maandag, september 15, 2008

O, WAS IK MAAR DOOD! (preek)



O was ik maar dood…!

…verlang ik ernaar te sterven… Filippenzen 1:23

Voorstel voor een orde van dienst:

Ter inleiding zingen: Zingende Gezegend 198 : 1,5,6,7
Stil persoonlijk gebed
Toewijdingswoord en groet
Zingen: Psalm 17 : 3,7

[[in ochtenddienst:
Als schuldbelijdenis lezen Daniël 9 : 15 en 19
en zingen Psalm 5 : 2 en 6
Want voor wie vertrouwt op God geldt:
lezen Romeinen 8 : 1,2
Gods wil: Romeinen 12 : 9-21
en zingen Psalm 19 : 3 ]]

Gebed om opening van Gods Woord
Schriftlezing: Filippenzen 1:12-26
Zingen: Psalm 73 : 9 en 10
Verkondiging over Filippenzen 1: 23 “Verlang ik ernaar te sterven…”
Zingen: Evangelische Liedbundel 413 : 1,2, en 4

Dienst van de gebeden

Dienst van de offers
Z
ingen: Gezang 279 : 1, 6 en 7

[[in tweede dienst: Geloofsbelijdenis, 12 artikelen
Zingen: Gezang 281 : 4]]

Zegen
Beaming met samenzang: Gezang 456 : 3


Verlangen om te sterven, daar hoor je nog wel eens van. Vaak klinkt het wat ruwer en rauwer. Zo van: “was ik maar dood!”

Kunt u dat begrijpen? Of vindt u het leven nog steeds mooi, waard om geleefd te worden? Ook als je ziek wordt, of “gewoon” oud, blijven er meestal nog genoeg dingen over, waar je van geniet. Kleine dingetjes, heel gewoon, maar toch.

Maar er zijn óók mensen, die best wel verlángen naar het einde van dit bestaan. Er zijn zelfs mensen, die een euthanasie-verklaring op zak hebben. Of die vrágen om euthanasie. Dat is dan vaak, omdat ze lijden. Lichamelijk lijden, maar soms ook psychisch. En dan vinden ze dat lijden ondrágelijk. En ze achten hun bestaan mens-onwaardig.

Nu kun je over die zaken verschillend denken. Christenen zeggen dan wel: zou God je dan meer te dragen geven dan je kúnt dragen? Nee toch? God heeft veel kracht, álle macht zelfs. En daar deelt Hij van uit aan wie dat vraagt. En zou HIJ willen, dat we onder de vracht bezwijken? Geen denken aan! Daarom geeft Hij ook álle kracht die we nodig hebben om die zak op je schouder, die je mee moet zeulen, te dragen.

En daar ben ik het mee eens. Sterker nog: dat wéét ik uit eigen ervaring. Ik heb elke dag veel draagkracht nodig. En ik vraag er elke morgen om. En elke avond moet en mag ik God loven. Want ik kréég en krijg die kracht. Elke dag weer. Zodat ik elke dag kan genieten, toch, ondanks alles. Niet, dat ik dat altijd doe. Maar er is réden voor, elke dag.

Conclusie voor ieder, die de Heer kent: niet klagen, maar dragen en vragen om kracht! Dat is een regel uit een veel langer gedicht trouwens, maar goed. Het is wél de weg, die we moeten, mogen gaan. En die weg is begaanbaar. Die kún je gaan, tot het einde toe! Dat geloof ik met heel mijn hart.

Maar als je nou de Heer Jezus niet kent, en hem niet liefhebt? Dan vraag je óók niet aan hem om kracht, toch? En als je dan lijden op je bordje krijgt? Lichamelijk, psychisch misschien. En als je dat lijden dan als ondragelijk ervaart? Want dat kán. Ja, dan kan het gebeuren: dat je ernaar verlángt om te sterven. Dat je mensen vraagt, je te helpen om dood te gaan.


Nou zegt Paulus, het staat hierboven,: “Ik verlang ernaar te sterven”. Dat lijkt iets dergelijks te zijn. Maar dat moet u maar niet denken. Het is niet zo, dat Paulus, de schrijver van deze brief aan de gelovigen in Filippi, ook te maken krijgt met lijden. En daarom wil, dat er een eind aan komt. Aan dat lijden, aan zijn léven.
Nee, dáár gaat het hier niet om. Hier is de achtergrond heel anders. Er is een andere reden. En het is in wezen een heel ander verlangen. Laten we maar eens kijken.

Er is wél sprake van lijden. Dat was erg vaak het geval in zijn leven. Het dienen van Jezus kostte hem erg veel. Toen hij deze brief schreef aan de gemeente in Filippi, zat hij in de gevangenis. En dat was bepaald geen luxe hotel! Hij was al voor de rechter geweest. En hij wachtte op de uitspraak.

