opdat u geeft”. Ze kóchten dus wat ze wilden hebben. En ze betaalden met offers, kun je zeggen. (hiernaast een afbeelding v.d. tempel van Apollo)Moet je zo het offer, waar Paulus over schrijft, óók zien? Als een offer, om iets te krijgen van God? Dan wel een lévend offer: geen dood dier maar een levend mens. Maar toch bedoeld, om God gunstig te stemmen. Zodat Hij er welgevallen in heeft. Er met plezier, met een blijde blijk in de ogen naar kijkt. En dus geeft of meer geeft? Nou nee, zo zit het niet. Beslist en volstrekt NIET!! Dit offer is niet voordat en opdat God je wat geeft. Het is geen manier om het een en ander van God los te peuteren.
Nee, dit offer is een dánkoffer. Dit offer breng je, nadat je veel en eigenlijk alles al gekregen hebt. En uit dankbaarheid, omdat God je zoveel, ja alles gegeven heeft. Dus kun je zeggen: dit is precies het tegenovergestelde van wat de Romeinse christenen vroeger deden. En hun niet-christelijke buren nog steeds. Namelijk: ik geef opdat u, grote Zeus, geeft aan mij.
Bij hen was het fundament van de gave van de goden het offer van de mens. Maar bij de christenen was het fundament van hun dankoffer de gaven van God.

Die gaven van God waren en zijn ontelbaar veel en duizelingwekkend groot! Om maar een paar te noemen: de vergeving van al hun zonden en heel hun diepe zondigheid; elke ochtend, waarop je gezond opstaat; de gave van de Heilige Geest, Die je zo hecht verbindt aan Christus en je leven vernieuwt. En ga zo maar door… Dát stroomt er allemaal vanuit Gods barmhartigheid ons leven binnen. Paulus heeft daar een hoge dunk van, nou en of! Dat woord is een meervoud. Er stromen zóveel gaven uit…Daarom doet hij daar een beroep op bij zijn appèl. Bij zijn oproep, om te offeren.
Daarmee is al duidelijk, hoe de volgorde is. Want dat dankoffer is een vrucht van het werk van de Geest. En de vruchten komen eerder dan de struik of plant. Volkomen logisch, niet? Het kan gewoon niet andersom: vruchten plukken en dan de struik planten, waar ze aan groeien. 100% onbestaanbaar, zoiets! Alsof je een film terugdraait.
Het is veelzeggend, dit offer vrucht te noemen. Want appels, die hang je niet aan de boom, stel je voor! Nee, die komen vanzelf. Dat zit in de aard van de boom of plant. Dat komt van binnenuit. De Catechismus zegt: als je door een waar geloof aan Jezus bent verbonden, dan heeft dat gevolgen, Niet tegen te houden: de rank, die aan Christus verbonden is door een oprecht geloof, die draagt vruchten voor God, wis en waarachtig!
Daarom is het karakter van dit offer ook dat van dankoffer. Dat was één van de offers van de tempeldienst. Maar dat is het enige offer van de ware eredienst. Een offer, dat levend is. Waar geen enkel dood dier aan te pas komt. Waarbij geen bloed vloeit. Want dat heeft de Heiland eens en voorgoed gedaan. Geen zondoffer, maar dankoffer.En zo heet ons dienen van God, omdat het zó, en zo alleen, behoort. Zo is het heilig. Past het bij de dienst aan God. Zo mag het. Zo ziet de HEER het graag. Zo heeft Hij er plezier in. Dat is de ware eredienst.
--------
Zo is de volgorde, mensen, nog steeds. Wat zegt u, als trouwe kerkganger en/of bijbel-lezer? Dat u dat al lang wist?
Dat wil ik best geloven. U bent geen heiden, die uitgaat van het “ik geef opdat u, god, geeft’-principe. Maar hebt u dat nou nooit? Dat je in de war bent met die volgorde. En die twee zaken omdraait: eerst dat offer van mij. En daarna, of eigenlijk daaróm die geschenken van de HEER? Dus toch eigenlijk weer die appels zelf maken en aan de boom hangen. En dan maar met “nederige hoogmoed” er naar kijken, jongens. En stiekem een beetje hopen, dat God zal zeggen: “Och, sjonge jonge, kijk nou toch eens! Wat heeft hij zijn best gedaan. Eigenlijk lijkt het nergens op, ’t klopt van geen kant. Maar vooruit, dan zal ik maar rekenen, dat hij het met mij weer in orde gemaakt heeft”.
Nou, ik moet je diep teleurstellen. Met God valt niet te marchanderen. Geen handjeklap, maar het volle pond moet er betaald worden. Het moet er niet maar een beetje op lijken. Nee, 100% perfectie eist Hij.

En daarom is die volgorde absoluut: eerst dat offer van Christus en de gaven van God van vergeving. En dat Hij je aanneemt als zijn lieve kind. En je van alle goeds verzorgt, je altijd bewaart en alles voor je is, En dan, van daaruit dat dankoffer van je hele leven. Dat vloeit er uit voort, zoals de appels aan de boom. ’t Komt van binnen uit,
Daarom zegt Paulus tegen de broeders en zusters, die net als ik de Heer Jezus kennen als hun redder, van wie ik dus familie ben: ik vraag jullie dit. Niet een opdracht, maar een herinnering. Denk je er wel aan? Zit het wel goed bij me, wat dat betreft? is de leiding nog goed los, zodat de stroom nog onbelemmerd doorgaat?
Maar je kunt niet alleen met de volgorde modderen. Ook je bedoeling kan verkeerd zijn. Dan zeg je tegen jezelf: “God heeft gegeven wat hij had. Maar dan ben ik nu aan de beurt. Want “voort wat hoort wat”. Toch? Zo willen we dat toch? We willen eigenlijk terugbetalen. Gratis? We doen liever iets terug. Als een soort tegenprestatie, betaling achteraf. Kijk, en dat zit weer verkeerd. We kunnen niet betalen en evenmin terugbetalen. Nee, het gaat om liefde. Door zijn bewijzen van liefde heeft God onze liefde tot hem opgewekt. Tot hem en tot alles wat en allen die bij hem horen En die wil zich uiten. Die wil je bewijzen, laten zien.

