donderdag, augustus 26, 2010

FOLLOW ME Filippenzen 3:17 (preek)


FOLLOW ME

“Volg mij na…”. Filippenzen 3:17

Heb je ’t wel eens meegemaakt ? Op een je niet zo bekende, smalle weg zonder straatverlichting in de auto. En dat in vreeslijk dichte mist. Je ziet geen hand voor ogen! Daar sta je, beter: daar rijd je dan! Wat nu gedaan, om veilig over de weg te gaan? Om in goede welstand je bestemming te bereiken? Thuis te komen?

Je kunt proberen, de strepen op de weg goed in het oog te houden. Maar soms zijn die er niet eens. Ook kun je je richten op de achterlichten van een auto die vóór je rijdt. Als je maar langzaam rijdt, zodat je tijdig kunt remmen. Maar ja, je moet wél weten, dat die voorganger de juiste weg volgt. Want in de garage van die ander, daar heb jij niks te zoeken.
Bij een wegomlegging moet je de aanwijzingen op de gele borden goed volgen. Zó houd je de goede koers. En kom je op je bestemming.

Paulus, apostel, afgezant van Jezus, schrijft aan de mensen in Filippi, die tot geloof gekomen zijn: “ volg mij na”. Wil je op je bestemming, thuis komen, in het Vaderhuis, dan moet je mij volgen. Dan moet je leven zoals ik dat doe. Neem een voorbeeld aan mij, dan komt het goed. Dan is het goed met jullie, met jullie leven.

Klinkt toch een beetje pedant, vind je niet? Sommigen zijn geneigd te zeggen: Ik zal wel even zelf uitmaken, hoe ik zal leven. En anderen: hoe je de leefregels van God moet interpreteren, daar is verschil van mening over. De één neemt het nauwer dan de ander. Daar heeft Paulus niet het alleenrecht in. Nee, dat moet hij zich maar niet verbeelden!

Nou, nee, Paulus verbeeldt zich niets. Hij heeft zich zelf niet zo hoog in ’t vaandel. Hij waant zich niet op eenzame hoogte, zwevend ver boven de andere christenen. Paulus verbeeldt zich niets. Behalve dan, dat hij Jezus en wat Die gezegd had, trouw navolgde.

Paulus heeft zich vroeger wel veel verbeeld. Er was een tijd, dat hij over-ijverig was in wat hij toen meende de “dienst van God” te zijn. Hij was een echte Farizeeër. Stipt tot en met, als geen ander. Hij had er alles voor over om die ketters voor de geestelijke rechtbank te slepen. Die ketters, waar hij de volgelingen van Jezus voor hield.
Toen kon hij zich op dat werk beroemen. Toen verbeeldde hij zich best wel het een en ander. Maar dat was radicaal veranderd, zie je. God had hem gearresteerd. “Ho, stop jij, Saul van Tarsen! Niet je hoofd van trots in de wolken. Nee, door de knieën”.

Hij moest klein worden voor God. Niks je wat verbeelden. Leven van genade, 100%, puur en ongemengd met verdiensten of zo. Beseffen, elk moment: ik mag leven, alleen omdat de Heer dat me geeft. Omdat die Jezus, die ik weg wilde poetsen, dat voor me verdiend heeft. En toen werd Paulus’ leven zwaar. Toen moest de vervolger vervolging doorstaan!

Nee, de apostel verbeeldt zich niets. Hij zegt juist even eerder, vers 13: “Ik ben er nog niet. Ik heb het nog niet bereikt”. Ik ben nog onderweg. Ik ben op jacht naar het ideaal. Ik ben er helemaal op gefocust, niet op rijkdom, eer en noem maar op. Nee, Paulus is gefocust op het volmaakt leven voor God.

Dus dat “volg mij na” is helemaal niet eigenwijs bedoeld. In 1 Corintiërs 11 staat: “Volg mij na, zoals ik Christus navolg”. Paulus is niet de koploper. Hij is het niet, die bepaalt, waar het heengaat. En hoe je daar komt. Nee, dat is de Heer Jezus. En Hij alleen . Ook niet samen met Paulus. Nee, Jezus alleen. Hij is de grote leider. Paulus moet net zo goed volgen. Dat is klip en klaar.

Hij bepaalt het doel –en dat is de eeuwige heerlijkheid. En Hij heeft ook laten zien, wat de weg is, die daarheen leidt. Die wijst de apostel in hoofdstuk 2:5 en volgende. Daar zegt Paulus (met andere woorden), dat gelovige mensen moeten leven in een bepaalde gezindheid. De gezindheid van Jezus. De gezindheid, dat is de mentaliteit, het uitgangspunt van denken, spreken en doen.

En wat voor gezindheid was dat dan? Tot welke feiten heeft dat geleid?
Dit: Jezus gaf het God zijn, de goddelijke, hemelse heerlijkheid op. Hij koos de vernedering, het mens zijn, het dienen als slaaf. Zelfs het leven verruilde Hij voor de dood. Die gezindheid leidde tot deze unieke levensstijl. En dat ons ten goede! Ons, aarts-egoïsten.

We kunnen delen in dat goede. En dat is: vergeving van dat egoisme, dat dienen van jezelf. Dat ontvangen van leven, nu en eens voorgoed. Maar dat gebeurt wel langs een bepaalde weg. Namelijk het aanvaarden van Jezus als je Heiland en meester. De overgave aan de Heer en koning, die slaaf was en diende tot en met het bittere einde.

Bent u al zover? Heb jij deze “slaaf”al herkend en erkend als Heer?
Of dat moeilijk is? Poeh, nou en of! Dat is het moeilijkste wat er is. Daarvoor moet je diep door het stof! Want dan moet je een slaaf, ja, een slaaf, erkennen als je Heer een meester. IK in dienst van de knecht van iedereen! En dat niet voor even, maar dag aan dag, je hele lieve leven lang! Niet bepaald aanlokkelijk, vind je wel?