En dat dubbeltje kon twee kanten op vallen. De kant van de vrijspraak. En dat betekende: weer vrij, aan het werk, opnieuw lijden enzovoort. Of veroordeling. En dat was de doodstraf. Wat zou u kiezen? Ik zou kiezen voor vrijspraak, voor het léven. En Paulus?

Hij zegt: er wordt van béide kanten aan me getrokken. Of anders gezegd: binnen in me klinken twee stemmen. De ene zegt: vrijspraak is beter. Dat is beter voor de mensen van al die gemeenten. Hen kan ik dan nog dienen.
Maar de andere stem zegt: Sterven, daarmee ben je beter af. Dat is beter voor jezélf.
Ja, zegt Paulus: sterven is het allerbeste voor mij.

Nou weet ik: uiteindelijk kiest Paulus voor vrijspraak. En hij rekent er ook wel op, dat dit zál gebeuren. En daarmee terugkeer naar Filippi en naar andere gemeenten. Naar de mensen, die hem nog zo nodig hebben. Naar het werk, want er is nog zoveel te doen in Gods dienst. Nog zoveel mensen moeten horen van Jezus’ liefde. En opgebouwd worden in het geloof.

Voor hem zélf is sterven verreweg het beste. Maar er is daarbij geen levensmoeheid in het spel. Integendeel. Want Paulus denkt, wéét eigenlijk, dat er nog veel te doen is voor God en zijn rijk. En hij denkt: ik daar nog méér aan bijdragen? Graag! Nee, Paulus is het leven niet beu.

En dit is eigenlijk zelfs geen verlangen naar de dood. Naar de dood zonder meer, de dood op zichzelf. Een gelovige verlangt niet naar de dood. Ook voor hem is de dood een pikdonker gat. En hij weet: de dood is een vijand. Dat zegt de bijbel namelijk. Een vijand, die zéker verliest. De dood gaat eráán. Die is op sterven na dood. Maar hij lééft nog. Hij kan je pijn doen. En dat doet hij ook. Zoveel mogelijk zelfs.

Want de dood, die scheurt je los van alles, wat je lief is hier op aarde. Je moet afscheid nemen van je werk, van je vrienden, van je familie, je vrouw, je man, je kinderen misschien. En die zullen je missen, als je weggerukt wordt. Die hebben ook pijn, omdat ze afscheid moeten nemen.

Paulus is nog niet oud ook. Kijk, wij zeggen: als je oud bent, dan kom je steeds dichter bij de dood. Dan moet je er rekening mee houden, dat je verblijf hier niet zo lang meer zal zijn. Maar dat betekent niet, dat je naar het sterven moet verlangen, omdat het zo moeilijk wordt. Omdat je pijn hebt. Omdat je steeds minder kúnt. Omdat de eenzaamheid steeds groter en moeilijker te dragen valt.

Dat kan allemaal heel erg zwaar zijn. En dat je daarvan verlost wilt worden, natúúrlijk. We zijn allemaal mensen. En dat weet God ook. Dus zal die wens altijd méé spelen. Maar als er niet méér in je hart en gedachten leeft…

Dán ga je naar de dood verlangen, om van die pijn en moeite en eenzaamheid verlost te zijn. Ja, de Heer wil en zal ons daarvan verlossen. Gelukkig wordt eens alles volmaakt en goed. Maar of dat nu DE reden is, de enige of belangrijkste reden, om te verlangen naar het einde, nee.

Want Paulus zegt wat anders: ik verlang te sterven en -meteen daaraan verbonden, als de invulling- bij Christus te zijn. Dát is het allerbeste. Dáár verlangt hij naar, met alles wat hij in zich heeft. Bij de Heer te zijn, Hem te zien, dat is werkelijk het allerbeste. Er is niets dat daarmee ook maar enigszins te vergelijken is.

Bent u het daarmee eens trouwens? Gaat het om hém in uw leven?

Dan kun je verzadigd zijn van het leven. Dan kun je last hebben van je beperkingen en graag willen, dat daar een eind aan komt. Dan kun je vooral ook last hebben van die zonden, die telkens weer de kop opsteken. Dan verlang je ernaar, van je zondige hart, je zonden doen, je zondig zijn, verlost te worden.

Maar dan verlang je vooral, bij Christus, je Heiland te zijn. Dan is die donkere dood de poort naar het leven. Dan is IN die donkere tunnel licht. Want dan is je Heer bij je. En hij gaat met je mee. Hij neemt je bij de hand. En leidt je door die tunnel. Naar een leven in glorie, in heerlijke volmaaktheid. Want het is een leven met Christus, je Heer.