En dat werd voor de oorspronkelijke lezers van deze brief wel echt een heel ander gezicht. Vooral bij het deel van de gemeente in Rome, dat uit heidenen bestond. Nu ze christen waren geworden, zagen ze er heel anders uit. En dat gebeurde niet van het ene op het andere moment. Nee, dat was een proces. Paulus bedoelt te zeggen: stel u in de dienst van God. Want je bent dienaren en dienaressen van hem. Maar dat moet je óók nog worden. Je moet steeds meer worden wat je bent. Dat christen zijn moet steeds meer naar buiten komen, zichtbaar worden. Dat je niet meer Zeus en Dionysius dient, de afgoden. Dat je niet meer meedoet aan de losbandigheid in alle opzichten, zoals die er toen was. En dat niet de keizer je heer is, maar Jezus. En de manier van leven, die HIJ graag ziet.
-------
En dat proces, die groei in het geloof moet ook vandaag nog plaats vinden in het leven van Gods dienaren en dienaressen. Als je je christen noemt, moet je ook steeds meer christen worden En dus als christen naar buiten toe zichtbaar worden.
Wij zijn van God. En dus zijn we -en moeten we steeds meer worden- er ook vóór hem. Zo hebben we een lichaam gekregen. En dat mogen we hem ter beschikking stellen. Dat betekent niet, dat je aan ascese gaat doen. Aan onthouding van seksuele activiteit. Aan onthouding van bepaalde producten. Dat je als een beul optreedt voor jezelf. God gunt ons genot en liefde en vreugde. Nee, God dienen met je lichaam is wat anders. Namelijk, dat je heel het lichaam in dienst van God stelt. Het lichaam met al zijn functies. En dat is één groot wonder, vind je ook niet?

Zullen we dat eens wat concreet maken, dat lichaam met al zijn functies in dienst van God? Wat kunnen wij, u, jij, ik op dat dankaltaar leggen?
Ik heb een mond gekregen. En , ja echt, niet alleen om mee te eten. Dat kunnen dieren ook met hun bek. Maar de mens kan spreken. Je kreeg die mond, die stem, die taal niet om te vloeken, te roddelen, te schelden, ruzie te maken. Niet om altijd met je bekkie vooraan te staan, om je eigenwijze mening te geven. Maar ook die stem mag op het altaar: je mag er God en de naaste mee dienen. Hem zegenen, de goede weg wijzen soms. Zo kun je niet alleen babbelen, maar ook een praatje maken met een ouder en/of eenzaam mens..
God eren, door als het “gelegener tijd” is, een goed woordje voor onze Heer te doen. Door Hem te loven in liederen, samen met anderen of alleen, al dan niet mooi. Ik kan met die mond bidden, de nood van mensen dichtbij en veraf bij God brengen.

Om te offeren heb ik ook ogen. Die kan ik gebruiken, om me te vergapen aan dingen, die me geen enkel voordeel, maar wél alleen nadeel bezorgen. Ik kan ze gebruiken, om dodelijke blikken te werpen op hem die me te na komt. Ogen met een tunnelvisie, alleen mijn eigen voordeel, geluk voor ogen. Maar op het altaar voor God krijg je God en je naaste in het vizier. Dan kun je oog krijgen voor iemands onbekend verdriet of voor eenzaamheid, waar niemand van weet. En daar wat aan doen of laten doen uiteraard.

Ik kreeg van mijn schepper ook oren. Je kunt je oren te luisteren leggen. Niet om wat je hoort te misbruiken, door bijvoorbeeld roddelen. Maar om er iets positiefs mee te doen, Of, dat kan ook, om het te sussen of met de mantel der liefde te bedekken. Misschien heb je de gave, om goed te luisteren, als je met iemand een persoonlijk gesprek voert. Daar kun je soms die ander heel goed mee helpen.

We kregen ook een neus. Niet alleen om te kunnen ruiken. En zeker niet om ongevraagd in de zaken van anderen te steken. Evenmin om die neus uit minachting op te halen voor je naaste. Maar het is een goede gave van God, als je een neusje hebt voor de nood van iemand. Of voor de gaven van iemand. Dat komt goed uit in de gemeente van Christus. Daar kan de kerkenraad wat mee.

Zo kreeg je handen om die uit de mouwen te steken. In je dagelijkse werk, als roeping, als goddelijk beroep. En in je vrije tijd. In je hobby. Maar ook in de gemeente. Je kreeg voeten om mee te lopen. Naar mensen, die gedeprimeerd zijn, die eenzaam zijn en/of verdriet hebben. Je kreeg je verstand, ja, om te denken. Maar dat kan óók weer twee richtingen op. Vraag Gods Geest, je verstand, je deken te richten op Góds zaak. Ten bate van zijn dienst.

Dat is concreet, dacht ik. Als we dat op onszelf toepassen, och, misschien krijgen we een kleur van schaamte. Wat blijven we daar ver vandaan! Dan mogen we zien op Jezus. Onze Heiland was, heel zijn leven lang, in alle opzichten, een levend offer. En God welgevallig. Zijn Vader kon er met veel plezier naar kijken! En naar mij wil Hij kijken door Jezus heen. Mensen, wat een wonder!
Maar toch, ook dan blijft het daar niet bij. Dat mag niet. Dat kan niet!

Er verandert heel wat in je leven, als dat leven helemaal een offer wordt. Een offer in dienst van God en zijn zaak, zijn Rijk, zijn Kerk. Er verandert heel wat in de gemeente, als de leden dit doen. En, als we eerlijk zijn: het blijft zo’n broddelwerk van onze kant. Zo’n prutswerk en geknoei. Maar hoe vaker je dat zegt, des te meer ga je dat zien als een voldongen feit. En des te minder ga je dan jagen naar het ideaal. Want God vraagt het. Toch? “Op het altaar, dat leven van je! “, zegt Hij.
“Oei!”, zeg ik dan.

