dinsdag, april 06, 2010

HUILEN, LACHEN. EEN GEBED, EEN LIED. (preek)

LACHEN, HUILEN, BIDDEN, ZINGEN.

“Als een van u het moeilijk heeft, laat hij bidden; is hij vrolijk, laat hij een loflied zingen”. Jakobus 5:13
“Jantje lacht, Jantje huilt”, zeggen we wel. Ja, zo zijn kinderen. Maar zo zijn volwassenen soms evengoed. Want zo is het leven, zie je. Dat geeft vreugde en verdriet. En soms volgen die elkaar snel op. O ja, volwassenen behéérsen zich meer dan kleine kinderen. Dat móet, weet je. Dat dóen volwassenen. Maar of dat goed is? Emoties moet je uiten. Die moeten er uit. Alleen zó kun je verdriet en vreugde verwérken.

En een christen? Hoe verwerkt die pijn en blijdschap? Hoe uit hij of zij zich? Want geloof verándert een mens toch? Die is door de heilige Geest een nieuwe schepping immers? Nu is dat een proces: je moet steeds meer worden wat je in beginsel bent. Maar daar zijn wel wegen heen. Wegen met wegwijzers.
------------------
Jakobus, waarschijnlijk een “broer” van Jezus, een zoon dus van Maria en Jozef, schrijft een brief. Een brief, bestemd voor alle gelovigen van zijn dagen. En ook voor die van nu. Voor jou en mij dus. Een brief met allerlei praktische lessen.

tempel van Diana
Hij heeft het over onze stemmingen. Want die wisselen. Soms zitten we goed in ons vel, maar soms ook niet. Dat hangt van de omstandigheden af. En ook Gods kinderen is niets menselijks vreemd. Die balanceren ook tussen die twee uitersten van vreugde en verdriet. Vooral ook in die tijd kreeg je vaak met vervolging te maken, als je bij Christus wilde horen. En daar dan ook openlijk voor uit wilde komen. Dat was niet "politiek correct", zouden wij zeggen. Dat was zelfs streng verboden. Want dan beledigde je de goden en de keizer!

En dan? Heeft God dan te maken met onze stemmingen?
Hij heeft er mee te maken, reken maar. Ons leven, ook de binnenkant, ligt ópen voor hem. Dus kun je gerust de lamellen wegdoen van je hart. Zet je hart maar open! Laat Hem maar binnen kijken. Dat doet geen pijn. Dat helpt zefs!
De Heer wil graag, dat je Hem vertelt van je moeiten en zorgen. Maar Hij kent ze ook. Hij wéét, als je het moeilijk hebt. Dus láát het Hem ook weten.

Laat Hem wéten, dat je iets mist. Want weet u, we kunnen veel missen. Want we hébben zoveel, zoveel gekregen. Dus kun je ook veel daarvan niet hebben, missen. Dat kan iets zijn, wat een ander maar een flutding, een kleinigheidje en dus vanzelfsprekend vindt. Maar wat voor jou wel betekenis heeft. Laat het God wéten. “Als een van u het moeilijk heeft, laat hij bidden”, schrijft Jakobus.
Ja, laat het God weten. We hebben de neiging, het ánderen te laten weten. Onze gezinsleden, onze familie en vrienden. En soms iedereen om ons heen. En dan in de vorm van klagen, zeuren, emmeren.
Er zijn mensen, die zeggen, dat ze niet kunnen zingen. Niet mooi, op toon zingen bedoelen ze meestal. Nou ja. Maar klaagzangen zingen, dat gaat ons vaak wel aardig af. Die hebben vaak wél een plekje in ons repertoire. Klaagzangen, met veel variaties op één thema: óns probleem, onze moeilijkheden. Dagelijks bezoeken we de klaagmuur. Of klaagBuur wellicht.


En zeker: het is nodig, je te uiten. En het is fijn, als je een praatpaal hebt. Iemand, die altijd geduldig luistert. Maar steeds weer hetzelfde klaagliedje, voor iedereen die maar in je omgeving komt? Wat wil je daarmee bereiken?
Anderen hebben hun eigen problemen wel. Ieder huisje heeft zijn kruisje immers? Belast hen niet ook nog met jouw problemen. En verbaas je niet, als ze in het vervolg watjes in hun oren stoppen, als ze u aan zien komen.
Bovendien: ze kunnen niet helpen. Als je leunt op mensen, dan sta je met die ander te wiebelen. En word je platgedrukt onder de last van jou en van die ander. Dus: niet klagen naar anderen toe, maar bidden. Gaan naar de Vader in de hemel. Die in zijn Zoon heel dichtbij ons gekomen is.
Bidden, dat is: naar een ander adres. Je richten op God. En spuien. Je mag alles zeggen tegen God. Je mag huilen om wat je afgepakt werd. Je mag het Hem zeggen, als je het niet eens bent met hoe je leven gaat. Je mag klagen, omdat Hij er niets aan doet.

En helpt dat dan? Nou en of! Dat beseffen we niet altijd. We gaan vaak om met onze problemen, alsof Hij er niets mee te maken heeft. Alsof Hij er geen weet van heeft. Alsof we ze zelf, alléén, moeten opknappen. En dat is beslist niet zo! We mogen bidden. En bidden helpt! Zeer zeker!
Hoe dan wel? Nou, niet doordat als op commando altijd de moeite, bijvoorbeeld de ziekte, weggenomen wordt. Dat kan, nou en of! God doet ook vandaag nog wonderen. Meestal gebruikt Hij daar het geschenk van de medische wetenschap voor. Hij kan en wil genezen, die God, die zoveel van ons houdt.
Hij kan ons gebed ook op andere manieren verhoren. Door de pijn te lenigen, dragelijk te maken. Om iets te noemen: als we iets van het lijden van een ander, van zovéél anderen, zien, wordt het dragen van dat van ons minder zwaar. Je zíet eigen moeite minder. En je vóelt die ook minder.
Niet klagen, maar dragen en vragen om kracht, zo luidt het gezegde. Niet klagen: daar is geen reden voor. Moeiten, pijn en dergelijke, ze zijn gevolg van de zonde in deze wereld. Nee, niet klagen. Maar vragen om kracht, draagkracht. En die krijg je vast op het gebed. Het gebed in Jezus’ naam. Dat is: in nauwe verbinding met Jezus. De gestorven redder en verhoogde Heer. Schuilend achter zijn bloed. Vertrouwend op zijn kracht.