Paulus zegt: ik verlang ernaar, de Heer te zien. Dat verlangen heeft in beginsel niets te maken met omstandigheden, leeftijd of wat dan ook. Het gaat om verenigd te worden met je Heiland.

Dáárom wil Paulus heen gaan. Hij verlangt ernaar, de tent op te breken, zoals er letterlijk staat. Of: het anker te lichten en naar de laatste haven te gaan.

De havenplaats kénnen we nog niet. Daar wordt in de bijbel alleen in béélden over gesproken . Maar het valt niet tegen. Het valt in alle opzichten méé. Daar kennen we God toch goed genoeg voor? Hij is beroemd om de aangename verrassingen, waar hij voor zorgt!

Jerusalem, stad met de paarlen poorten, naar u verlang ik. Maar vooral hierom: daar zal ik mijn Heer ontmoeten!


Amen

Suggesties voor de dienst van het gebed:


Allereerst God loven, omdat Hij (jou) nog het leven geeft. En danken voor de kracht, die Hij gééft om te leven.
God prijzen voor al het mooie en goede, dat er altijd nog is.
Bidden voor hen, voor wie het leven zwáár is en wordt... Bidden om dráágkracht voor hen.

Bidden voor oudere zusters en broeders. En dat de gemeente aan hen denkt, en niet alleen met woorden...
Voor mensen die moeten sterven...
Vragen, (meer) verlost te worden van egoïsme, ook met het oog op de dood en doodsverlangen. Dat we zien, hoeveel werk hier nog te doen is... En moed en kracht daarvoor krijgen we ook op het gebed...
Danken, dat de dood een verslágen vijand is!
En dat de Heiland je bij de hand wil pakken en door de donkere tunnel wil leiden.
En dat áchter die tunnel de lichtstad ligt...


woensdag, mei 14, 2008

WIE IS JOUW FAVORIETE KONING(IN) ? (preek)

Wie wil jij als koning?

Voorstel voor een orde van dienst
Eventueel vooraf: zingen Psalm 93
Na stil gebed ter voorbereiding op de dienst, votum en groet: Gezang 477

(In ochtenddienst:
Gods wil voor ons leven:
Matteüs 32:37-40 en zingen Gezang 478:4,5,6,7)

Gebed om de Geest
Schriftlezing: Rechters 9:6-21
Psalm 99:1,3,4
Preek over vers 8a
Na verkondiging: Gezang 476:5
Dienst van de gebeden
Dienst van de offers
Slotlied: Zingende Gezegend 265:3,4
(In middagdienst: Geloofsbelijdenis van Nicea en Gezang 409:5)
Zegen

“Eens gingen de bomen eropuit om een koning te kiezen.” Rechters 9:8a


Machtsmisbruik, deze wereld is er vol van. In het groot, in het klein. Krijgsheren met een zwaarbewapende bende achter zich, die een dorp uitmoorden. En dat puur, omdat de inwoners behoren tot een andere stam of clan. Politieke coalities, die hun plannen doorvoeren, ook al zijn er redelijke argumenten aangevoerd tegen die plannen. “Gewoon” omdat ze de meerderheid in de Kamer bezitten.

Dichterbij ons lijf: een man, die zijn vrouw en kinderen terroriseert. Omdat hij nu eenmaal de sterkste is. Een klas, die een jongen of meisje het leven vergalt, dat niet in de pas loopt met die klas. Samen ben je sterk immers? Een kind, misbruikt door zijn vader. Omdat die gewoon veruit de sterkste is. Och, ik zou nog veel meer voorbeelden kunnen noemen.

Overal kom je misbruik van macht tegen. Tot in de kerk toe zelfs. Terwijl die toch een beeld zou moeten laten zien van het komende rijk vol vrede. Maar ook daar heeft soms het getal méér te koop dan Gods woord. En ook daar kunnen soms een paar mensen een of andere verantwoorde vernieuwing tegenhouden. Puur door zich te beroepen op gewetensbezwaren of gevoelens en niet op argumenten. Of daar kan een kerkenraad een besluit nemen, dat voor de gemeente niet goed is. Omdat het te vroeg komt.

Dat verwacht je niet binnen de kerk, misbruik van positie en macht. Macht, invloed kan groot gevaar opleveren. Het kan in de kerk de voortgang van de goede tijding belemmeren. Daarin bezig zijn, het is geen zaak, waar je vanuit jezelf op uit moet zijn. Alleen als God je roept tot een bepaalde taak. En tot een plaats, een positie, die in zeker op zich macht, beter: gezag, met zich meebrengt.