Maar…
Het geheim?
ALLES, letterlijk A.L.L.E.S., alles wat de Heer vraagt, wil Hij geven. Zullen we daar dan na het “amen” samen om bidden in ons lied?
Amen.
-------
Voorstel van een liturgie:
Eventueel vooraf: "Voorzichtig licht" (van A.F.Troost) 103:1,2,5
(melodie: Gezang 289)
1.Rond het licht dat leven doet / groeten wij elkaar met vrede; wie in voor- of tegenspoed / zegen zoekt, mag binnentreden- / bij de Heer zijn wij hier thuis, / kind aan huis.
2. Rond het boek van zijn verbond / tellen wij elkaar bij name, / spellen wij met hart en mond / levenswoorden: ja en amen- / als de kerk van liefde leest / is het feest!
5. Rond het licht dat leven doet / groeten wij elkaar met vrede. / Paaslicht, straal ons tegemoet, / zegen wie uw liefde delen - / licht dat dit geheim behoedt: / God is goed.
Wijdingswoord en groet
Zingen: Psalm 122:1,2

(in ochtenddienst: schuldbelijdenis, ook voor het goede, wat we niet gedaan hebben en het krakkemikkige in de dienst aan God
Zingen: Evang. Liedbundel 189b:2,3,4
Tien richtlijnen van God voor een goed leven (ds. van Dijk):

God zegt: Ik ben de HEER, jullie God. Ik heb je leven bevrijd.
1. Dien mij daarom graag. En ruim alles op waar je nog aan vast zit. Of aan verslaafd bent.
2'. Vereer Mij van harte. Op een eerbiedige manier, zoals ik het graag zie.
3. Kom niet aan nijn naam. Wie aan mijn naam komt, komt aan mijzelf.
Kom graag voor mij uit. En kom ook voor Mij op.
4. Hou die ene speciale dag per week in ere om samen bij Mij te komen.
Want kom je bij Mij, dan vind je werkelijk rust, alle dagen van je leven.
5. Ik gaf mensen gezag over je. Bijvoorbeeld je ouders. Toon daarom altijd je respect aan hen. En als zij jou de goede weg wijzen, dan moet je die weg ook gáán.
6. Ik heb het leven geschapen. Ga er dus zorgzaam mee om. Met je eigen leven. En dat van een ander.
7. Blijf elkaar trouw, als je getrouwd bent. En of je nu getrouwd bent of alleen: ga zorgvuldig om met je eigen lichaam en seksualiteit. En ook met dat van een ander.
8. Niet stelen, maar delen!
9. Met kwaadspreken en roddelen bederf je het leven van mensen.
Spreek daarom alleen goed over elkaar. Dat is gezond
10. Wees tevreden met wat je hebt. Wees niet jaloers op een ander

Kortom: hou van Mij, met hart en ziel, en met je volle verstand. En hou van de mensen om je heen, zoals je ook van jezelf mag houden.
Zingen: Psalm 25:4)
 
Gebed om Gods Geest
Schriftlezing: Romeinen 12:1-10
Zingen: Gezang 187:1,2,3
Preek
Zingen: Gezang 473:1,2,3,4,5
Gebeden
Kollekte
Zingen: Ps. 118:5 (middagdienst: geloofsbelijdenis) en 10
Zegen.
---------------
"Voorzetjes" voor de dienst van de gebeden:
Zonden zijn nu heel concreet: van binnen egoïsme, verkeerde waardering van bezit, God en de naaste. Aan de buitenkant, de daden en woorden; m.a.w. verkeerd gebruik van handen, mond enz. Dit belijden en vragen om vergeving.
Vragen om wijsheid om te reageren bij de ontmoeting met mensen, van wie "graaien" het enige doel is.
Vragen om geloof. En om wijsheid, inzet, leiding van Gods Geest, om dat geloof concreet in daden te uiten.
Dat Gods Geest onze ogen, oren enz. beheerst. En ook ons verstand, ons denken!

donderdag, augustus 26, 2010

FOLLOW ME Filippenzen 3:17 (preek)


FOLLOW ME

“Volg mij na…”. Filippenzen 3:17

Heb je ’t wel eens meegemaakt ? Op een je niet zo bekende, smalle weg zonder straatverlichting in de auto. En dat in vreeslijk dichte mist. Je ziet geen hand voor ogen! Daar sta je, beter: daar rijd je dan! Wat nu gedaan, om veilig over de weg te gaan? Om in goede welstand je bestemming te bereiken? Thuis te komen?

Je kunt proberen, de strepen op de weg goed in het oog te houden. Maar soms zijn die er niet eens. Ook kun je je richten op de achterlichten van een auto die vóór je rijdt. Als je maar langzaam rijdt, zodat je tijdig kunt remmen. Maar ja, je moet wél weten, dat die voorganger de juiste weg volgt. Want in de garage van die ander, daar heb jij niks te zoeken.
Bij een wegomlegging moet je de aanwijzingen op de gele borden goed volgen. Zó houd je de goede koers. En kom je op je bestemming.

Paulus, apostel, afgezant van Jezus, schrijft aan de mensen in Filippi, die tot geloof gekomen zijn: “ volg mij na”. Wil je op je bestemming, thuis komen, in het Vaderhuis, dan moet je mij volgen. Dan moet je leven zoals ik dat doe. Neem een voorbeeld aan mij, dan komt het goed. Dan is het goed met jullie, met jullie leven.

Klinkt toch een beetje pedant, vind je niet? Sommigen zijn geneigd te zeggen: Ik zal wel even zelf uitmaken, hoe ik zal leven. En anderen: hoe je de leefregels van God moet interpreteren, daar is verschil van mening over. De één neemt het nauwer dan de ander. Daar heeft Paulus niet het alleenrecht in. Nee, dat moet hij zich maar niet verbeelden!