Luister maar: “Roep Mij te hulp in tijden van nood, Ik zal je redden, en je zult Mij eren”, zegt God in Psalmen 50. Daar staat het zwart op wit. En de HEER houdt zich ook aan deze belofte, dat weet ik uit eigen ervaring, dag in dag uit! Wordt het dan een peulenschilletje, je kruis te dragen? Laat staan, dat kruis blijmoedig achter Jezus aan te dragen? O nee, dat kost strijd, je hele leven lang! Maar soms, even, dan ben je daar: bij dat God eren na zijn redding door Jezus.
-----------------------
Over God eren gesproken: Jakobus gaat verder. “Is hij, iemand van jullie, vrolijk, laat hij een loflied zingen”.
Ja, zouden we bijna vergeten: we zijn ook wel ’s blij toch? Het zijn toch niet alléén maar moeiten en verdriet in dit tranendal ? We kunnen toch nog wel genieten ook? Daar hoef je toch de loterij niet voor te winnen? Of het zwitser-levengevoel in verre landen te beleven?
Kunt u, kun jij nog gewoon blij zijn, thuis of op een fietsvakantie hier in ons mooie landje? Of op een doordeweekse avond vrolijk zijn met je vrouw, met je man, met je kinderen? Blij, ook als je hard moet werken, om rond te komen. Ook als je tobt met je gezondheid, als je lijdt aan eenzaamheid.
Met andere woorden: tel je zegeningen. Want er kan een andere tijd komen. Een tijd, waarin je dingen mist, die nu bijna vanzelfsprekend zijn. Tel uw zegeningen, één voor één…en je ziet Gods liefde dan door alles heen, zo luidt dat lied van vroeger.

Vrolijk, blij met God en zijn liefde. En daarom zingend onder de douche of fluitend op de fiets. Mensen, als je Gods liefde ziet, zijn liefde voor jou!! Liefde die blijkt in die dagelijkse dingen, die je hebt, die je kríjgt! Nou, dan kún je toch niet anders dan zingen?! Als je alleen bent, ga je misschien stralen, lachen, huppelen, dansen. Niks op tegen, hoor. Die vrolijkheid moet er uit, naar buiten. Die moet je uiten.
Prima, zegt Jakobus. Ben je vrolijk? Ga zingen, lofzingen. Niet een nummer uit de top-100 om de lof van een mens te bezingen. Maar de lof van God! “Zing met heel uw hart psalmen en hymnen voor God” staat er in Kolossenzen 3:16. Paulus en Silas deden het zelfs in een donkere gevangeniscel, met de voeten vast in het blok!
Liederen, waarin je de lof van God laat horen. Waarin je Hem prijst om wat Hij geeft, ook aan jou. Om wie Hij is, zelfs voor u! Psalmen, liederen boordevol lofprijzing moeten, mogen dan opklinken. Klaagliederen zingen, dat gebeurt genoeg. Daar hoef je niet toe aangespoord te worden. En soms heb je er reden te over voor, naar je gevoel. En boetepsalmen, liederen van verootmoediging, vol belijdenis van schuld, daar is ook reden te over voor. Moet ook. Maar vergeet niet, te lofzingen!
Daar doe je de Heer veel plezier mee. Hij geniet van lofliederen, die klinken in de erediensten. Maar Hij verkneutert zich ook, als u, jij, ik zijn roem laat horen. Ik hoor het je al zeggen: “Zingen, ik? Maar ik kan totaal niet zingen”. Nee? Nou, misschien heb je geen gevoel voor klank en ritme. Maar probeer het toch maar. Je hoeft geen solocarrière te beginnen,hoor. God hoort je. En Hij geniet intens van je gebrom! Of van uw gepiep of gekras! Jazeker!

En wat zijn er een mooie liederen! Ook klaagliederen. Liederen vol “waaroms”. Liederen, vlakbij de opstand. Lees maar eens de liederen van A.F. Troost over de dood van een dierbaar kind in Zingende Gezegend! Maar ook veel lofliederen. Dichters brengen onder woorden, wat in mijn hart leeft. En ik mag die prachtig verwoorde lof aan God meezingen! Wat een voorrecht!

Zingen, lofzangen zingen, vind je dat fijn? Vooral fijn, dat sámen te doen. In een koor, of in de kerkdiensten. Want thuis, daar zal tegenwoordig wel niet zo veel meer van komen, vrees ik. Zelf denk ik met plezier terug aan vroeger: samen met broers en zus en vrienden zingen bij het harmonium. Het zal niet altijd mooi geklonken hebben. Maar het klonk God als muziek in de oren. En het heeft ons echt geen kwaad gedaan!
“Zing, zing, zingen maakt blij!” zegt een kinderlied. Het is wáár! Zing je moeiten van je af, naar God toe! En uit je vreugde naar de Gever daarvan. En zing héén naar het nieuwe leven, dat één loflied zal zijn! En zo, nu al, soms, klinken psalmen in de nacht. "Waar zich uw vleugels breed ontvouwden, zing ik mij van mijn zorgen vrij!" Dat is een reactie op moeite, die heen leidt naar dankzegging. Zing, piep of kras maar mee! En gun de Heer intense vreugde!