Gideon was er niet op uit, macht uit te oefenen. Hij had bepaalde invloed en macht. Maar die had hij gekrégen. Hij was namelijk geroepen, om richter te zijn. Eerst maar eens even uitleggen, wat dat voor een “beestje” is, een richter. Als je bij het woord denkt aan rechter, rechtspreken, dan heb je het goed. Maar je moet ook aan gerechtigheid denken. Een richter was rechter. Als er problemen waren tussen mensen kon hij erbij geroepen worden. Dan had hij de taak, een uitspraak te doen in zo’n zaak.

Maar gerechtigheid in een ander opzicht kwam ook aan de orde. Een ander volk kon Israël binnenvallen. Dan moest een richter namens God optreden. Hij moest dan de vijand verjagen.

Daartoe was Gideon destijds geroepen. Hij had zich goed van zijn taak gekweten. Wé zaten erl flinke plooien in zijn optreden. Zo had hij een flinke harem, vertelt de bijbel. Zo kwam hij dus aan 70 zonen. En hij liet een schitterend priestergewaad maken. En daar liet hij het volk afgoderij mee plegen.

Maar toen het volk hem het erfelijk koningschap aanbood, toen weigerde hij toch resoluut. “De HEER is uw heerser”, zei hij. Terechte opmerking. God heeft het voor het zeggen. Dus: als er een koning moet komen en als ik die koning moet zijn, dan zou de HEER dat wel laten weten, zo is Gideons visie. Dus blijft Gideon “gewoon” richter, tot aan zijn dood.

Maar het volk is toch beslist “in” voor een koning. Daar maakt één van de zonen van Gideon handig gebruik van. Die zoon, van een bijvrouw, heet Abimelech. “Mijn vader is koning” betekent die naam. En als Gideon die naam gegeven heeft, dan zit er toch een verdacht luchtje aan, vindt u niet? Nou ja, als je 70 zonen hebt, dan kun je met de naamgeving wel eens in de problemen komen, zeg nou zelf!

Maar goed, die Abimelech liet zich in Sichem, waar zijn moeder vandaan kwam, tot koning uitroepen. Want hij ziet het koningschap wél helemaal zitten. Een schitterende baan toch? Hij ziet het al vóór zich: heel het volk aan zijn voeten. Het hele land onder zijn bewind. En hij wonen in een prachtig paleis in de hoofdstad Sichem. Wie doet je wat! En dan zelf kunnen doen, wat je wil! Een luizenleventje toch? (afbeelding: Sichem)


Ja, want we moeten denken aan een absoluut koning. Geen sprake van democratie, geen parlement. Nee, de koning bepaalde toen alles. Dat wil zeggen in Israël: hij deed, wat God hem opdroeg. Niets anders, niets minder, niets meer.
Abimelech ziet het anders. Hij ziet koning zijn als: doen wat je zelf wilt, ten koste van alles en ten koste van iedereen.


En daarom begint hij meteen met een vreselijke gruweldaad. Hij neemt al zijn broers gevangen. En laat ze vervolgens onthoofden op dezelfde rots. Nou, bepaald een stevige basis onder je koningschap: een grote plas bloed! Door de moord op zijn eigen broers en halfbroers. Gruwelijk! Als zoiets koning is!

Nu is de jongste zoon van Gideon, Jotam, erg slim geweest. Hij had zich verstopt en is zo aan de dood ontkomen.
En hij mag dan de jongste zijn, de domste is hij niet. Integendeel, hij blijkt erg wijs te zijn. En vanaf de berg Gerizim spreekt, beter: roept, hij de inwoners van Sichem, in het dal, toe.

Hij vertelt een fabel. Nu, velen van u zullen “de Fabeltjeskrant”, het kinderprogramma op tv, dat ook door veel volwassenen bekeken werd, nog wel kennen. De uil vertelde verhalen over dieren, die sprekend en handelend werden ingevoerd. Ja, “want dieren zijn precies als mensen”. En dat klopt. En mensen zijn soms ook precies als dieren, zou ik erbij willen -en moeten- zeggen.

In de fabel van Jotam worden bomen sprekend en handelend ingevoerd. Bomen blijken dan precies als mensen te zijn. Van bomen kun je dan leren.
“Eens gingen de bomen er op uit, om een koning te kiezen”. Wie wil er koning worden? Jij misschien? Of jij? Ja, want het wordt een echte zoekpartij. Het wordt een hele tour, om er één te vinden.

Eerst komen ze bij de olijfboom. “Hé olijfboom, wil jij onze koning worden?” De olijfboom is een hele boom, kan honderden jaren oud worden en blijft vreselijk lang, jaar in jaar uit, vrucht dragen. Een heel nuttige vrucht, gebruikt om olie te maken. Voor voedsel, voor de lampen.
“Nou”, zegt de olijfboom, “dat olie geven wil ik blijven doen. Bedankt, dat jullie aan mij gedacht hebben. Maar nee, alsjeblieft, zeg. Ik zie me al wat staan wuiven met mijn takken en bladeren. Ik ben daar niet geschikt voor. Ik ben niet beter dan jullie. Ik wil geen superboom, geen koning zijn. Zoek maar een ander”.