Nou, nee, Paulus verbeeldt zich niets. Hij heeft zich zelf niet zo hoog in ’t vaandel. Hij waant zich niet op eenzame hoogte, zwevend ver boven de andere christenen. Paulus verbeeldt zich niets. Behalve dan, dat hij Jezus en wat Die gezegd had, trouw navolgde.

Paulus heeft zich vroeger wel veel verbeeld. Er was een tijd, dat hij over-ijverig was in wat hij toen meende de “dienst van God” te zijn. Hij was een echte Farizeeër. Stipt tot en met, als geen ander. Hij had er alles voor over om die ketters voor de geestelijke rechtbank te slepen. Die ketters, waar hij de volgelingen van Jezus voor hield.
Toen kon hij zich op dat werk beroemen. Toen verbeeldde hij zich best wel het een en ander. Maar dat was radicaal veranderd, zie je. God had hem gearresteerd. “Ho, stop jij, Saul van Tarsen! Niet je hoofd van trots in de wolken. Nee, door de knieën”.

Hij moest klein worden voor God. Niks je wat verbeelden. Leven van genade, 100%, puur en ongemengd met verdiensten of zo. Beseffen, elk moment: ik mag leven, alleen omdat de Heer dat me geeft. Omdat die Jezus, die ik weg wilde poetsen, dat voor me verdiend heeft. En toen werd Paulus’ leven zwaar. Toen moest de vervolger vervolging doorstaan!

Nee, de apostel verbeeldt zich niets. Hij zegt juist even eerder, vers 13: “Ik ben er nog niet. Ik heb het nog niet bereikt”. Ik ben nog onderweg. Ik ben op jacht naar het ideaal. Ik ben er helemaal op gefocust, niet op rijkdom, eer en noem maar op. Nee, Paulus is gefocust op het volmaakt leven voor God.

Dus dat “volg mij na” is helemaal niet eigenwijs bedoeld. In 1 Corintiërs 11 staat: “Volg mij na, zoals ik Christus navolg”. Paulus is niet de koploper. Hij is het niet, die bepaalt, waar het heengaat. En hoe je daar komt. Nee, dat is de Heer Jezus. En Hij alleen . Ook niet samen met Paulus. Nee, Jezus alleen. Hij is de grote leider. Paulus moet net zo goed volgen. Dat is klip en klaar.

Hij bepaalt het doel –en dat is de eeuwige heerlijkheid. En Hij heeft ook laten zien, wat de weg is, die daarheen leidt. Die wijst de apostel in hoofdstuk 2:5 en volgende. Daar zegt Paulus (met andere woorden), dat gelovige mensen moeten leven in een bepaalde gezindheid. De gezindheid van Jezus. De gezindheid, dat is de mentaliteit, het uitgangspunt van denken, spreken en doen.

En wat voor gezindheid was dat dan? Tot welke feiten heeft dat geleid?
Dit: Jezus gaf het God zijn, de goddelijke, hemelse heerlijkheid op. Hij koos de vernedering, het mens zijn, het dienen als slaaf. Zelfs het leven verruilde Hij voor de dood. Die gezindheid leidde tot deze unieke levensstijl. En dat ons ten goede! Ons, aarts-egoïsten.

We kunnen delen in dat goede. En dat is: vergeving van dat egoisme, dat dienen van jezelf. Dat ontvangen van leven, nu en eens voorgoed. Maar dat gebeurt wel langs een bepaalde weg. Namelijk het aanvaarden van Jezus als je Heiland en meester. De overgave aan de Heer en koning, die slaaf was en diende tot en met het bittere einde.

Bent u al zover? Heb jij deze “slaaf”al herkend en erkend als Heer?
Of dat moeilijk is? Poeh, nou en of! Dat is het moeilijkste wat er is. Daarvoor moet je diep door het stof! Want dan moet je een slaaf, ja, een slaaf, erkennen als je Heer een meester. IK in dienst van de knecht van iedereen! En dat niet voor even, maar dag aan dag, je hele lieve leven lang! Niet bepaald aanlokkelijk, vind je wel?

Wie wil er nou uit eigen beweging op de knieën, diep door het stof! Maar toch: zo, en alleen zo, kom je terecht. Kom je op je bestemming.

Goed terecht komen, dat is wat anders dan: geslaagd zijn, het gemaakt hebben. Want daar gaat het niet om in het leven. Het gaat niet om succes, maar om zegen. Veel mensen menen, dat ze het moeten maken. En daarom zijn zij de mensen van “Tsjakka!” Van “de kracht van positief denken”.

Nee, daar gaat het bij God niet om. Bij “Hour of power” klinkt dat wel eens. Als je gaat voor God, dan gaat het je goed. Dan ga je van goed naar keigoed, van goed naar beter.
Nee, niet buigen, zo redeneren ook de mensen van het “feel good”-soort. Je moet doen, waar je je lekker bij voelt.

Maar de mensen die je Christus en zijn volgelingen, ook Paulus, zeggen: achter Jezus moet je buigen. Voor God, voor je Redder. En zelfs voor je mede-volgelingen. Niet menen, dat jij meer en beter bent. Nee, de ander meer en hoger achten dan jezelf.

Een maaltje, dat zwaar als lood op de maag ligt, hè? Maar zo heeft de Heiland vóór ons gedaan. Om ons te redden, weet je. Om de weg te banen, waarop je naar het leven gaat. Zult u vragen, of u daarop gezet wordt? Doe het!

Wat heb je daar dan aan, behalve, dat je anderen gaat dienen? Wat heb je daar aan, behalve dat anderen wat aan jou hebben? Nou, bijvoorbeeld, dat je daar zelf erg veel geluk in vindt. Dat je een stuk vreugde beleeft. En dan niet alleen in wat je zelf zoal hebt en krijgt. Maar wat je geeft, aan anderen.