Wie wil er nou uit eigen beweging op de knieën, diep door het stof! Maar toch: zo, en alleen zo, kom je terecht. Kom je op je bestemming.

Goed terecht komen, dat is wat anders dan: geslaagd zijn, het gemaakt hebben. Want daar gaat het niet om in het leven. Het gaat niet om succes, maar om zegen. Veel mensen menen, dat ze het moeten maken. En daarom zijn zij de mensen van “Tsjakka!” Van “de kracht van positief denken”.

Nee, daar gaat het bij God niet om. Bij “Hour of power” klinkt dat wel eens. Als je gaat voor God, dan gaat het je goed. Dan ga je van goed naar keigoed, van goed naar beter.
Nee, niet buigen, zo redeneren ook de mensen van het “feel good”-soort. Je moet doen, waar je je lekker bij voelt.

Maar de mensen die je Christus en zijn volgelingen, ook Paulus, zeggen: achter Jezus moet je buigen. Voor God, voor je Redder. En zelfs voor je mede-volgelingen. Niet menen, dat jij meer en beter bent. Nee, de ander meer en hoger achten dan jezelf.

Een maaltje, dat zwaar als lood op de maag ligt, hè? Maar zo heeft de Heiland vóór ons gedaan. Om ons te redden, weet je. Om de weg te banen, waarop je naar het leven gaat. Zult u vragen, of u daarop gezet wordt? Doe het!

Wat heb je daar dan aan, behalve, dat je anderen gaat dienen? Wat heb je daar aan, behalve dat anderen wat aan jou hebben? Nou, bijvoorbeeld, dat je daar zelf erg veel geluk in vindt. Dat je een stuk vreugde beleeft. En dan niet alleen in wat je zelf zoal hebt en krijgt. Maar wat je geeft, aan anderen.

Ja blijdschap: deze brief is er vol van. Hij lacht en huppelt bij wijze van spreken van vreugde. Paulus is een blij mens. En wat hij niet allemaal heeft meegemaakt! Jonge jonge, het liegt er niet om! Honger, ziekte, zelfs steniging, schipbreuk, ga maar door. En toch een blij mens!


Niet omdat Paulus reden heeft, een feestje te bouwen bij het schrijven van de brief dus. Hij wekt de geadresseerden, de broeders en zusters in Filippi, op, ook blij te zijn. En dat is evenmin, omdat die mensen het zo voor de wind gaat. Integendeel, ze hebben het moeilijk in de vijandige omgeving. Want zo gaat het met volgelingen van Jezus.

En Paulus? Die zit zelfs in de gevangenis! Ja, hij vertrouwt er wel op, dat hij binnenkort vrij zal komen. Maar ’t kan ook anders gaan. ’t Kan net zo goed de doodstraf worden, als de rechter een slechte bui zou hebben. Want zo was dat in die tijd, zie je. Maar toch beleeft de gevangene vreugde. En wekt hij de lezers in moeilijke omstandigheden op, óók blij te zijn.

En waarom zouden ze dan blij zijn? Niet vanwege bepaalde omstandigheden. Die zijn daarvoor als het er op aan komt, onbelangrijk.
“O ja? Is dat zo”, zeg je. Wat hééft die Paulus dan wel voor bijzonders?
Wat hij heeft? Hij heeft Christus. Beter: Christus heeft hem. En dat maakt alle verschil van de wereld!

Kijk maar eens in hoofdstuk 1 (vers 21): “Want voor mij is leven Christus en sterven is winst”. Hij bedoelt: nu, terwijl ik leef, is mijn Heiland álles voor mij. En daarom zal ik dan ook als ik vrij kom nog wat voor Hem en zijn rijk kunnen betekenen. Maar sterf ik, dan ben ik voor altijd met Hem verenigd. Dáár zou ik voor mezelf voor kiezen. Maar dus: het is altijd goed. Eigenlijk is het altijd FEEST!

Je blij voelen, in een feestelijke stemming zijn, omdat je mag dienen? Dat is toch niet van deze wereld? Zeg nou zelf! Denk maar aan dat spotje met (ideële) reclame op tv. Iemand, die uit z’n auto stapt, omdat jij wegrijdt, terwijl je tas nog op de auto ligt? En iemand, die zijn werk in de steek laat om jou de weg te wijzen? We weten niet eens, hoe we daarmee om moeten gaan! Daar moet een gebruiksaanwijzing bij! Of in de stromende regen je paraplu aan iemand anders geven. Wie doet zoiets nou!
En dan bedoelt Paulus nog méér. Ja, ook aardig zijn voor anderen. Maar het gaat nog verder, nog dieper. De ander dienen, voor hem buigen, hem vergeven, hem de weg wijzen. Maar dán, omdat je God kent en liefhebt. Dienen, niet maar om aardig te zijn. Maar dienen uit liefde. Omdat je de liefdedienst, die Jezus jou bewezen hebt, gezien hebt. En daar vol vreugde van bent. En daar soms iets van mogen laten zien, dat is feest!

Ja, nou en of: christenen zijn bijzondere mensen! In wat ze ontvangen hebben en mogen bezitten –Jezus! EN in hoe ze zijn –en meestal zouden moeten en dolgraag zouden willen zijn. Rare mensen, die christenen. Voor de gebruiksaanwijzing: zie de bijbel!

Amen.


Handreiking voor de dienst der gebeden:

Danken - dat Christus ons zo'n onvergelijkbare dienst heeft bewezen...
Bidden - om op en door de knieën te gaan; klein te worden, slaaf van God, tot dienst aan Jezus bereid en de ander hoger en beter te achten dan jezelf.
- of God je vol vreugde wil gieten, zodat je blijmoedig de moeiten áán kunt.
- om bewaring voor allen die de vaak gevaarlijke weg op moeten
- bewaring voor hoogmoed;
- om bewaring voor gáán voor succes alleen.