Dan maar naar een ander, de vijgenboom. “Zeg vijgenboom, wil jij misschien onze koning wezen?” Maar wéér vangen ze bot. De vijgenboom levert elk jaar heerlijke vijgen. En dat wil hij maar zo houden. Niks geen wuiven boven de andere bomen. “Dank je stichtelijk!”.




Kom op, naar de wijnstok. Die wil vast graag, want dat is zo’n onooglijk ding. Van zijn hout kun je nog niet eens met goed fatsoen iets timmeren! “Wijnstok, wil jij onze koning zijn?” Maar wéér lopen ze een blauwtje. De wijnstok wil óók blijven, zoals God hem gemaakt en bedoeld heeft: leverancier van druiven. “Dank je feestelijk!”


Dat wilde Gideon ook. Niet koning worden, maar blijven waartoe God hem geroepen had en waarvoor hij bestemd was: richter zijn.

Ten einde raad gaan de bomen naar de doornstruik, met dezelfde vraag: “Wil jij koning over ons worden?” ’t Is een noodsprong, maar ja, wat moet je. Ze moeten en zullen een koning!
En de doornstruik ziet het wel zitten. Helaas betekent dat niets goeds voor de “onderdanen”. Hij belooft schaduw, dat wil zeggen: bescherming. Maar dat kan die armzalige struik niet bieden. Integendeel, als je te dicht bij hem komt, loop je de kans op prikken en schrammen. Bovendien, een doornstruik kan goed en fel branden. En kan dus een flinke vernieling aanrichten. Zo kan een bos van prachtige ceders op de Libanon erdoor verwoest worden!

De inwoners van Sichem zijn ondankbaar geweest jegens Gideon. De zonen van hun weldoener gingen ze voorbij. En de zoon van een bijvrouw wordt tot koning verkozen. Maar ze komen er bedrogen mee uit. Lees het vervolg in het boek Rechters er maar op na. Niets dan ellende, oorlog en dood.
Ja, dat had Jotam goed gezien. Want hij bedoelt, zijn vader en broers te rehabiliteren. Maar er zit toch nog méér in die fabel van hem. Iets, wat ook voor óns van groot belang is.


Kijk, eigenlijk moeten we heel die episode over Gideon in het boek Rechters lezen. Of nog beter: het hele boek. Dan kom je diep onder de indruk. Aan de ene kant: onder de indruk van de zonde van Israël. En van hun vasthoudendheid. Ze hielden de zondige poot stijf. Telkens wéér vervielen ze tot afgodendienst. En dan kwamen er weer vijanden. Om te moorden. En om ge- en vermoord te worden. (plaatje: afgod Moloch)

En nu moet u niet meteen zeggen: wat een barbaren waren de mensen toen toch! Want in dat opzicht is er niet zoveel veranderd. Volkerenmoord, misdaden tegen de mensheid zijn er nóg, volop! En dichtbij ons leven de slachtoffers van seksueel misbruik. En stille tochten zijn er telkens weer, na het zoveelste zinloze geweld. Helaas, het blijken eigenlijk zinloze tochten. Het geweld blijft. Want weet u, het is van alle tijden. Het zit in ons hart namelijk, weet u! Ook in dat van mij en jou! En willen we rust krijgen, dan moeten we dat aan God belijden…

Maar het was, óók in die tijd, heel erg! Om moe van te worden! Je zóu zo’n volk toch! Je zou ze in hun eigen sop laten gaar koken, dat in elk geval. Maar God had beloften gegeven. Hij had zichzelf gegeven. Zich verbonden aan dat volk. Daarom werd Hij niet moe, om er telkens weer iets aan te doen. Ze te verlossen van de problemen, die ze zelf over zich heen hadden geroepen. Hoe vreselijk ontrouw ze ook bleken, telkens weer, God bleek en bleef trouw. Dáárom kwam steeds weer die verlosser. Die werd geroepen om te verlossen. Die kreeg kracht en wijsheid van God.

Maar Abimelech maakte zichzelf tot verlosser, tot koning nog wel. Terwijl hij niet geroepen was door DE koning van Israël, God zelf. En dan leer je als volk, als kiezers dus, door schade en schande een les. Namelijk, dat je met een selfmade koning, een slechte man, die koning wil zijn, bedrogen uit komt. Dan beland je van de regen in de drup. Als we het in het rijk van God van mensen zouden moeten hebben… Als je het in gemeente en kerk van mensen verwacht, komt er niets van terecht.