Amen.
-------------------------------------------------------------------------------------------------
Suggesties voor te zingen liederen:
Psalmen: 42 (:2,3), 63(:1 en 3), na preek; 147(:1,2, aan begin van de dienst)

Gezangen: 409; 399 (:2,5), 90 !!!!,
Zingende Gezegend 292 (:3,4), 284 (voor Schriftlezing, Jak. 5:7-13), 270

Evangelische Liedbundel: 357 (!) 478
Opwekking 277 (slot)
"Zingen maakt blij"

vrijdag, februari 19, 2010

IK HOUD ZÓ VEEL VAN JE ! (meditatie)



ZÓVEEL HOUD IK NOU VAN JE ! (meditatie)

Want God had de wereld zo lief, dat hij zijn enige Zoon heeft gegeven...” Johannes 3:16

 
“Mamma, ik vind je zó lief!” Als je dat een kind hoort zeggen met een lief kinderstemmetje, dan dóet dat je wel wat. Vertederend toch? Dan móet je dat kind wel even knuffelen. En als een jongen tegen “zijn” meisje zegt: "Ik hou wel zoveel van je!" –of als een bejaarde man dat nog altijd tegen zijn vrouw kan zegen en daadwerkelijk zegt- nou mensen, goed om te horen! Zo’n liefdesverklaring, daar wordt niemand minder van. Die zou er méér moeten klinken, vind je niet? Daar word je warm van, van binnen.


Nou weet ik best wel: zoiets is gemakkelijk gezegd. Dat kun je de ene dag tegen je partner zeggen -en de volgende dag "vreemd gaan". Helaas, zo zijn wij,mensen. Zelfs dat kind kan zoiets zeggen, om een ijsje of chips te "versieren". Ja, zo zijn die lieve kleine boefjes wel! Ze weten die volwassenen wel op hun zwakste punt te treffen.

Dus dieliefdesverklaring uit een mensenmond zégt niet alles. Maar kun je je een meer betrouwbaar iemand voorstellen dan God? En als HIJ dat nou zegt?

------

De weken vóór Pasen zijn één grote, lange liefdesverklaring van God. Hij houdt wel zó veel van jou en mij! Daar is het einde van weg! Ondanks het feit, dat die Paastijd verre van romantische gebeurtenissen vertelt. Of juist wel daaróm! Want als God zegt “Ik heb je zo lief”, dan gaat het over oorlog, weet u. In het verband van deze tekst valt bijvoorbeeld het woord “redding”. Een actie om de mens los te maken van sterke banden. Banden die bezig waren hem te smoren. Banden aan de zonde, aan de duivel, en zo aan de dood. Een actie, om jou en mij Bevrijdingsdag te laten vieren.

Het is Jézus, die hier Nicodemus vertelt, dat zijn Vader hem zó lief heeft. Jezus, die dan ook gesproken heeft over zijn verhoging. Verhoging aan het kruis, wel te verstaan.

Zó lief heeft God de wereld. Op die manier hebben Vader en Zoon de wereld liefde betoond. “Ik heb je wel zó lief, mijn kind!”, zegt de Vader. “Ik houd zo intens van je, mijn lieve broer, lieve zus van me”, zegt Jezus. Tegen mij nota bene! Tegen u, en jou!

Dat kan je toch niet koud laten? Daar word je toch warm van? Dan hol je toch naar die God toe, zo snel je kunt?

Zingen/Bidden:

Wie anders kan genezen alle wonden,
dit aards bestaan, vergiftigd door de zonde?
Tot U, o Heer, is nu in vrees en beven
ons hoofd geheven!
Heer Jezus, U bent aan het hout gehangen,
om ons verheven, boven alle slangen;
om onze pijn en ziekten weg te dragen
bent U geslagen.

Lof zij U, Christus, U hebt ons genezen!
Wij staan weer op, als uit de dood verrezen!
U willen wij voor dit geluk van boven
van harte loven!

(A.F.Troost, uit "Zingende Gezegend" 147;
eventueel ook te zingen op de
melodie van Gezang 181)


zaterdag, februari 06, 2010

SCHULDIG! EN...?? VRIJSPRAAK!!! (preek)


Schuldig! En...??? Vrijspraak!!!


Wie zal Gods uitverkorenen aanklagen? God zelf spreekt hen vrij. Rom. 8:33
-------
Eventueel te zingen liederen:
Psalmen: 96 (:7), 22:4,5 Gezangen (Liedboek):159:1, 5-8; 177:3-5; ; 179; 181:4,5,6; 182; 478:4-7
Zingende Gezegend: 199:2,4-6; 213; 222; 289 (bij verootmoediging en lezing Gods wil voor ons leven)
Schriftberijmingen: 12:3-5
--------------------

Door de morrende meerderheid wordt er nogal eens kritiek geuit op rechters. “Die rechters van tegenwoordig? Die zijn lang niet streng genoeg. Ze pakken die criminelen en ook de kleine criminelen, die ettertjes op de hoek van de straat, veel te veel met fluwelen handschoenen aan. Niet zo zachtzinnig, dat zijn die lui zelf ook niet! Aanpakken die hap. De bak in, voor een flinke tijd.”
Dergelijke geluiden kun je nogal eens horen. En ook bij mensen van dezelfde professie, deskundigen dus, staan de rechters wel eens in het beklaagdenbankje. En mede ook daardoor wordt het gezag van rechters nou niet bepaald groter.
---------
Gaan jullie mee? Mee met mij en mee met Paulus? Want die Paulus neemt als apostel, dat is als vertegenwoordiger van Jezus Christus, de leden van de gemeente in Rome mee naar de rechtbank. En daar is een aanklager. En daar is een rechter. Ik mag wel zeggen: daar is DE rechter. Want deze rechter is God. Je kunt niet in hoger beroep gaan bij hem. Want Hij is de hoogste rechter. De rechter, aan wiens gezag iedereen zich moet onderwerpen. En op wiens vonnis niets af te dingen valt. Want Hij die hier het “schuldig” of “onschuldig” laat horen, is God zelf.
Ga je mee? Nee, je hoeft niet bang te zijn. Jawel, God ziet en weet alles. Hij kent al je daden en woorden. Al je geheimen ook. En je verborgen gedachten. Je hele leven, je buiten- en je binnenkant, het is een open boek voor Hem. En JIJ staat in de beklaagdenbank. En? En het oordeel? Kom mee en laat je verrassen.
-------
Om deze woorden te begrijpen moeten we eerst even wat achtergrondinformatie oppikken. Kijk, die Paulus is nog nooit in Rome bij de gemeente aldaar geweest. Maar nu wil hij er heen. Dus moeten de mensen daar over die plannen worden ingelicht. Nu weet de apostel zelf best wel het een en ander van die gemeente. En het is goed, dat wij dat ook weten. Dan begrijpen we dit gedeelte een stuk beter.
Rome leek toen al een beetje op een moderne metropool. Tenminste in die zin, dat je er mensen uit alle streken tegen kon komen. Zo waren er ook veel Joden. En daarvan was er weer een aantal, dat Jezus ontdekt had. En ze waren door Hem gevonden. Zo kwamen ze tot geloof in Hem. Dus bestond de gemeente uit heidenen én uit Joden. En die Joodse achtergrond bleef een rol spelen in hun beleving van het geloof. En dat veroorzaakte wel eens wat spanningen.
Daarom begint Paulus te schrijven over iets, waar geen enkel verschil van mening over bestond. Over de basis van het christelijk geloof: het leven door geloof (zie hoofdstuk 1:17). Want dat is me toch even wat, mensen! Wat een bevrijding is dat. Dat je het niet zelf hoeft op te knappen. Maar dat we een bevrijder hebben, de Heiland Jezus. Geweldig, grandioos is dat!
Nou, dan zit je al tot over je oren in de wereld van onze tekst. En dat is de wereld van de rechtbank. Waar het recht de lakens uitdeelt. Waar aanklagers zijn. Mensen, die de aanklacht formuleren. En een rechter. Een man die vonnis wijst. Die het “schuldig” of “onschuldig” laat horen.