Eventueel te gebruiken (bij) liturgie:
Eventueel vooraf: Psalm 25 : 6,7
Na wijdingswoord en groet namens God: Loflied, Gez. 90 : 2,11
In ochtenddienst: Gods wil *) zie hieronder.
en zingen Schriftberijmingen 1 vers 2 (= Zingende Gezegend 9) op de melodie van Gez.288

Na lezing: Filippenzen 3 : 12-21: Gez. 442
Na preek: Gez. 441 : 9,10
Slot: Zingende Gezegend 190 : 1,2 (middagdienst: Geloofsbelijdenis van Nicea) en 3
-------

*)De 10 geboden, in eenvoudige, korte vorm (dr. de Ruyter):

In Christus spreekt God je aan:

Ik ben de Heer je God.
Ik heb je bevrijd uit de slavernij van de zonde.
Ik heb je vrijgekocht van de duivel.
Ik wil jouw God zijn.

1. Ga niet naar een ander, IK heb je lief
2. Eer mij niet op jouw maner; MIJN manier geeft vrijheid
3. Misbruik mijn naam niet; mijn Naam redt jouw leven
4. Gebruik mijn dag goed; dit is de Dag van ons sámen
5. Respecteer je vader en moeder; door hen leer je MIJ kennen
6. Kom niet aan het leven van een ander; Ik bescherm het jouwe toch ook?!
7. Bewaar het geheim van man en vrouw; Ik maak hen één in Mij
8. Neem niet wat van een ander is; Ik zorg toch voor je?!
9. Wees trouw in wat je zegt; zo heb je MIJ ook leren kennen
10. Wees niet jaloers; Ik vervul het verlangen van je hart.

vrijdag, juli 23, 2010

WAAROM? WAAROM?? WAAROM???

WAAROM? WAAROM?? WAAROM???

“…waarom slaapt u? …Waarom verbergt u uw gelaat?...waarom vergeet u onze ellende, onze nood?” Psalmen 44:24,25
Orde van dienst:
ochtend:
Eventueel vooraf Gezang 464
Na votum en groet: zingen Psalm 73:9,10
Samenvatting van de wet, Marc. 12: 29-31
Zingen: Psalm 130:2
Verootmoediging: Lezen Daniël 9:18,19
Zingen: Psalm 130:4
Gods wil voor ons leven: Rom.12:1,2
Zingen: Gezang 323:4
Gebed
Schriftlezing: Psalmen 44
Zingen: Psalm 22:1,8
Preek
Zingen: Liefde, die mijn leven leidt: 1,2,3 *)
Gebed
Na collecten: Liefde... : 4 *)
Zegen
Tweede dienst:
Gezang 464

Psalm 73:9,10
Gebed
Lezing: Psalmen 44
Psalm 22:1,8
Na preek: “Zingende Gezegend” 87
Gebeden
Na collecte: Liefde, die mijn leven leidt...:1,2,3 *)
A.F.Troost, mel.: Evang.Liedb. 189 (Vaste Rots)
Na Geloofsbelijdenis Liefde..., vers 4 *)
Zegen
*)
1 Liefde die mijn leven leidt
wég uit mijn onzekerheid,
kom als licht dat om mij straalt,
vredesduif die op mij daalt -
woord dat uit den hoge klinkt,
wees een lied dat in mij zingt!
---
2 Slaat mijn allerlaatste uur.
dood dan, God, mijn vragenvuur:
wie, wanneer en wat en hoe,
waar, waarheen, waarom, waartoe?
Was ik niet in kleingeloof
ziende blind en horend doof?
---
3 Niemand weet wat mij bezielt,
hoe mijn hart in eerbied knielt -
God, U weet het, U alleen,
U ziet door al mijn vragen heen,
heimwee, diep verborgen pijn:
stil verlangen thuis te zijn.
---
4 Liefde die mijn leven leidt,
dat gij altijd bij mij zijt:
dat geloof neemt mij niet af
wind of water, vuur of graf -
niets dat mij van U ooit scheidt.
Liefde die mijn leven leidt,
-----

Het is vast één van de woorden, die in bepaalde omstandigheden het meest gebruikt worden: waarom. We hebben allemaal onze “waaroms”. Als kind de waaroms van kinderen. “Pappa, waarom dit of dat, waarom zus of zo?” Later de waaroms van verwondering en verrassing. Maar ook vaak uit een gekweld, soms zelfs wanhopig hart. “Waarom word ik zo gepest op school? Waarom moet ik met die handicap door het leven? Waarom heb ik geen partner ontmoet? Waarom moet ik wéér alleen verder? Waarom heb ik die ziekte, die beperking? Hoe kan ik nu van mezelf, als schepsel, als kind van God met deze handicap houden? Waarom? Waarom mogen wij, mag ik niet de weelde beleven van een kind, kleinkinderen?”
Nee, de waaroms zijn niet van de lucht. Uitingen van vragen over hoe het gaat en is in je leven, in de wereld. Waarom die ellende, waarom ik?
-----
In het hierboven genoemde lied, Psalm 44, klinkt ook het “waarom”. Tot drie keer toe zelfs. Uit de mond van iemand, die spreekt namens een heel volk, Israël. Dat zit weer eens in de bekende hoek. Daar waar de niet minder bij dat volk bekende, klappen vallen. Wanneer dat in dt geval was? Niemand weet het. Maar hoe dan ook, het volk baalt als die alom bekende stekker! En de dichter brengt dat onder woorden.
Hij begint met het weergeven van een stuk vaderlandse geschiedenis, dat is: Gods handelen met dat volk. Het volk weet het nog: we hebben dit goede land gekregen. Onze God heeft het ons gegeven. Er was volop verzet. Vijanden te over. Maar onze HEER is een God met reuzenkracht. Hij heeft, zouden wij zeggen, biceps om als vijand je een hoedje van te schrikken. Om als een haas op de vlucht te slaan.