Gelukkig, God blijft trouw. Hij heeft een koning gegeven. Eerst koning David. Maar uiteindelijk, door allerlei diepten heen, de Koning. Koning Jezus, door God zélf als koning gezalfd. Denk maar aan de doop van Jezus. Toen kwam de Geest neerdalen. Die wees Jezus als koning aan. En door die Geest verrichtte koning Jezus zijn werk.

Een koning is Hij, die zijn macht niet misbruikt. Maar zijn almacht gebruikt ten dienste van zijn onderdanen. Die ook priester is. En die priesterdienst verricht zonder weerga! Een eenmalig offer, voldoende om álle zonden voorgoed weg te wissen. Op Golgotha namelijk.



Een koning is Hij, die zijn onderdanen zó verzorgt, dat ze gelukkig zijn. Hij leidt zijn onderdanen naar de vrede. Waar Hij heerst is al vrede. En Hij gaat met de zijnen door de dood heen naar het leven in het eeuwige vrederijk. Ja, dát is pas een koning!


Wie wil jij als koning in en van je leven? Je zou zeggen: geen vraag. Déze koning uiteraard! Daar héb je wat aan. Aan aardse machthebbers héb je niet zoveel. Ze laten je hier soms al stikken. En na de dood is hun macht afgelopen. En geld en macht, die machten bedriegen je ook. Ze verteren je. Zoals de doornstruik zijn omgeving plat kan branden. Het zijn in wezen boze machten. Ze voeren je in opdracht van de duivel naar de ondergang.

Wie wil jij als koning dus? Natuurlijk koning Jezus. Ja, maar er is een probleem. Die koning ziet er niet uit! Een koning aan het kruis. En zijn macht lijkt niet zoveel voor te stellen. Van de macht blijkt weinig. Van die vrede is nog zo weinig te zien. Wat moet je ermee! Ja, het blijft voor 100% een kwestie van geloof.

En toch: ik kies voor Jezus. En ik raad u en jou aan, dat ook te doen. Want schijn bedriegt. Die macht van aardse leiders is gezichtsbedrog. En eens blijkt dat. Dan blijkt Jezus de almachtige heerser voor altijd. Tjonge jonge, dat wordt wat! Jezus als je koning hebben, dat is het helemaal!
Kies dan nu nog, wie je dienen wilt. Om Jezus te dienen als je koning, moet je wél zelf van de troon áf. Moet je de aanspraken op zelfbeschikkingsrecht opgeven. Moet je tot óvergave komen. Je zaakjes uit handen geven. En in de handen leggen van koning Jezus

En als Hij het voor het zeggen krijgt, dan ga je wat beleven! Een eeuwig vrederijk, tot aan de nok gevuld met gerechtigheid. Nu nog niet,nee. Maar het komt, reken maar van yes! En een leven in vrede, vrijheid en vreugde, voor altijd. Ook daarvan geldt: hier en nu nog niet. Nog niet altijd tenminste. Maar ook dát zit er aan te komen, wis en drie!

Amen.

Suggesties voor de dienst der gebeden:

Gebed om geen misbruik te maken van de situatie, de gelegenheid en mogelijkheid, om onszelf te bevoordelen ten koste van de ander.
Belijden, dat we geneigd zijn, dat wél te doen.
Bidden, om onze positie en macht góed te gebruiken, ten báte van de ander.
Bidden, om onszelf niet te overschatten, maar ook onze gáven te zien en te gebruiken.
Gebed om zich op Jezus, onze koning. Ook om hier en nu al tekenen te vertonen van de vrede, die Hij tot stand heeft gebracht.
En om uitzicht naar het komende vrederijk.


maandag, april 21, 2008

AFSCHEID, MAAR HOE! (preek, voor Hemelvaart)


AFSCHEID, MAAR HOE!

Terwijl Hij hen zegende, ging Hij van hen heen... Lucas 24:51

Afscheid nemen is meestal niet zo fijn. In het Frans zegt een spreekwoord, dat het een beetje sterven is. En soms voel je dat ook. De ouders en partners van de militairen, die bij een, soms gevaarlijke, vredesmissie worden uitgezwaaid op Schiphol, zullen dat duidelijk voelen. Zullen ze ongedeerd terug komen? De afstand is ook zo groot. Je kunt ze niet zien of horen. Ze zijn zo ver weg!

Afscheid nemen doet vaak pijn, jawel. En toch is het leven er vol van. En hoe ouder je wordt, hoe meer je dat merkt. En dan gaat het vaak om afscheid, dat zo definitief is. Afscheid op het kerkhof. Iemand verdwijnt voorgoed uit je leven. En bij het ouder worden vallen er steeds meer slachtoffers van die grote en laatste vijand. Je wordt steeds eenzamer, steeds meer onwennig op deze aarde, in dit leven.