Ja blijdschap: deze brief is er vol van. Hij lacht en huppelt bij wijze van spreken van vreugde. Paulus is een blij mens. En wat hij niet allemaal heeft meegemaakt! Jonge jonge, het liegt er niet om! Honger, ziekte, zelfs steniging, schipbreuk, ga maar door. En toch een blij mens!


Niet omdat Paulus reden heeft, een feestje te bouwen bij het schrijven van de brief dus. Hij wekt de geadresseerden, de broeders en zusters in Filippi, op, ook blij te zijn. En dat is evenmin, omdat die mensen het zo voor de wind gaat. Integendeel, ze hebben het moeilijk in de vijandige omgeving. Want zo gaat het met volgelingen van Jezus.

En Paulus? Die zit zelfs in de gevangenis! Ja, hij vertrouwt er wel op, dat hij binnenkort vrij zal komen. Maar ’t kan ook anders gaan. ’t Kan net zo goed de doodstraf worden, als de rechter een slechte bui zou hebben. Want zo was dat in die tijd, zie je. Maar toch beleeft de gevangene vreugde. En wekt hij de lezers in moeilijke omstandigheden op, óók blij te zijn.

En waarom zouden ze dan blij zijn? Niet vanwege bepaalde omstandigheden. Die zijn daarvoor als het er op aan komt, onbelangrijk.
“O ja? Is dat zo”, zeg je. Wat hééft die Paulus dan wel voor bijzonders?
Wat hij heeft? Hij heeft Christus. Beter: Christus heeft hem. En dat maakt alle verschil van de wereld!

Kijk maar eens in hoofdstuk 1 (vers 21): “Want voor mij is leven Christus en sterven is winst”. Hij bedoelt: nu, terwijl ik leef, is mijn Heiland álles voor mij. En daarom zal ik dan ook als ik vrij kom nog wat voor Hem en zijn rijk kunnen betekenen. Maar sterf ik, dan ben ik voor altijd met Hem verenigd. Dáár zou ik voor mezelf voor kiezen. Maar dus: het is altijd goed. Eigenlijk is het altijd FEEST!

Je blij voelen, in een feestelijke stemming zijn, omdat je mag dienen? Dat is toch niet van deze wereld? Zeg nou zelf! Denk maar aan dat spotje met (ideële) reclame op tv. Iemand, die uit z’n auto stapt, omdat jij wegrijdt, terwijl je tas nog op de auto ligt? En iemand, die zijn werk in de steek laat om jou de weg te wijzen? We weten niet eens, hoe we daarmee om moeten gaan! Daar moet een gebruiksaanwijzing bij! Of in de stromende regen je paraplu aan iemand anders geven. Wie doet zoiets nou!
En dan bedoelt Paulus nog méér. Ja, ook aardig zijn voor anderen. Maar het gaat nog verder, nog dieper. De ander dienen, voor hem buigen, hem vergeven, hem de weg wijzen. Maar dán, omdat je God kent en liefhebt. Dienen, niet maar om aardig te zijn. Maar dienen uit liefde. Omdat je de liefdedienst, die Jezus jou bewezen hebt, gezien hebt. En daar vol vreugde van bent. En daar soms iets van mogen laten zien, dat is feest!

Ja, nou en of: christenen zijn bijzondere mensen! In wat ze ontvangen hebben en mogen bezitten –Jezus! EN in hoe ze zijn –en meestal zouden moeten en dolgraag zouden willen zijn. Rare mensen, die christenen. Voor de gebruiksaanwijzing: zie de bijbel!

Amen.


Handreiking voor de dienst der gebeden:

Danken - dat Christus ons zo'n onvergelijkbare dienst heeft bewezen...
Bidden - om op en door de knieën te gaan; klein te worden, slaaf van God, tot dienst aan Jezus bereid en de ander hoger en beter te achten dan jezelf.
- of God je vol vreugde wil gieten, zodat je blijmoedig de moeiten áán kunt.
- om bewaring voor allen die de vaak gevaarlijke weg op moeten
- bewaring voor hoogmoed;
- om bewaring voor gáán voor succes alleen.


Eventueel te gebruiken (bij) liturgie:
Eventueel vooraf: Psalm 25 : 6,7
Na wijdingswoord en groet namens God: Loflied, Gez. 90 : 2,11
In ochtenddienst: Gods wil *) zie hieronder.
en zingen Schriftberijmingen 1 vers 2 (= Zingende Gezegend 9) op de melodie van Gez.288

Na lezing: Filippenzen 3 : 12-21: Gez. 442
Na preek: Gez. 441 : 9,10
Slot: Zingende Gezegend 190 : 1,2 (middagdienst: Geloofsbelijdenis van Nicea) en 3
-------

*)De 10 geboden, in eenvoudige, korte vorm (dr. de Ruyter):

In Christus spreekt God je aan:

Ik ben de Heer je God.
Ik heb je bevrijd uit de slavernij van de zonde.
Ik heb je vrijgekocht van de duivel.
Ik wil jouw God zijn.

1. Ga niet naar een ander, IK heb je lief
2. Eer mij niet op jouw maner; MIJN manier geeft vrijheid
3. Misbruik mijn naam niet; mijn Naam redt jouw leven
4. Gebruik mijn dag goed; dit is de Dag van ons sámen
5. Respecteer je vader en moeder; door hen leer je MIJ kennen
6. Kom niet aan het leven van een ander; Ik bescherm het jouwe toch ook?!
7. Bewaar het geheim van man en vrouw; Ik maak hen één in Mij
8. Neem niet wat van een ander is; Ik zorg toch voor je?!
9. Wees trouw in wat je zegt; zo heb je MIJ ook leren kennen
10. Wees niet jaloers; Ik vervul het verlangen van je hart.

vrijdag, juli 23, 2010

WAAROM? WAAROM?? WAAROM???

WAAROM? WAAROM?? WAAROM???