Nou, aan zo’n God kun je je toevertrouwen. Dat gaat geheid goed! En dat deed het volk: vertrouwen op God. Zoals en klein kind restloos op mamma vertrouwt. (zie afbeelding). Dus zou je zeggen: dan ben je veilig. Dan heb je ’t goed, zonder mankeren. Zo was het vaak gewéést ook, want zo was het beloofd. Maar, denkt Israël, hoe heb ik het nu?!! Er komt nu geen grammetje heil. Alle verlossing uit de hand van de vijand is mijlenver te zoeken. Je schaamt je gewoon, om bij die God te horen! En we wáren er altijd trots op!
Vandaar al die waaroms. De reden: onze God. God? Hij verstoot ons. Hij verbergt zijn gelaat. Dat Hij van ons houdt en geeft dat we het goed hebben – er is geen sprake van! Gods liefde, je ziet er niets van, h-e-l-e-m-a-a-l niets! En wij hebben Hem niet verlaten. Echt niet! Het probleem ligt aan de andere kant.

Het kan niet anders: dit is geen achteloosheid. Dit is met opzet! Ondanks het feit, dat wij de HEER dienen, overkomt ons deze bezetting door de vijand. God slaapt. Heel bewust. Hij is gaan slapen. Of Hij houdt zich slapend. Hij laat het toe, dat we zo in de puree zitten. Of wil hij het misschien?
Waarom vergeet U, God en verstoot U ons en slaapt U? Drie waaroms. En vooral dat laatste hakt er in: God slaapt. Kijk, er wordt over God door gelovigen nogal eens geklaagd in de bijbel. Maar dit staat er nooit! Wel het tegenovergestelde: de HEER slaapt niet, nooit! (Psalmen 121 bijv.). En: God is wakker voor ons. Hij houdt zijn ogen wijd open. Is elk moment klaar om in te grijpen!
Maar nu? De HEER slaapt! Ja, waarom, God? Dat kunt U toch niet maken! God toonde zich altijd onze God. ? U was onze God. En U zal dat nu ook wel zijn. Maar U laat daar niets van merken. Aan ons niet. En aan de vijand niet. Hoe kan dat nu toch? Hoe kan dat? Waarom? Waarom?? Waarom???
-----
Voor veel mensen, die dit (horen) lezen, zal dit herkenbaar zijn. Sommigen zitten in over hoe het gaat met de kerk hier, in Nederland, in Europa. Anderen maken zich zorgen over onze maatschappij, de verharding, de tweespalt, het egoïsme. Hoe zal het gaan met ons landje, ons volkje? Maar er is ook het kruis, dat we persoonlijk moeten meetorsen. Waarom? Wat doet God? Ja sterker nog: waar is God? Hij is uit het zicht. Hij verbergt zijn gelaat. Hij is onzichtbaar. Hij helpt niet, toont zijn liefde niet. God lijkt wel dood.
Het lijkt er in elk geval op, dat Hij wél slaapt, ondanks zijn belofte. Hij lijkt ons vergeten te zijn. Terwijl Jezus beloofde, bij ons te zijn, mèt ons, alle dagen, elke dag weer. Maar God lijkt zich niets aan ons en onze situatie gelegen te laten liggen. Terwijl Hij zich vader noemt! Of moeder, die haar kinderen niet kán vergeten. Ja, waarom? Waarom dan zó?? Waarom ik??? Mensen, echt, de waaroms kunnen je bijna verstikken!

En nu moeten we niet meteen en gemakkelijk zeggen: “Och ja, ieder huisje heeft zijn eigen kruisje, he. Zo is dat nu eenmaal in deze wereld”. Want ja, dat is waar. Maar ieder vindt het eigen pakket het zwaarst. En sommige mensen krijgen echt veel meer te torsen dan een ander. En dan stijgt het water je wel eens tot de lippen. En als je dan weet, dat God er is, dan wring je die vragen wel eens naar buiten. Waarom?!!
Waaroms richting God. God, waarom? Waar bént U? Ik zie niets van U, nergens. Ik ervaar helemaal niet, dat U er bent. Ja, vroeger, toen wel. Toen had ik het goed. Toen toonde U uw liefde. Maar nu? Vroeger, ja toen woonde U in uw kerk. Toen was er groei en bloei. Toen was er invloed op de samenleving. Maar kijk nu, in welk zwaar weer de christelijke politiek terecht gekomen is. Wéét U dat niet? Hebben we een God, die vergeetachtig geworden is? Een God, die een spelletje met ons speelt, verstoppertje of zo. Bent U slaperig geworden en ingedut?

Ja, er komen provocerende geluiden, je zou zeggen: beledigingen naar God toe in zo’n situatie. Dat kan vandaag nog sneller. Want dat wordt vaak door de ouders en leraren sneller gepikt. Maar het kan in je opkomen. Want de kernvraag is: U hebt ons verstoten. Maar voor hoe lang? Voor altijd? Blijft uw gezicht op onweer staan? Komt er weer een vriendelijke lach op uw gezicht? Wordt ons levenspad nog ooit weer stralend verlicht door U? Of blijft het donker? Godsverduistering voor altijd?
-----
Allereerst: ik kan uw vragen begrijpen. Want ik zit er zelf ook wel mee. Met een aanzienlijk aantal zefs! En een afdoend en vooral bevredigend antwoord kan ik niet geven. Ik kan wél een aantal dingen doorgeven, die voor u en mij tot troost kunnen zijn. Tot troost IN die nood, IN die vragen.
Laat ik beginnen bij iets, dat wij waarschijnlijk niet zo leuk vinden. De vraag namelijk: waarom stellen wij die vragen. Wanneer denken we, dat God weg is, zich verborgen houdt, slaapt? Dat is toch vaak: als we ’t niet zo prettig hebben. Als God iets zou moeten doen, naar onze mening. En dat dan niet doet. We missen God, als zijn daden voor ons ontbreken. Dat is natuurlijk wel een eenzijdige benadering. Want hebben we daar recht op? Of moeten we ons misschien wel afvragen: gaat het me wel om God zelf in de eerste plaats? Of allereerst om zijn weldaden?