Jezus is ook heengegaan. Hij had het wel van tevoren gezegd. “Ik ga heen, naar mijn Vader, die ook jullie Vader is.” Ja, maar intussen is hij wél weg! En de leerlingen zijn alleen. Alleen in een vijandige wereld. En dat met een opdracht, om “u” tegen te zeggen. En dat doen we vandaag de dag niet meer zo gauw, dat weet u.

Een héle opdracht! Want ze moeten die wereld in, de goede, blijdschap gevende boodschap brengen. De goede tijding van redding. En Jezus, de Redder vertegenwoordigen. Hem als het ware tegenwoordig laten zijn. En dat is me nogal wat! En dat Jezus er in die situatie nu niet meer zal zijn. Hoe kán die trouwe Meester dat nou doen!

Nu kun je op verschillende manieren bij iemand weggaan natuurlijk. Je kunt weg vluchten, iemand verlaten. Dat hadden zijzelf gedaan in de hof, toen de soldaten kwamen. Je kunt plotseling weggaan. Jezus had eerst afscheid genomen. En had zijn beloften achtergelaten.


Nu vertrekt Hij. Hij gaat heen, met zijn handen uitgebreid ten zegen. Het laatste wat ze van hem zien, dat zijn zijn handen, in een gebaar van zegening uitgebreid. En ze hebben het begrepen. Dat blijkt, want ze gaan vol vreugde en moed naar het hol van de leeuw: de tempel.

Vreugde en moed, dure en belangrijke artikelen op de markt van het leven! Het kan best zijn, dat je niet bijster geïnteresseerd bent in Hemelvaart. Maar moed en blijdschap, enthousiasme? Ja, alstublieft! Hoe komt het, dat de leerlingen schaarse dingen blijkbaar putten uit het afscheid van Jezus. Wéten? (Lees dan vooral verder!) Luister dan vooral!


Het is al 40 dagen geleden, dat Jezus uit het graf gekomen is. In die dagen heeft Hij telkens wéér moeten zeggen en laten zien, dat Hij leeft. 40 dagen lang! Wat een geduld! Zou jij dat op kunnen brengen? Jezus wél! Hij is dan ook de goede herder. Jezus wordt dat nooit moe. Maar je zou het je kunnen indenken. 40 dagen lang!

Nu komen we 40 dagen al eerder tegen in Jezus' leven. Aan het begin van zijn optreden in het openbaar. Dat is geen toeval! En, net als nu, was ook dát op een berg.

Toen liet de grote tegenstander van God en Gods plannen, de Boze, ook wel Satan of duivel geheten, Hem de hele wereld zien. En hij zei erbij: “Als u mij nou aanbidt, één knieval maakt voor me, dan is heel die wereld voor u. Want ik héb die macht en kan die verlenen.”

Aanlokkelijk toch? Zomaar de opperheerschappij over heel de wereld cadeau krijgen! Maar zo zouden de mensen in de macht van de Satan gevangen blijven. Gelukkig, Jezus bezweek niet voor de verleiding. Hij koos de moeilijke weg...

NU is Hij die zware weg tot het einde toe gegaan. Een strijd, nou en of! Maar Hij heeft overwonnen. En zo heeft Hij de duivel eigenlijk de macht over de wereld afgepakt. Jezus kan nu zeggen: “Mij is alle macht in de hemel en op aarde gegéven.” Hij heeft die niet gepákt, niet gestolen. Nee, gekrégen! Gekregen, nadat en omdat Hij zijn grote werk voltooid en de opdracht volledig vervuld had.

De leerlingen waren hardleers. Maar ze hebben het eindelijk begrepen: hun Meester leef! Dit is Jezus, onze Heer! Dit is de Heerser over al wat is. En opeens is Hij er niet meer. Ze zien nog zijn zegenende handen, en dan is Hij weg! Ze zien nog wél een wolk.

Die wolk, een bijna dagelijks verschijnsel voor ons, heeft ons wat te zeggen.
Wij gebruiken de wolken ook in ons spreken. Bijvoorbeeld in de uitdrukking: Hij of zij is in de wolken. Door de verliefdheid is zo iemand in hoger sferen. Dat is een uitdrukking, ja.
Maar wij, met beide benen op de grond, vragen ons wellicht af: waar heb ik dat meer gelezen in de bijbel of gehoord in een preek?

Nou, om even te helpen: in het Oude Testament komen we de wolk meerdere keren tegen. En dichte wolk hing om top van de berg Sinaï. Daar was God. Mozes klom de berg op en verdween in de wolk. En hij kwam terug met de twee stenen met daarop de 10 woorden van het verbond, de 10 geboden. De wolk ging ook de tempel binnen, toen die door Salomo gebouwd was.