“…waarom slaapt u? …Waarom verbergt u uw gelaat?...waarom vergeet u onze ellende, onze nood?” Psalmen 44:24,25
Orde van dienst:
ochtend:
Eventueel vooraf Gezang 464
Na votum en groet: zingen Psalm 73:9,10
Samenvatting van de wet, Marc. 12: 29-31
Zingen: Psalm 130:2
Verootmoediging: Lezen Daniël 9:18,19
Zingen: Psalm 130:4
Gods wil voor ons leven: Rom.12:1,2
Zingen: Gezang 323:4
Gebed
Schriftlezing: Psalmen 44
Zingen: Psalm 22:1,8
Preek
Zingen: Liefde, die mijn leven leidt: 1,2,3 *)
Gebed
Na collecten: Liefde... : 4 *)
Zegen
Tweede dienst:
Gezang 464

Psalm 73:9,10
Gebed
Lezing: Psalmen 44
Psalm 22:1,8
Na preek: “Zingende Gezegend” 87
Gebeden
Na collecte: Liefde, die mijn leven leidt...:1,2,3 *)
A.F.Troost, mel.: Evang.Liedb. 189 (Vaste Rots)
Na Geloofsbelijdenis Liefde..., vers 4 *)
Zegen
*)
1 Liefde die mijn leven leidt
wég uit mijn onzekerheid,
kom als licht dat om mij straalt,
vredesduif die op mij daalt -
woord dat uit den hoge klinkt,
wees een lied dat in mij zingt!
---
2 Slaat mijn allerlaatste uur.
dood dan, God, mijn vragenvuur:
wie, wanneer en wat en hoe,
waar, waarheen, waarom, waartoe?
Was ik niet in kleingeloof
ziende blind en horend doof?
---
3 Niemand weet wat mij bezielt,
hoe mijn hart in eerbied knielt -
God, U weet het, U alleen,
U ziet door al mijn vragen heen,
heimwee, diep verborgen pijn:
stil verlangen thuis te zijn.
---
4 Liefde die mijn leven leidt,
dat gij altijd bij mij zijt:
dat geloof neemt mij niet af
wind of water, vuur of graf -
niets dat mij van U ooit scheidt.
Liefde die mijn leven leidt,
-----

Het is vast één van de woorden, die in bepaalde omstandigheden het meest gebruikt worden: waarom. We hebben allemaal onze “waaroms”. Als kind de waaroms van kinderen. “Pappa, waarom dit of dat, waarom zus of zo?” Later de waaroms van verwondering en verrassing. Maar ook vaak uit een gekweld, soms zelfs wanhopig hart. “Waarom word ik zo gepest op school? Waarom moet ik met die handicap door het leven? Waarom heb ik geen partner ontmoet? Waarom moet ik wéér alleen verder? Waarom heb ik die ziekte, die beperking? Hoe kan ik nu van mezelf, als schepsel, als kind van God met deze handicap houden? Waarom? Waarom mogen wij, mag ik niet de weelde beleven van een kind, kleinkinderen?”
Nee, de waaroms zijn niet van de lucht. Uitingen van vragen over hoe het gaat en is in je leven, in de wereld. Waarom die ellende, waarom ik?
-----
In het hierboven genoemde lied, Psalm 44, klinkt ook het “waarom”. Tot drie keer toe zelfs. Uit de mond van iemand, die spreekt namens een heel volk, Israël. Dat zit weer eens in de bekende hoek. Daar waar de niet minder bij dat volk bekende, klappen vallen. Wanneer dat in dt geval was? Niemand weet het. Maar hoe dan ook, het volk baalt als die alom bekende stekker! En de dichter brengt dat onder woorden.
Hij begint met het weergeven van een stuk vaderlandse geschiedenis, dat is: Gods handelen met dat volk. Het volk weet het nog: we hebben dit goede land gekregen. Onze God heeft het ons gegeven. Er was volop verzet. Vijanden te over. Maar onze HEER is een God met reuzenkracht. Hij heeft, zouden wij zeggen, biceps om als vijand je een hoedje van te schrikken. Om als een haas op de vlucht te slaan.

Nou, aan zo’n God kun je je toevertrouwen. Dat gaat geheid goed! En dat deed het volk: vertrouwen op God. Zoals en klein kind restloos op mamma vertrouwt. (zie afbeelding). Dus zou je zeggen: dan ben je veilig. Dan heb je ’t goed, zonder mankeren. Zo was het vaak gewéést ook, want zo was het beloofd. Maar, denkt Israël, hoe heb ik het nu?!! Er komt nu geen grammetje heil. Alle verlossing uit de hand van de vijand is mijlenver te zoeken. Je schaamt je gewoon, om bij die God te horen! En we wáren er altijd trots op!
Vandaar al die waaroms. De reden: onze God. God? Hij verstoot ons. Hij verbergt zijn gelaat. Dat Hij van ons houdt en geeft dat we het goed hebben – er is geen sprake van! Gods liefde, je ziet er niets van, h-e-l-e-m-a-a-l niets! En wij hebben Hem niet verlaten. Echt niet! Het probleem ligt aan de andere kant.