Vervolgens: God is hoog verheven boven ons mensen. Op een oneindig veel hogere troon dan welke koning ook. En daarom is het al een levensgroot wonder, dat we contact met Hem mogen en kunnen hebben. Het is ook de enige manier, om echt te leven. En in leven te blijven. Contact blijven oefenen, dat is van levensbelang. Contact, ook als het aanvoelt dat Hij weg is. Het gesprek met Hem blijven voeren. Ook al voel het, alsof je smekende of felle woorden niet aankomen. Ook al komt er geen reactie.

Bovendien: er IS reactie van Gods kant. En daarvoor moet de bijbel moet open. Hoe meer vragen, des te meer moet die bijbel open. Want daarin geeft God antwoorden. Die zijn niet pasklaar, op maat voor jou, voor mij. Maar tóch. Bijvoorbeeld in zijn spreken over onze Heiland.

Misschien kan de wetenschap troost bieden, dat ook Jezus die vraag heeft gesteld. En zijn waarom was gericht aan God. Jezus, gekomen op aarde, gestuurd door de hemelse Vader, heeft het aan het kruis, in het pikdonker, uitgeschreeuwd naar boven: “Mijn God,mijn God, waarom hebt U mij verlaten?”.
Je kunt zeggen: ”dat is MIJN vraag ook. Waar bent U, God? Waar bent u NU. Waar bent U in deze situatie. En dat Jezus die vraag ook stelde, wat zegt me dat? Wat heb ik daar aan? Dat is gewoon een vraag erbij. Op die grote hoop van al die waaroms”. Nou, nee, zo is het niet. Er is een groot verschil. Want wij VOELEN ons in de steek gelaten. Maar het is alleen een gevoel. Meer, iets anders is het niet. God is niet dood. Hij slaapt niet. Hij is niet weg. Hij IS er. Hij is bij ons. Jezus heeft zelf gezegd, als opgestane Heer: Ik ben met jullie, alle dagen.

Wij zijn niet, nooit door God verlaten. Maar Jezus was dat wél. Toen was dat echt werkelijkheid. De realiteit van de HEL. De hel op aarde. Jezus was alleen, overgeleverd aan de duivel en zijn macht. Vreselijk. En heerlijk, want Hij heeft zich daar doorhéén geloofd. En daarom ging Hij ook de dood in. Maar ook daar ging Hij dwars door heen. En daarom laat God géén van zijn kinderen ooit alleen!
Maar je alleen VOELEN, ja, dat kan. En dat is al erg genoeg, kun je zeggen. En wat heb ik er aan, dat God erbij is, maar ik er niets van merk. En dat Jezus bij je is, maar je voelt zijn aanwezigheid niet. Maar…
Toch betekent dat “waarom”van mijn Heiland véél voor me. Het zegt me namelijk, dat dat gevoel. van alleen te zijn geen straf hoeft te zijn. Dat was het voor Jezus wél. De straf namelijk, die ik, die jij en u verdiend hebben. Dus de dichter van dit lied, Psalmen 44, heeft gelijk. Je van God verlaten voelen, geen hulp krijgen in nood, menen dat Hij slaapt, hoeft geen gevolg van zondigen te zijn.
Maar die klemmende vraag blijft. Waarom dán? Waarom kan ik roepen en schreeuwen naar God toe, zonder dat het helpt?
Nu, weet je: die vraag mag. Die kan legitiem zijn in een bepaalde situatie. Je mag je problemen, je raadsels, met God délen. Dat is zelfs erg belangrijk. Maar je hoeft niet te schreeuwen. Je vragen met gebalde vuist naar de hemel te slingeren. Dat hoeft niet. Want geloven, dat heet in de bijbel ook wel: wandelen. Wandelen met God. Zoals Henoch wandelde met God. En zoals God dat wel deed met Abraham. En zoals de discipelen met Jezus door het land trokken, drie jaar lang.
Zo mogen wij wandelen met God. Ja, hou dat vast, blijf dat geloven: naast mij gaat de Heiland. Hij is vlakbij! En als je wandelt hoef je niet naar je metgezel te schreeuwen. Nee, je kunt met hem praten. Wandelen, dat is de beste gelegenheid, om met je problemen voor de draad te komen. Als God ons wat te zeggen heeft, merken we dat wel; de bijbel is er toch? En als wij Hem iets te zeggen hebben: we kunnen toch vrijuit spreken in ons gebed?