“Wie zal Gods uitverkorenen aanklagen? God zelf spreekt hen vrij”. Begrepen, hoop ik. De rechtbank, je ziet die vóór je. Maar nu hebben we wel een probleem. Dit: dat hier de gelovigen “uitverkorenen” genoemd worden. En er bestaat nogal eens een misverstand over de verkiezing door God. Alsof het hierbij om een verborgen, mystieke, mysterieuze zaak zou gaan. “De verkiezing? Och mens, hou er over op. Daar krijg je totaal geen hoogte van. Dat blijft maar afwachten. Dan kan het vriezen of dooien; wel uitgekozen of niet uitgekozen, een lot uit de loterij, een niet of de hoofdprijs.”
Zou het zó zijn? Nou, vergéét het. Zo is het echt niet. Het zit totaal anders.
Gods uitverkorenen, wie zijn dat? Dat zijn mensen aan wie God zijn grote liefde voor mensen kwijt wil. En, dat is hun antwoord op dat aanbod: ze aanváárden dat. Ze laten zich die liefde bewijzen. Ze zeggen: “Dank u wel, Vader”. En van de weeromstuit gaan ze zelf ook liefhebben: God, zijn zoon Jezus, de Heiland en de Geest, die dat allemaal in je hart plant en in je leven gestalte gaat geven.

Gods uitverkorenen, dat zijn mensen, die gaan geloven. En die God gaan liefhebben. Die ook mensen gaan liefhebben. Vooral ook mensen, die hetzelfde zijn gaan doen. En die daarom behoren bij de gemeente van Christus.
Dus: die verkiezing is helemaal niet zo moeilijk. Die zie je duidelijk uitkomen in de liefde in je hart. En in de daden van liefde van binnen uit. Want wat God van ons vraagt, dat wil Hij ons ook en eerst geven.
En achter die zaken ligt dan de verkiezing. Het besluit van God om ieder, die dat geloof beleeft, te bewaren. die gelovigen vast te houden, voor altijd. Dat geeft vastheid, zekerheid, vertrouwen. Dat staat als een huis.