Het kan niet anders: dit is geen achteloosheid. Dit is met opzet! Ondanks het feit, dat wij de HEER dienen, overkomt ons deze bezetting door de vijand. God slaapt. Heel bewust. Hij is gaan slapen. Of Hij houdt zich slapend. Hij laat het toe, dat we zo in de puree zitten. Of wil hij het misschien?
Waarom vergeet U, God en verstoot U ons en slaapt U? Drie waaroms. En vooral dat laatste hakt er in: God slaapt. Kijk, er wordt over God door gelovigen nogal eens geklaagd in de bijbel. Maar dit staat er nooit! Wel het tegenovergestelde: de HEER slaapt niet, nooit! (Psalmen 121 bijv.). En: God is wakker voor ons. Hij houdt zijn ogen wijd open. Is elk moment klaar om in te grijpen!
Maar nu? De HEER slaapt! Ja, waarom, God? Dat kunt U toch niet maken! God toonde zich altijd onze God. ? U was onze God. En U zal dat nu ook wel zijn. Maar U laat daar niets van merken. Aan ons niet. En aan de vijand niet. Hoe kan dat nu toch? Hoe kan dat? Waarom? Waarom?? Waarom???
-----
Voor veel mensen, die dit (horen) lezen, zal dit herkenbaar zijn. Sommigen zitten in over hoe het gaat met de kerk hier, in Nederland, in Europa. Anderen maken zich zorgen over onze maatschappij, de verharding, de tweespalt, het egoïsme. Hoe zal het gaan met ons landje, ons volkje? Maar er is ook het kruis, dat we persoonlijk moeten meetorsen. Waarom? Wat doet God? Ja sterker nog: waar is God? Hij is uit het zicht. Hij verbergt zijn gelaat. Hij is onzichtbaar. Hij helpt niet, toont zijn liefde niet. God lijkt wel dood.
Het lijkt er in elk geval op, dat Hij wél slaapt, ondanks zijn belofte. Hij lijkt ons vergeten te zijn. Terwijl Jezus beloofde, bij ons te zijn, mèt ons, alle dagen, elke dag weer. Maar God lijkt zich niets aan ons en onze situatie gelegen te laten liggen. Terwijl Hij zich vader noemt! Of moeder, die haar kinderen niet kán vergeten. Ja, waarom? Waarom dan zó?? Waarom ik??? Mensen, echt, de waaroms kunnen je bijna verstikken!

En nu moeten we niet meteen en gemakkelijk zeggen: “Och ja, ieder huisje heeft zijn eigen kruisje, he. Zo is dat nu eenmaal in deze wereld”. Want ja, dat is waar. Maar ieder vindt het eigen pakket het zwaarst. En sommige mensen krijgen echt veel meer te torsen dan een ander. En dan stijgt het water je wel eens tot de lippen. En als je dan weet, dat God er is, dan wring je die vragen wel eens naar buiten. Waarom?!!
Waaroms richting God. God, waarom? Waar bént U? Ik zie niets van U, nergens. Ik ervaar helemaal niet, dat U er bent. Ja, vroeger, toen wel. Toen had ik het goed. Toen toonde U uw liefde. Maar nu? Vroeger, ja toen woonde U in uw kerk. Toen was er groei en bloei. Toen was er invloed op de samenleving. Maar kijk nu, in welk zwaar weer de christelijke politiek terecht gekomen is. Wéét U dat niet? Hebben we een God, die vergeetachtig geworden is? Een God, die een spelletje met ons speelt, verstoppertje of zo. Bent U slaperig geworden en ingedut?

Ja, er komen provocerende geluiden, je zou zeggen: beledigingen naar God toe in zo’n situatie. Dat kan vandaag nog sneller. Want dat wordt vaak door de ouders en leraren sneller gepikt. Maar het kan in je opkomen. Want de kernvraag is: U hebt ons verstoten. Maar voor hoe lang? Voor altijd? Blijft uw gezicht op onweer staan? Komt er weer een vriendelijke lach op uw gezicht? Wordt ons levenspad nog ooit weer stralend verlicht door U? Of blijft het donker? Godsverduistering voor altijd?
-----
Allereerst: ik kan uw vragen begrijpen. Want ik zit er zelf ook wel mee. Met een aanzienlijk aantal zefs! En een afdoend en vooral bevredigend antwoord kan ik niet geven. Ik kan wél een aantal dingen doorgeven, die voor u en mij tot troost kunnen zijn. Tot troost IN die nood, IN die vragen.
Laat ik beginnen bij iets, dat wij waarschijnlijk niet zo leuk vinden. De vraag namelijk: waarom stellen wij die vragen. Wanneer denken we, dat God weg is, zich verborgen houdt, slaapt? Dat is toch vaak: als we ’t niet zo prettig hebben. Als God iets zou moeten doen, naar onze mening. En dat dan niet doet. We missen God, als zijn daden voor ons ontbreken. Dat is natuurlijk wel een eenzijdige benadering. Want hebben we daar recht op? Of moeten we ons misschien wel afvragen: gaat het me wel om God zelf in de eerste plaats? Of allereerst om zijn weldaden?

Vervolgens: God is hoog verheven boven ons mensen. Op een oneindig veel hogere troon dan welke koning ook. En daarom is het al een levensgroot wonder, dat we contact met Hem mogen en kunnen hebben. Het is ook de enige manier, om echt te leven. En in leven te blijven. Contact blijven oefenen, dat is van levensbelang. Contact, ook als het aanvoelt dat Hij weg is. Het gesprek met Hem blijven voeren. Ook al voel het, alsof je smekende of felle woorden niet aankomen. Ook al komt er geen reactie.

Bovendien: er IS reactie van Gods kant. En daarvoor moet de bijbel moet open. Hoe meer vragen, des te meer moet die bijbel open. Want daarin geeft God antwoorden. Die zijn niet pasklaar, op maat voor jou, voor mij. Maar tóch. Bijvoorbeeld in zijn spreken over onze Heiland.

Misschien kan de wetenschap troost bieden, dat ook Jezus die vraag heeft gesteld. En zijn waarom was gericht aan God. Jezus, gekomen op aarde, gestuurd door de hemelse Vader, heeft het aan het kruis, in het pikdonker, uitgeschreeuwd naar boven: “Mijn God,mijn God, waarom hebt U mij verlaten?”.
Je kunt zeggen: ”dat is MIJN vraag ook. Waar bent U, God? Waar bent u NU. Waar bent U in deze situatie. En dat Jezus die vraag ook stelde, wat zegt me dat? Wat heb ik daar aan? Dat is gewoon een vraag erbij. Op die grote hoop van al die waaroms”. Nou, nee, zo is het niet. Er is een groot verschil. Want wij VOELEN ons in de steek gelaten. Maar het is alleen een gevoel. Meer, iets anders is het niet. God is niet dood. Hij slaapt niet. Hij is niet weg. Hij IS er. Hij is bij ons. Jezus heeft zelf gezegd, als opgestane Heer: Ik ben met jullie, alle dagen.