Wandel je al, wandel je nog met God? Of slenter je maar een beetje voort. Is het meer sukkelen, voort sjokken met Hem. Is er contact, praat je met Hem. En luister je? Dan kom je er samen met Hem wel uit! Zeker weten!
Niet dat al je vragen dan beantwoord worden. We leven in een vijandige wereld. We krijgen mensen tegen, als God voor en met ons is. En deze wereld is ook een gebroken bestaan. We lopen heel wat breuken en blutsen op hier! En waarom? Waarom ik? Waarom ik meer dan zij?
Waarom? Nee, het probleem wordt niet altijd opgelost. Denk aan Paulus; die had een goede zaak aan te dragen. En kwam er herhaaldelijk mee bij God aan. Maar God liet hem weten: nou even niet meer, knecht van me. Het is genoeg geweest. Geen oplossing. Maar de vraag loste wél op. Hij moest het doen met Gods genade. En dat was genoeg. Daar kón hij het ook mee doen!
De dichter van Psalmen 44 komt met bittere werkelijkheid. Zie vers 13: het volk, voor een spotprijsje te koop op Marktplaats! Zo lijkt het, ja. Maar er is geen sprake van, dat God zijn volk verkwanselt. Geen denken aan, dat Hij jou of mij dumpt! Dat gebeurde wél met Jezus: 30 zilverstukken was Hij waard. En daarom geldt voor ons, toch, al lijkt het anders, wat Romeinen 8 zegt: in alles, door alles heen zijn we superkampioenen. Want niets kan ons scheiden van Gods liefde in Christus onze Heer.
Nee, we begrijpen het doen en laten van God met deze wereld, met zijn kerk, met ons persoonlijk vaak helemaal niet. God gaat boven onze logica en ons begrip. We kunnen zijn doen en laten alleen aanvaarden. En weet je, wat zo vreemd is? Dat jij en ik de liefde van God wél zonder problemen accepteren. Alsof het acceptabel is, dat God zo’n doorgewinterde deugniet als ik, zijn kind noemt. Dat Jezus een veelpleger, een draaideurcrimineel als ik. zijn vriend noemt. Dat ik met Hem mag wandelen! Dat Hij zich met mij vertoont!
Het is toch om te janken van ontroering! Niet dan? Heb jij dat nooit? Nou, ik wel. En daarom aanvaard ik ook zijn doen met mijn leven. Althans, dat probeer ik. Al begrijp ik er geen snars van. Al heb ik duizend vragen.
Ja, als ik denk aan dat warm kloppende hart van God in Jezus! Dan zeg ik tegen mezelf: “Zou zó’n God zich vergissen? Zou wat Hij doet verkeerd kunnen zijn? Ik begrijp het vaak niet. Maar het is goed, wat Hij doet. Zonder mankeren!”

Hóór je wel, diep van binnen? Trompetgeschal overstemt het gekreun. Jubelzang vervangt de klaagzang. Hier al een beetje, zo nu en dan. En eens voorgoed! Als ook WIJ het geheel overzien. Dan weten we: het is goed gekomen. Dan beseffen we nu al: wat God doet, is welgedaan! Aan hem vertrouw ik me toe.
Amen.

Gebedspunten:
Leer nederigheid, geduld: aanvaarden van levensweg, kruis dragen. Contact onderhouden, spreken en ook luisteren. Bidden voor mensen, die zwaarder kruis dan wij/ik.

dinsdag, april 06, 2010

HUILEN, LACHEN. EEN GEBED, EEN LIED. (preek)

LACHEN, HUILEN, BIDDEN, ZINGEN.

“Als een van u het moeilijk heeft, laat hij bidden; is hij vrolijk, laat hij een loflied zingen”. Jakobus 5:13
“Jantje lacht, Jantje huilt”, zeggen we wel. Ja, zo zijn kinderen. Maar zo zijn volwassenen soms evengoed. Want zo is het leven, zie je. Dat geeft vreugde en verdriet. En soms volgen die elkaar snel op. O ja, volwassenen behéérsen zich meer dan kleine kinderen. Dat móet, weet je. Dat dóen volwassenen. Maar of dat goed is? Emoties moet je uiten. Die moeten er uit. Alleen zó kun je verdriet en vreugde verwérken.

En een christen? Hoe verwerkt die pijn en blijdschap? Hoe uit hij of zij zich? Want geloof verándert een mens toch? Die is door de heilige Geest een nieuwe schepping immers? Nu is dat een proces: je moet steeds meer worden wat je in beginsel bent. Maar daar zijn wel wegen heen. Wegen met wegwijzers.
------------------
Jakobus, waarschijnlijk een “broer” van Jezus, een zoon dus van Maria en Jozef, schrijft een brief. Een brief, bestemd voor alle gelovigen van zijn dagen. En ook voor die van nu. Voor jou en mij dus. Een brief met allerlei praktische lessen.

tempel van Diana
Hij heeft het over onze stemmingen. Want die wisselen. Soms zitten we goed in ons vel, maar soms ook niet. Dat hangt van de omstandigheden af. En ook Gods kinderen is niets menselijks vreemd. Die balanceren ook tussen die twee uitersten van vreugde en verdriet. Vooral ook in die tijd kreeg je vaak met vervolging te maken, als je bij Christus wilde horen. En daar dan ook openlijk voor uit wilde komen. Dat was niet "politiek correct", zouden wij zeggen. Dat was zelfs streng verboden. Want dan beledigde je de goden en de keizer!

En dan? Heeft God dan te maken met onze stemmingen?
Hij heeft er mee te maken, reken maar. Ons leven, ook de binnenkant, ligt ópen voor hem. Dus kun je gerust de lamellen wegdoen van je hart. Zet je hart maar open! Laat Hem maar binnen kijken. Dat doet geen pijn. Dat helpt zefs!
De Heer wil graag, dat je Hem vertelt van je moeiten en zorgen. Maar Hij kent ze ook. Hij wéét, als je het moeilijk hebt. Dus láát het Hem ook weten.

Laat Hem wéten, dat je iets mist. Want weet u, we kunnen veel missen. Want we hébben zoveel, zoveel gekregen. Dus kun je ook veel daarvan niet hebben, missen. Dat kan iets zijn, wat een ander maar een flutding, een kleinigheidje en dus vanzelfsprekend vindt. Maar wat voor jou wel betekenis heeft. Laat het God wéten. “Als een van u het moeilijk heeft, laat hij bidden”, schrijft Jakobus.
Ja, laat het God weten. We hebben de neiging, het ánderen te laten weten. Onze gezinsleden, onze familie en vrienden. En soms iedereen om ons heen. En dan in de vorm van klagen, zeuren, emmeren.
Er zijn mensen, die zeggen, dat ze niet kunnen zingen. Niet mooi, op toon zingen bedoelen ze meestal. Nou ja. Maar klaagzangen zingen, dat gaat ons vaak wel aardig af. Die hebben vaak wél een plekje in ons repertoire. Klaagzangen, met veel variaties op één thema: óns probleem, onze moeilijkheden. Dagelijks bezoeken we de klaagmuur. Of klaagBuur wellicht.