En over die mensen gaat het. Die staan hier terecht. Al die mensen, die als het erop aan komt zo zielsveel van de Heiland houden. Die in alle situaties eigenlijk die goede God en Vader in de hemel zo diep in hun hart en zo hoog in het vaandel hebben.
Eigenlijk gaat het hier dus over alle gelovigen. Wat gaat het opleveren, als de hoogste rechter het leven van allen die van hem zijn onder de microscoop legt. Ergo: het gaat hier over mij. En over u en jou. …..
En nu vraagt Paulus: wie zal die mensen aanklagen? Wie zal ze voor de rechter slepen? Wie zal hun dossier met eventuele foute daden daar neerleggen? En dan begrijp je al: dit wordt een zeer spannend moment. Nu gaat het er op aan komen. Dit is het moment. Dit is de dag van de rechtspraak. De grote Dag. De dag van het eindoordeel. Het oordeel voor elk van ons.
Dus, spannend, wie gaat in deze rechtszaak de aanklacht indienen?
Nou, ze staan in de rij, hoor! Mensen, veraf: grote klagende en vragende kinderogen in donkere gezichtjes. Kinderen, die honger leden -en ik was nergens! Mensen dichterbij: mensen die ik in een bepaalde noodsituatie had kunnen helpen –en waar was Ik?
En God heeft een aanklacht: de bijbel staat vol van dingen, die ik had moeten nalaten. En van dingen, goede dingen, die ik had kunnen doen – en ik deed die dingen niet. En die verkeerde daden, woorden, gedachten –het kwam er niet van, ze na te laten.
En dan spreekt mijn eigen hart ook nog aanklachten uit. Voor het oor van de grote rechter zegt het: uitverkoren, jij? Man, ga nou gauw! Wat was jij voor een dominee, ouderling, kerklid? Het was allemaal niks met niks, wat dagelijks op het menu stond.
Of kun je dat tegenspreken? Kun je het tegendeel bewijzen? Het is allemaal 100% waar, niet dan?
Als u en jij dat nou eens eerlijk toe zouden geven…
...............
Als je dat eerlijk toegeeft, belijdt, aan God, nou dan ziet het er niet triest uit voor jou, maar rooskleurig. Want die rechter van Paulus, die alle mensen eenmaal oordeelt, die komt met een bijzondere verrassing.
Je moet je dat even heel goed proberen voor te stellen. Er staan mensen terecht voor Gods rechtbank. En jij en ik horen daarbij. Ja toch? Wij worden terecht aangeklaagd. En wij krijgen die grote verrassing. We zijn allemaal schuldige mensen, door en door, tot in de pit. Niets tegen in te brengen. En toch, nee! Geen aanklager, die een poot heeft om op te staan. En dat denk ik niet maar. Nee, dat denkt en zegt God zelf. “Wie zal Gods uitverkorenen aanklagen?” Antwoord, heel verrassend: vrijspraak. “God zelf spreekt hen vrij”.
Maar dan zeg je: dat is toch niet eerlijk? Die mensen kunnen 1000 keer uitverkorenen zijn, maar ze hebben allemaal flink wat op hun kerfstok. Dus: schuldig, en daarmee uit. Afgelopen.
Geef die mensen een koekje van hun eigen verschimmelde, verrotte deeg! Dát is toch recht, waar of niet?
Zo lijken de zaken er voor te staan. Maar er is een andere werkelijkheid. Er is wat gebeurd. Er is goddelijk overleg geweest. Tussen Vader, Zoon en Heilige Geest. En de Satan, de grote aanklager, is uit de hemel gekieperd, voorgoed. En Christus, de grote advocaat, is er binnen gegaan.
En HIJ voert het pleit. Hij had de schuld al voldaan op Golgotha, aan het kruis. En nu pleit hij voor de uitverkorenen. En hij komt op al die beschuldigingen met het enige antwoord. Alle aanklagers zwijgen, alle aanklachten zijn ongegrond. Want Jezus heeft de boete al betaald, zie je. De straf is al tot op de laatste cent voldaan. God heeft niets meer te innen. Jezus heeft de straf gedragen. Hij was in lijden, in de dood, in het graf. En nu, zittend aan Gods rechterhand, brengt hij dat als de grote advocaat naar voren. En alle aanklagers moeten er het zwijgen toe doen.
Want wat moet je als God, de Opperrechter vrijspreekt? Niets anders dan dat vonnis aanvaarden toch? Duidelijk. Het pleit beslecht, voor eens en altijd. De aanklagers druipen af. En de aangeklaagde -en dat ben jij, dat ben ik- hij of zij gaat vrijuit!
Paulus bedoelt te zeggen: er is maar één ding dat telt in de gemeente van Christus. En dat is niet, dat je Jood bent of heiden van afkomst. Nee, want in beide gevallen zitten we onder de vuiligheid van schuld en zonde. Er is maar één ding, om daar van af te komen. En dat is vertrouwen op het werk van Jezus. Op zijn lijden in onze plaats. En op zijn voorspraak bij Gods rechtbank. Wie dat niet doet gaat ten onder. En wie er op bouwt, die gaat vrijuit.
Dat is het ene anker voor wie dan ook. Dat is de vaste rots, waarop, beter: in wie, we veilig kunnen bouwen, en veilig zijn, nu en voorgoed
Amen Halleluja!

----------------------------
Aandachtspunten dienst der gebeden:Danken, want alle reden!
Bijv. :Voor wat kregen in deze dienst: Bij elkaar zijn en samen bij Vader
Samen zingen -huldigen, als grote Koning erkennen als Vader
-buigen, in schuld, belijden in gebreke gebleven
-samen luisteren, uitleg Woord
-samen bidden, zoals doen.
Bidden voor eigen leven.
Erkennen: God Rechter- en bij ons veel n in de haak. Die naast me zitten, moesten eens wéten. En U weet...
We staan er niet best vóór. En U oordeelt, eens, maar nu ook!
Hoop? Advokaat!
Heer Jezus is pleitbezorger. Offer gebracht. Betaling verricht, tot laatste eurocent.
Zo vrijspraak, terecht. Help daar uit leven, in volste vertrouwen.
Bidden voor rechterlijke macht.
voor kerk in wereld, verleiding, vervolging.

 


maandag, oktober 19, 2009

EEN LAMMETJE ALS BODYGUARD ? (meditatie)


EEN LAMMETJE ALS BODYGUARD ? (meditatie)
Het lam ging naar degene die op de troon zat en ontving de boekrol uit zijn rechterhand (Openbaring 5:7)



Misschien heb jij die tv-reclame ook wel eens gezien: het gaat over een man. Hij is alleen in de rimboe. Omringd door gevaren dus. Bijvoorbeeld: hij ligt te slapen. En een giftige slang staat op het punt, hem te bijten. Maar een leeuw houdt de wacht en bijt de slang dood. Een leeuw als redder in de jungle! De koning van de wildernis als je persoonlijke beschermer! Is toch helemaal OK? Kun je toch niet beter wensen?
Of zou je wat anders willen? Een lammetje misschien? Een lam om je te beschermen?

Deze wereld, onze maatschappij, dichtbij en veraf, ze beginnen óók meer en meer op een wildernis te lijken. Waar gaat dat heen, vragen we ons wel eens af. En mijn leven is soms ook al een chaos. Waar dat op uitloopt, geen idee. Wat kan er op mijn pad door het leven me niet allemaal gebeuren! Wie beschermt me, als me erge dingen gebeuren? Wie brengt me in veilige haven. Wie beschermt me en brengt me op mijn bestemming? Wie moet jou beschermen? Iemand als een leeuw of iemand als een lammetje?

Een leeuw, daar hoef ik niks over te vertellen. Zijn kracht om te doden kent iedereen. Maar een lammetje, dat is niet bepaald het symbool van moed en kracht. Nee, het is in dat opzicht een “loser”. Als het zou worden aangevallen door een wild dier, dan is het volstrekt weerloos. Het heeft geen sterke klauwen, geen bek met scherpe tanden. Bovendien mist het snelheid om weg te rennen. Kortom, het zou een gemakkelijke prooi zijn. Dus: de keuze tussen leeuw of lam als beschermer in de jungle van het leven, die is supergemakkelijk. Die is eigenlijk geen keuze. Maar…
-----
Johannes, je weet wel, is die leerling van Jezus, de opgestane Heer, die naar de hemel gevaren is. En die Johannes is omdat hij van Jezus getuigde, verbannen naar het eiland Patmos. (zie afbeelding) Maar God maakt van de eenzaamheid en stilte daar gebruik. Johannes krijgt openbaringen. En die gezichten zijn belangrijk voor de kerk van toen en altijd. Ook voor de gelovigen van vandaag.