Wij zijn niet, nooit door God verlaten. Maar Jezus was dat wél. Toen was dat echt werkelijkheid. De realiteit van de HEL. De hel op aarde. Jezus was alleen, overgeleverd aan de duivel en zijn macht. Vreselijk. En heerlijk, want Hij heeft zich daar doorhéén geloofd. En daarom ging Hij ook de dood in. Maar ook daar ging Hij dwars door heen. En daarom laat God géén van zijn kinderen ooit alleen!
Maar je alleen VOELEN, ja, dat kan. En dat is al erg genoeg, kun je zeggen. En wat heb ik er aan, dat God erbij is, maar ik er niets van merk. En dat Jezus bij je is, maar je voelt zijn aanwezigheid niet. Maar…
Toch betekent dat “waarom”van mijn Heiland véél voor me. Het zegt me namelijk, dat dat gevoel. van alleen te zijn geen straf hoeft te zijn. Dat was het voor Jezus wél. De straf namelijk, die ik, die jij en u verdiend hebben. Dus de dichter van dit lied, Psalmen 44, heeft gelijk. Je van God verlaten voelen, geen hulp krijgen in nood, menen dat Hij slaapt, hoeft geen gevolg van zondigen te zijn.
Maar die klemmende vraag blijft. Waarom dán? Waarom kan ik roepen en schreeuwen naar God toe, zonder dat het helpt?
Nu, weet je: die vraag mag. Die kan legitiem zijn in een bepaalde situatie. Je mag je problemen, je raadsels, met God délen. Dat is zelfs erg belangrijk. Maar je hoeft niet te schreeuwen. Je vragen met gebalde vuist naar de hemel te slingeren. Dat hoeft niet. Want geloven, dat heet in de bijbel ook wel: wandelen. Wandelen met God. Zoals Henoch wandelde met God. En zoals God dat wel deed met Abraham. En zoals de discipelen met Jezus door het land trokken, drie jaar lang.
Zo mogen wij wandelen met God. Ja, hou dat vast, blijf dat geloven: naast mij gaat de Heiland. Hij is vlakbij! En als je wandelt hoef je niet naar je metgezel te schreeuwen. Nee, je kunt met hem praten. Wandelen, dat is de beste gelegenheid, om met je problemen voor de draad te komen. Als God ons wat te zeggen heeft, merken we dat wel; de bijbel is er toch? En als wij Hem iets te zeggen hebben: we kunnen toch vrijuit spreken in ons gebed?

Wandel je al, wandel je nog met God? Of slenter je maar een beetje voort. Is het meer sukkelen, voort sjokken met Hem. Is er contact, praat je met Hem. En luister je? Dan kom je er samen met Hem wel uit! Zeker weten!
Niet dat al je vragen dan beantwoord worden. We leven in een vijandige wereld. We krijgen mensen tegen, als God voor en met ons is. En deze wereld is ook een gebroken bestaan. We lopen heel wat breuken en blutsen op hier! En waarom? Waarom ik? Waarom ik meer dan zij?
Waarom? Nee, het probleem wordt niet altijd opgelost. Denk aan Paulus; die had een goede zaak aan te dragen. En kwam er herhaaldelijk mee bij God aan. Maar God liet hem weten: nou even niet meer, knecht van me. Het is genoeg geweest. Geen oplossing. Maar de vraag loste wél op. Hij moest het doen met Gods genade. En dat was genoeg. Daar kón hij het ook mee doen!
De dichter van Psalmen 44 komt met bittere werkelijkheid. Zie vers 13: het volk, voor een spotprijsje te koop op Marktplaats! Zo lijkt het, ja. Maar er is geen sprake van, dat God zijn volk verkwanselt. Geen denken aan, dat Hij jou of mij dumpt! Dat gebeurde wél met Jezus: 30 zilverstukken was Hij waard. En daarom geldt voor ons, toch, al lijkt het anders, wat Romeinen 8 zegt: in alles, door alles heen zijn we superkampioenen. Want niets kan ons scheiden van Gods liefde in Christus onze Heer.
Nee, we begrijpen het doen en laten van God met deze wereld, met zijn kerk, met ons persoonlijk vaak helemaal niet. God gaat boven onze logica en ons begrip. We kunnen zijn doen en laten alleen aanvaarden. En weet je, wat zo vreemd is? Dat jij en ik de liefde van God wél zonder problemen accepteren. Alsof het acceptabel is, dat God zo’n doorgewinterde deugniet als ik, zijn kind noemt. Dat Jezus een veelpleger, een draaideurcrimineel als ik. zijn vriend noemt. Dat ik met Hem mag wandelen! Dat Hij zich met mij vertoont!
Het is toch om te janken van ontroering! Niet dan? Heb jij dat nooit? Nou, ik wel. En daarom aanvaard ik ook zijn doen met mijn leven. Althans, dat probeer ik. Al begrijp ik er geen snars van. Al heb ik duizend vragen.
Ja, als ik denk aan dat warm kloppende hart van God in Jezus! Dan zeg ik tegen mezelf: “Zou zó’n God zich vergissen? Zou wat Hij doet verkeerd kunnen zijn? Ik begrijp het vaak niet. Maar het is goed, wat Hij doet. Zonder mankeren!”

Hóór je wel, diep van binnen? Trompetgeschal overstemt het gekreun. Jubelzang vervangt de klaagzang. Hier al een beetje, zo nu en dan. En eens voorgoed! Als ook WIJ het geheel overzien. Dan weten we: het is goed gekomen. Dan beseffen we nu al: wat God doet, is welgedaan! Aan hem vertrouw ik me toe.
Amen.

Gebedspunten:
Leer nederigheid, geduld: aanvaarden van levensweg, kruis dragen. Contact onderhouden, spreken en ook luisteren. Bidden voor mensen, die zwaarder kruis dan wij/ik.