En zeker: het is nodig, je te uiten. En het is fijn, als je een praatpaal hebt. Iemand, die altijd geduldig luistert. Maar steeds weer hetzelfde klaagliedje, voor iedereen die maar in je omgeving komt? Wat wil je daarmee bereiken?
Anderen hebben hun eigen problemen wel. Ieder huisje heeft zijn kruisje immers? Belast hen niet ook nog met jouw problemen. En verbaas je niet, als ze in het vervolg watjes in hun oren stoppen, als ze u aan zien komen.
Bovendien: ze kunnen niet helpen. Als je leunt op mensen, dan sta je met die ander te wiebelen. En word je platgedrukt onder de last van jou en van die ander. Dus: niet klagen naar anderen toe, maar bidden. Gaan naar de Vader in de hemel. Die in zijn Zoon heel dichtbij ons gekomen is.
Bidden, dat is: naar een ander adres. Je richten op God. En spuien. Je mag alles zeggen tegen God. Je mag huilen om wat je afgepakt werd. Je mag het Hem zeggen, als je het niet eens bent met hoe je leven gaat. Je mag klagen, omdat Hij er niets aan doet.

En helpt dat dan? Nou en of! Dat beseffen we niet altijd. We gaan vaak om met onze problemen, alsof Hij er niets mee te maken heeft. Alsof Hij er geen weet van heeft. Alsof we ze zelf, alléén, moeten opknappen. En dat is beslist niet zo! We mogen bidden. En bidden helpt! Zeer zeker!
Hoe dan wel? Nou, niet doordat als op commando altijd de moeite, bijvoorbeeld de ziekte, weggenomen wordt. Dat kan, nou en of! God doet ook vandaag nog wonderen. Meestal gebruikt Hij daar het geschenk van de medische wetenschap voor. Hij kan en wil genezen, die God, die zoveel van ons houdt.
Hij kan ons gebed ook op andere manieren verhoren. Door de pijn te lenigen, dragelijk te maken. Om iets te noemen: als we iets van het lijden van een ander, van zovéél anderen, zien, wordt het dragen van dat van ons minder zwaar. Je zíet eigen moeite minder. En je vóelt die ook minder.
Niet klagen, maar dragen en vragen om kracht, zo luidt het gezegde. Niet klagen: daar is geen reden voor. Moeiten, pijn en dergelijke, ze zijn gevolg van de zonde in deze wereld. Nee, niet klagen. Maar vragen om kracht, draagkracht. En die krijg je vast op het gebed. Het gebed in Jezus’ naam. Dat is: in nauwe verbinding met Jezus. De gestorven redder en verhoogde Heer. Schuilend achter zijn bloed. Vertrouwend op zijn kracht.

Luister maar: “Roep Mij te hulp in tijden van nood, Ik zal je redden, en je zult Mij eren”, zegt God in Psalmen 50. Daar staat het zwart op wit. En de HEER houdt zich ook aan deze belofte, dat weet ik uit eigen ervaring, dag in dag uit! Wordt het dan een peulenschilletje, je kruis te dragen? Laat staan, dat kruis blijmoedig achter Jezus aan te dragen? O nee, dat kost strijd, je hele leven lang! Maar soms, even, dan ben je daar: bij dat God eren na zijn redding door Jezus.
-----------------------
Over God eren gesproken: Jakobus gaat verder. “Is hij, iemand van jullie, vrolijk, laat hij een loflied zingen”.
Ja, zouden we bijna vergeten: we zijn ook wel ’s blij toch? Het zijn toch niet alléén maar moeiten en verdriet in dit tranendal ? We kunnen toch nog wel genieten ook? Daar hoef je toch de loterij niet voor te winnen? Of het zwitser-levengevoel in verre landen te beleven?
Kunt u, kun jij nog gewoon blij zijn, thuis of op een fietsvakantie hier in ons mooie landje? Of op een doordeweekse avond vrolijk zijn met je vrouw, met je man, met je kinderen? Blij, ook als je hard moet werken, om rond te komen. Ook als je tobt met je gezondheid, als je lijdt aan eenzaamheid.
Met andere woorden: tel je zegeningen. Want er kan een andere tijd komen. Een tijd, waarin je dingen mist, die nu bijna vanzelfsprekend zijn. Tel uw zegeningen, één voor één…en je ziet Gods liefde dan door alles heen, zo luidt dat lied van vroeger.

Vrolijk, blij met God en zijn liefde. En daarom zingend onder de douche of fluitend op de fiets. Mensen, als je Gods liefde ziet, zijn liefde voor jou!! Liefde die blijkt in die dagelijkse dingen, die je hebt, die je kríjgt! Nou, dan kún je toch niet anders dan zingen?! Als je alleen bent, ga je misschien stralen, lachen, huppelen, dansen. Niks op tegen, hoor. Die vrolijkheid moet er uit, naar buiten. Die moet je uiten.
Prima, zegt Jakobus. Ben je vrolijk? Ga zingen, lofzingen. Niet een nummer uit de top-100 om de lof van een mens te bezingen. Maar de lof van God! “Zing met heel uw hart psalmen en hymnen voor God” staat er in Kolossenzen 3:16. Paulus en Silas deden het zelfs in een donkere gevangeniscel, met de voeten vast in het blok!
Liederen, waarin je de lof van God laat horen. Waarin je Hem prijst om wat Hij geeft, ook aan jou. Om wie Hij is, zelfs voor u! Psalmen, liederen boordevol lofprijzing moeten, mogen dan opklinken. Klaagliederen zingen, dat gebeurt genoeg. Daar hoef je niet toe aangespoord te worden. En soms heb je er reden te over voor, naar je gevoel. En boetepsalmen, liederen van verootmoediging, vol belijdenis van schuld, daar is ook reden te over voor. Moet ook. Maar vergeet niet, te lofzingen!
Daar doe je de Heer veel plezier mee. Hij geniet van lofliederen, die klinken in de erediensten. Maar Hij verkneutert zich ook, als u, jij, ik zijn roem laat horen. Ik hoor het je al zeggen: “Zingen, ik? Maar ik kan totaal niet zingen”. Nee? Nou, misschien heb je geen gevoel voor klank en ritme. Maar probeer het toch maar. Je hoeft geen solocarrière te beginnen,hoor. God hoort je. En Hij geniet intens van je gebrom! Of van uw gepiep of gekras! Jazeker!