Johannes mag in de hemel, de woonplaats van God, kijken. Daar ziet hij God, op zijn troon. En in zijn hand houdt Hij een boekrol (zie afbeelding). Een boekrol, daarop werd geschreven, wat je wilde laten lezen aan een ander. De brief, het boek van vandaag (?) dus. God, de Opperkoning op de troon, wil ook aan jou en mij dus iets meedelen. En wat dat is, staat op die boekrol.


Maar o wee, een probleempje, beter: een groot probleem: de boekrol is opgerold en verzegeld. Met zéven zegels zelfs! En je moet macht en vólmacht, om die zegels te verbreken. En wie, o wie hééft volmacht, is waardig, om dat te doen.



Johannes heeft een vermoeden, dat dit heel erg belangrijk is. Dat er voor de kerk van Christus erg veel van afhangt. Want als er niemand zomaar gevonden wordt om dat te doen, dan komen de waterlanders bij hem voor de dag! Johannes raakt helemaal overstuur. Die zegels móeten verbroken worden. Want die boekrol moet open, zie je.
En waarom? Wat staat er dan in dat boek voor belangrijks te lezen?

Weet u, de Heer heeft hem, Johannes wat beloofd. Namelijk, dat God hem zal laten horen en zien, wat er gebeuren moet. Wat de geschiedenis is van Gods kind, de kerk, de wereld. Eigenlijk héél de geschiedenis. Wat gebeurd is, wat er nu aan de hand is. En hoe het verder gaat. Hoe het afloopt met de gelovigen, de kerk en de wereld, En dáár gaat het om in die boekrol. Als de zeven zegels verbroken wordt, kan dat gelezen worden. Dan kan dat allemaal gebeuren.

Wie die zegels verbreekt, de rol open rolt, wie daartoe de macht heeft, die is het helemaal. Die heeft alles in de hand en in handén. Die is de beheerser, de leider, de voltooier van de geschiedenis. Die brengt alles en allen naar Gods doel toe. Die brengt de nieuwe hemel en aarde tot stand. En die geeft al Gods kinderen daar een plaats, zo zeker als 2x2 vier is.

Dus: een brandende vraag voor Johannes in zijn tijd. En voor ons, nu. Wie doet dat in naam van God? Wie komt dat toe, heeft macht en volmacht, om dat te doen? Want bij hem moet je wezen, om door de jungle van het nu en de toekomst heen naar de voltooiing te gaan.

En…?
Het wordt…een lam. Een lam, toonbeeld van weerloosheid en krachteloosheid. Een lam, ook symbool van de overgave. Het dier voor het offer. En dit Lam is al geofferd. Het is geslacht, dat kun je zien. Het is ten offer gebracht, maar het leeft weer. Het is door de dood héén gegaan. En zo is dit Lam Gods Lam. De levende verlosser, Jezus, de Christus.

Wie kies jij als beschermer? Als leidsman in en door de wildernis van het leven?

Leeuw of lam, dit Lam? Nee, dat is geen keuze uit twee gelijkwaardige beschermers. Want dit Lam is lam en leeuw tegelijk. Hij is de leeuw uit de stam Juda, staat er in vers 5. Het offerlam is de sterke koning, onderweg naar zijn rijk!
Dus: bescherming nodig? Ga dan met dit lam, dat leeuw is mee. Dan ben je veilig in deze jungle. Dan neemt Hij je mee naar zijn eeuwig rijk!




Eén is waard, het boek te lezen
Staande voor Gods hoge troon:
Slechts de leeuw, die lam wil wezen’
Koning met een doornenkroon –
Hij, verrezen, zal genezen:
Wie een slaaf was, werd een zoon!

Zie, het boek van Gods historie
Is ontsloten, en het wacht
Tot het volk van zijn victorie
Zingen zal uit alle macht:
“Lof, aanbidding, wijsheid, glorie,
Zij het lam, voor ons geslacht"


(uit: A.F.Troost, Zingende Gezegend, melodie gez. 300)

maandag, oktober 12, 2009

MOET IK DÁT GELOVEN ? (preek, Adventstijd)

MOET IK DÁT GELOVEN ?

Eventueel te gebruiken liturgie:

Eventueel vooraf : Ps. 122:1
Na wijdingswoord en groet: Ps. 122 : 2,3


(In ochtenddienst: Samenvatting van de wet
Als schuldbelijdenis zingen: Opwekking 125:1,2,3
Lezen: 1 Joh. 1:5-9
Zingen: Opwekking 125:4
Regels voor ons leven in dankbaarheid: Deut.5:5b-21
Zingen: Gez. 95:1 )

Gebed om Gods Geest
Schriftlezing: Gen. 18:1-15
Zingen: Gez. 3:1,3,6
Schriftlezing: Hebr. 11: 8-12
Zingen: Ps. 105:1,2,3.
Verkondiging over Gen. 18:12 met als thema: “Moet ik dát geloven?”
Zingen: Gez. 127:1
Gebeden
Kollekten

(In middagdienst: Gez. 477:1 Geloofsbelijdenis van Nicea Zingen Gez. 477:2 Zegen )

Zingen: Gez. 477:1,2
Zegen
----------
Preek over Gen. 18 : 12: Dus lachte Sara in zichzelf….

Gemeente van de Heer,
Een lach! Wat kan díe je veel vertellen! Over het algemeen wordt er weinig gelachen, hier op deze aardbol. En het leven gééft ook meer reden om te huilen, helaas. Het leven van elk mens begínt en eindigt ermee. Als bij de geboorte het kindje niet huilt, dan kan dat een heel verkeerd teken zijn. En de laatste ademhaling noemen we soms ”de laatste snik”.

Lachen, dat doen we te weinig. En soms ook weer te véél. Het is maar nét, wat die lach inhoudt. Een vriendelijke lach bij een begroeting in de ochtend, kan je hele dag een mooi, vrolijk kleurtje geven! En die betoverende glimlach van je levenspartner, onbetaalbaar is die, toch?