En wat zijn er een mooie liederen! Ook klaagliederen. Liederen vol “waaroms”. Liederen, vlakbij de opstand. Lees maar eens de liederen van A.F. Troost over de dood van een dierbaar kind in Zingende Gezegend! Maar ook veel lofliederen. Dichters brengen onder woorden, wat in mijn hart leeft. En ik mag die prachtig verwoorde lof aan God meezingen! Wat een voorrecht!

Zingen, lofzangen zingen, vind je dat fijn? Vooral fijn, dat sámen te doen. In een koor, of in de kerkdiensten. Want thuis, daar zal tegenwoordig wel niet zo veel meer van komen, vrees ik. Zelf denk ik met plezier terug aan vroeger: samen met broers en zus en vrienden zingen bij het harmonium. Het zal niet altijd mooi geklonken hebben. Maar het klonk God als muziek in de oren. En het heeft ons echt geen kwaad gedaan!
“Zing, zing, zingen maakt blij!” zegt een kinderlied. Het is wáár! Zing je moeiten van je af, naar God toe! En uit je vreugde naar de Gever daarvan. En zing héén naar het nieuwe leven, dat één loflied zal zijn! En zo, nu al, soms, klinken psalmen in de nacht. "Waar zich uw vleugels breed ontvouwden, zing ik mij van mijn zorgen vrij!" Dat is een reactie op moeite, die heen leidt naar dankzegging. Zing, piep of kras maar mee! En gun de Heer intense vreugde!

Amen.
-------------------------------------------------------------------------------------------------
Suggesties voor te zingen liederen:
Psalmen: 42 (:2,3), 63(:1 en 3), na preek; 147(:1,2, aan begin van de dienst)

Gezangen: 409; 399 (:2,5), 90 !!!!,
Zingende Gezegend 292 (:3,4), 284 (voor Schriftlezing, Jak. 5:7-13), 270

Evangelische Liedbundel: 357 (!) 478
Opwekking 277 (slot)
"Zingen maakt blij"

vrijdag, februari 19, 2010

IK HOUD ZÓ VEEL VAN JE ! (meditatie)



ZÓVEEL HOUD IK NOU VAN JE ! (meditatie)

Want God had de wereld zo lief, dat hij zijn enige Zoon heeft gegeven...” Johannes 3:16

 
“Mamma, ik vind je zó lief!” Als je dat een kind hoort zeggen met een lief kinderstemmetje, dan dóet dat je wel wat. Vertederend toch? Dan móet je dat kind wel even knuffelen. En als een jongen tegen “zijn” meisje zegt: "Ik hou wel zoveel van je!" –of als een bejaarde man dat nog altijd tegen zijn vrouw kan zegen en daadwerkelijk zegt- nou mensen, goed om te horen! Zo’n liefdesverklaring, daar wordt niemand minder van. Die zou er méér moeten klinken, vind je niet? Daar word je warm van, van binnen.


Nou weet ik best wel: zoiets is gemakkelijk gezegd. Dat kun je de ene dag tegen je partner zeggen -en de volgende dag "vreemd gaan". Helaas, zo zijn wij,mensen. Zelfs dat kind kan zoiets zeggen, om een ijsje of chips te "versieren". Ja, zo zijn die lieve kleine boefjes wel! Ze weten die volwassenen wel op hun zwakste punt te treffen.

Dus dieliefdesverklaring uit een mensenmond zégt niet alles. Maar kun je je een meer betrouwbaar iemand voorstellen dan God? En als HIJ dat nou zegt?

------

De weken vóór Pasen zijn één grote, lange liefdesverklaring van God. Hij houdt wel zó veel van jou en mij! Daar is het einde van weg! Ondanks het feit, dat die Paastijd verre van romantische gebeurtenissen vertelt. Of juist wel daaróm! Want als God zegt “Ik heb je zo lief”, dan gaat het over oorlog, weet u. In het verband van deze tekst valt bijvoorbeeld het woord “redding”. Een actie om de mens los te maken van sterke banden. Banden die bezig waren hem te smoren. Banden aan de zonde, aan de duivel, en zo aan de dood. Een actie, om jou en mij Bevrijdingsdag te laten vieren.

Het is Jézus, die hier Nicodemus vertelt, dat zijn Vader hem zó lief heeft. Jezus, die dan ook gesproken heeft over zijn verhoging. Verhoging aan het kruis, wel te verstaan.

Zó lief heeft God de wereld. Op die manier hebben Vader en Zoon de wereld liefde betoond. “Ik heb je wel zó lief, mijn kind!”, zegt de Vader. “Ik houd zo intens van je, mijn lieve broer, lieve zus van me”, zegt Jezus. Tegen mij nota bene! Tegen u, en jou!

Dat kan je toch niet koud laten? Daar word je toch warm van? Dan hol je toch naar die God toe, zo snel je kunt?

Zingen/Bidden:

Wie anders kan genezen alle wonden,
dit aards bestaan, vergiftigd door de zonde?
Tot U, o Heer, is nu in vrees en beven
ons hoofd geheven!
Heer Jezus, U bent aan het hout gehangen,
om ons verheven, boven alle slangen;
om onze pijn en ziekten weg te dragen
bent U geslagen.

Lof zij U, Christus, U hebt ons genezen!
Wij staan weer op, als uit de dood verrezen!
U willen wij voor dit geluk van boven
van harte loven!

(A.F.Troost, uit "Zingende Gezegend" 147;
eventueel ook te zingen op de
melodie van Gezang 181)