Maar je ziet ook wel eens een boosaardige, grimmige lach, die niet veel goeds beloofd. Of een honend lachje, vol spot en ongeloof.
-----


Wij denken samen in deze Adventstijd na over een lach. Advent. Ja, want er komt iemand áán. Nou, wíe dan wel, meisjes en jongens? Sinterklaas misschien? Die komt ieder jaar wéér aan. Ja toch? Nou, als je die verwacht, dan zie je daar naar uit. Zoals je ook uitziet naar het aanbreken van “die dag”. De dag van je verjaardag, je partijtje. Spannend, joh!

Bij Advent arriveert iemand ánders. En wie mag dat dan wel zijn? De Here Jezus natuurlijk! De koning van de wéreld, niets minder! Gewéldige gebeurtenis! Wij, nu, verwachten zijn twééde komst, zijn terúgkeer op aarde. In de tijd van Genesis 18 was dat de éérste komst van de Redder, die alles wat wij mensen verprutst hadden, weer héél zou maken.

Zijn komst zou nog heel lang op zich laten wachten. Maar zijn voorouders leefden al wél. En aan Abraham was een zoon beloofd. Uit hem zou een groot volk ontstaan. En de zegen voor alle volken zou dán komen.

Maar het probleem was: zover was het nog lang niet. Dat vólk was er nog niet. En zélfs die zoon niet. Dat was allemaal nog een kwestie van beloften. En beloften, die zíe je niet. Die moet je hóren. En dan kun je alleen maar geloven. Vertrouwen op de Belover. En verder? In de wáchtkamer. Wachten op de vervulling. Voor Abraham was dat: wachten op de geboorte van de zoon.
Voor Abraham. Jazeker, daar denken we meestal als eerste aan. Maar Sara was er óók nog! Het ging ook háár aan. Zij moest het kind 9 maanden dragen. En het dan ter wereld brengen. Dus zij was ook héél nauw bij de belofte betrokken. Ze zou die letterlijk “aan den lijve” ervaren. En ook voor haar was het wáchten.

Niet eenvoudig, hoor! Wat zegt u? Heel erg moeilijk, dat verzeker ik je. Voor Abram. Maar voor Sara niet minder. En ook zij was, net als haar man, een uiterst belangrijke schakel in Gods plan. Bij hem en haar begínt het allemaal: de verwerkelijking van de belofte. De zegen voor heel de mensheid.

Die belofte vertrouwen, blijven vertrouwen, dat was voor Sára niet minder moeilijk. Want ook háár hele leven werd bepááld door die belofte, die intussen al zo lang geleden geklonken had. Haar hele leven werd erdoor in beslag genomen.

Want zij was bij haar man. Ze was één met hem. Door Sara kon deze doen wát hij deed en gaan, wáár hij ging. Ze steunde hem, door dik en dun. In zijn vertrouwen. En in zijn zondigen. In zijn wandelen op Gods wegen. En in zijn afdwalen daarvan.

Ja, ook Sara was een Adventsfiguur. Zij verwachtte de aankomst van de Verlosser. Die de zegen voor de hele wereld tot stand zou brengen. Oók zij, net als Abraham. En toch zien we minder naar háár. En áls we dat al doen , dan vaak kritisch. Abraham hebben we bepááld hoog zitten. En Sara niet altijd zo, vrees ik.

Zo lezen we zowel van Abraham áls van Sara, dat ze láchten, toen de belofte van God klonk. En ik denk, dat we misschien niet altijd op dezelfde manier naar dat gelach van Abraham als naar dat van Sara kijken.

In deze dienst willen we in elk geval kijken naar het lachen van Sara. En naar de Adventsboodschap, die God daarin voor u, jou en mij verpakt heeft.
-----

Er zijn 3 onbekende gasten in de tent van Abraham en Sara. Abraham kende die drie mannen niet. Toch, in overeenstemming met de regels van de oosterse gastvrijheid, werden ze onthaald. Niet maar op “ een lekker bakkie”, zoals wij zouden doen, misschien. Maar op een complete maaltijd. Wat hij dan “iets te eten” noemt. En dat níet met een bijbedoeling, maar echt puur uit gastvrijheid. Reizen was in die tijd en in dat klimaat geen sinecure, wist hij uit ervaring.

Maar als de gasten in de tent aanliggen, krijgt de aartsvader toch in de gaten, dat zij hier niet “toevallig”, niet “zomaar” zijn. Dat hun komst een bedoeling heeft. Dat blijkt. Want ze vragen naar zijn vrouw Sara, die áchter de gasten, bij de ingang van de tent staat.

En dan krijgt ook zíj de belofte te horen. De belofte van een zoon. Nu had die belofte méér geklonken, al veel eerder. Maar in dit geval geeft de Gast, met een hoofdletter, want hier is God aan het woord, er zelfs zo ongeveer een geboortedatum bij. Volgend jaar om precies deze tijd zal de belofte vervuld zijn. Dan zal het huilen van een kind in deze tent te horen zijn!

Nou moe! Wat een boodschap! Hè, hè, eindelijk! Het zou tijd worden!, zeg je dan. Niet dan? En dat God zélf die blijde gebeurtenis komt aankondigen! Het kómt, zegt Hij. De zoon komt. De belofte gaat in vervulling! Hiep hiep, hoera!

Van Abraham horen we geen reactie, deze keer. Van Sára wél…
Ze lachte in zichzelf, staat er. Het was geen schaterende hoonlach dus. En evenmin een schamper lachje. Maar het was ook niet een lach als uiting van verrast stil geluk. Dan had ze niet ontkend tegenover de HEER. Het was een zacht onhoorbaar lachje. Een lach die duidelijk maakt, dat Sara’s geloof het hierbij even laat áfweten. Hier kan ze toch écht niet bij.

Nou en wie zich maar even een beetje weet te verplaatsen in haar situatie, die begrijpt dat. Wie zou dan wél kunnen geloven! Stokoude opa, met oma, een klein beetje jonger, maar toch evengoed een oud besje, die een kind krijgen. Opa, achter de kinderwagen in plaats van achter de rollator! Oma, bezig de luiers op de lijn te hangen (bij gebrek aan pampers)! Ik zeg het maar wat overdreven. Maar het is duidelijk: wie zou dát zomaar geloven! Het is om je krom te lachen! Goeie grap, zeg. Maar wél een spróókje!

En tóch: dit was geen lach van ongeloof. Geen lach van een ongelovige. Sara was niet ongelovig. Ze spotte niet inwendig met God en zijn beloften. Sara was niet een ongelovige. Nee, ze was een ongelovende. Een gelovige zoals zovelen. Een gelovige namelijk, die het soms even niet kan opbrengen, om de beloften van God te geloven en er uit te leven. Dan is het dónker.
-----

En dat is niet typisch voor Sara. Dat geldt niet alleen voor gelovigen van heel vroeger. Nee, dat is zo actueel als de krant van morgen, om het maar met een geleende uitdrukking te zeggen. Daar hébben of krijgen allen die geloven mee te maken.

Want de beloften, die de HERE God ons geeft om mee te leven, die lijken soms wel mooi ingepakt. Ze zien er allemaal prachtig uit! Maar ze zijn vastgebonden aan een lang koord van elastiek. Die hangt voor onze ogen te bungelen. Maar als we die draad te pakken hebben, dan raken die beloften telkens weer buiten bereik. Je komt er maar niet bij! De vervulling wordt steeds maar weer uitgesteld.

Bijvoorbeeld de belofte van een wereld boordevol gerechtigheid. Die verwáchten wij toch? Die is toch met de terugkeer van onze Verlosser verbonden? En? We gaan bijna zingen: “een twee drie vier, komt er nog wat van?” Of beter gezegd, wat kun je eronder gebukt gaan, eraan lijden, dat die nog steeds ver weg is, een sprookje lijkt. Je weet wel, dat het komt, maar toch…

En die genezing van je kind dan? En dat je nog steeds werkloos bent, ondanks alle sollicitaties? Is dát een liefdevolle, zorgzame Vader? En dat de strijd tegen die ene zonde nog steeds gevoerd moet worden en je nog zo vaak het onderspit delft?

En zo zou je dóór kunnen gaan. God heeft wel veel mooie beloften gegeven op veel terreinen van het leven. Maar ze bungelen aan een draad van elastiek, buiten bereik. En vaak worden ze maar geen werkelijkheid.

Moet je dát nou geloven? En blijven geloven? Kun je op die beloften áán? Kun je er op stáán? Heb jij nooit de neiging, er wat om te glimlachen? Het zo nu en dan even niet te kunnen opbrengen, er op te vertrouwen?

Abraham had dat wél. En Sara óók. En: zo vader en moeder, zo zoon en dochter. De vader en moeder van alle gelovigen waren soms niet zo gelovend. En de zonen en dochters zullen echt niet zoveel beter zijn, vrees ik.

Sara schaamde zich wel voor haar niet-werkend geloof. Namelijk toen ze heel duidelijk voor ogen kreeg: hier is de God van het verbond aan het woord. De God van de belofte, Die er zelfs een tijdslimiet aan verbindt. Dan beseft ze: ik heb ongelovig gelachen om Gods belofte. Zijn belofte, uit eigen mond.

Maar ze maakte het er niet beter mee, toen ze er om lóóg. Ja, zo kan het gáán, mensen. Van het één komt het ander. Van de éne zonde komt de andere. Zondigen kan worden: lopen in een doolhof. Tenzij die vicieuze cirkel doorbroken wordt. Door God erbij te halen. Want zelfs dát kan onze Vader begrijpen van zijn eigen kinderen. Sara wordt betrapt en gecorrigeerd, maar daar blijft het bij.

Ja, je moet je schamen, als je het op een bepaald moment even niet ziet zitten in de beloften van onze Vader! Wij vooral. Want wij weten, hoe Hij die belofte aan Sara helemaal vervuld heeft
.
Een jaar later huilde en kraaide een baby in de tent. Wat zullen de oude, verse ouders genoten hebben. En stilletjes gelachen van geluk! Maar zich toch ook geschaamd hebben, wéér. Omdat hun geloof in God en zijn beloften wel eens niet werkte, uitgeschakeld was.

De zoon voor Abraham en Sara is geboren. De zegen voor heel de mensheid, in Jezus en zijn werk, is tot stand gebracht. Alleen: Hij moet nog voor de tweede keer komen. Om die zegen uit te werken en ook zichtbaar maken.

Dáár wachten wij op. En met het inwachten van die werkelijkheid, die komt, maar nog op zich laat wachten, hebben ook wij het nogal eens moeilijk. Moet ik dát geloven? Dat het werkelijk wat wordt met de vervulling van die beloften? Dat kun je soms even niet trékken. Want ook voor óns komt het op wachten aan. Op je vastklampen aan die beloften en aan de Belover.

Ook al weet je, dat de Heelmaker gekomen is en zijn werk van begin tot einde voltooid heeft. Ook al zie je soms tekenen van die werkelijkheid, in een glimp, heel even. In een ruzie die bijgelegd wordt. Als twee kerkverbanden plaatselijk sámen gaan optrekken. In een kind, dat wonderlijk gespaard wordt. In jonge mensen, die verkiezen met God verder te gaan.

Ja, het komt wel, heus. Het nieuwe leven, de nieuwe hemel en aarde, ze komen. Want HIJ komt. Zoals Hij beloofd heeft. Hij, Jezus, de Heler. Hij is bezig, alles nieuw te maken. Hij staat op het punt te komen. Moet ik dát geloven? Nee hoor, dat móet niet. Maar het mág gelukkig wel. En als je het niet kunt geloven? Dan leert Gods Geest het je wel, als je dat vraagt.

Er is geen reden voor een schamper hoongelach. Nee, nu is er nog veel te huilen. Soms kun je al even blij glimlachen over Gods vorderingen. Niet te geloven! Maar wáár! En eens…Dát wordt me lachen en genieten. Met volle teugen. Dan is Hij er. Toch, eindelijk! En voorgoed!
Amen.