In de wolk is God. Als Jezus in de wolk verdwenen is betekent dat: Hij is de woonplaats van God binnen gegaan. Hij is bij God, zijn Vader. Jezus is weer thuis, nu Hij zijn werk op aarde voltooid heeft.

Daar is Jezus héén gegaan. Hij is weg. Maar Hij is niet met de noorderzon vertrokken. Hij is niet gevlucht. Heeft hen niet in de steek gelaten. Hij liet hun niet zijn hielen zien. Nee, het laatste, wat ze zagen, dat waren zijn handen, Handen, in het gebaar van de zegen uitgebreid. Dat beeld houden ze vast, is op hun netvlies gebrand.

Zegenende handen. Dat houdt in: Jezus IS er nog. Bij zijn leerlingen, ieder persoonlijk. En bij zijn kerk. Hij zorgt, bewaart, beschermt, geeft kracht en moed. Ze mogen Hem aanroepen in elke situatie. Dat gold toen, voor de leerlingen. En dat geldt NU, voor ons.

En dat komt ons bijzonder goed van pas. Of niet soms!!
Want zo riant is de situatie van de kerk niet! Laten we maar bij ons eigen kerkverband blijven: welke gemeente groeit nog? Verreweg de meeste gaan achteruit in ledental. En de vergrijzing gaat sneller dan het landelijk gemiddelde, vrees ik. Is er hier over 50 jaar nog een gemeente?

En even persoonlijk, bij jezelf te rade gaan. Hoe stáát het met je leven vanuit het geloof? Is er wel een echte, persoonlijke, levende band met de hemelse Vader? Ben ik op Hem gericht, zoals een plant niet zonder licht kan. En daarom zich richt op de zon? Kennen we Jezus als vriend en broer? Is ons bidden een werkelijk gesprek met God?

En als je geloof lééft: is er sprake van groei? Of is het vuur van je geloof geworden tot een laag, walmend pitje?

Dat kan wél of wel wéér in orde komen. En dat doet de levende Jezus, waar het zopas over hadden. Want Hij is dan wel in de hemel. Maar is nog altijd hoofd van het lichaam; en dat lichaam, dat zijn wij, dat is zijn kerk. Er is dus een hechte verbinding. Want hoofd en lichaam kunnen niet zonder elkaar.

Daarom mogen we met gegronde verwachtingen Hem vragen. Vragen, om die verbinding tot stand te brengen. En om groei van dat leven vanuit de band aan Hem. Hij heeft alle macht om dat te doen in ons. Want Hij is in de hemel. Maar Hij werkt op deze aarde. Dat doet Hij door zijn Geest. Die heeft Hij uitgestort op aarde immers?
.
Dat is keiharde noodzaak, ook als je geloof levend is. Want ons Hóófd is dan wel in hemel. Maar wij zijn op deze aarde. Net als de discipelen toen.

En die wereld, waar in we leven, dat is bepaald geen vakantieoord!
Dat was het voor de discipelen niet. Helemaal niet! Die waren voortdurend in de tempel, vertelt de Bijbel. En de tempel, dat was in wezen het hol van de leeuw. Daar waren de Schriftgeleerden kinderen aan huis. En de Farizeeën idem dito. Nou, die konden het bloed van Jezus' volgelingen wel drinken!

Toch waren de leerlingen daar voortdurend. En ze loofden God. Ze waren dankbaar en vol vreugde. Omdat Jezus in de hemel was, verheerlijkt, tot koning gekroond. Maar toch zegenend aanwezig. Ze gaven vrijmoedig uiting aan hun vreugde. Je moet maar durven! Dat is gewoonweg spelen met vuur! Dat kón niet goed aflopen.

Nou, dat zou spoedig ook blijken. Dat kwam hun op vervolging te staan. Dat werd gevangenschap, geseling en ga zo maar door.
Toch trotseerden ze dat alles. Ze wisten: het loopt wél goed af. Want de de Meester heeft ons zijn zegen nagelaten. Die zegenende handen, die gaven kracht en moed.

En vast en zeker: dat kan de kerk van deze tijd ook erg goed gebruiken. Want die kerk heeft de wind niet mee. Dat lijkt anders te liggen. Want over vervolging van christenen horen we nogal eens tegenwoordig. Bovendien staan kranten vol over discriminatie van moslims. En inderdaad, op dat terrein zit er veel niet goed.

Maar christenvervolging hier, of discriminatie van christenen? Daar is immers geen sprake van? En zo lijkt het toch ook hier? Niemand legt jou en mij toch een strootje in de weg? Er is volledige vrijheid voor ons, om naar de kerk te gaan en christen te zijn en dat te beléven ook.

Er is tóch al openheid. Openheid voor religie, voor het bovennatuurlijke, het spirituele. En dat vooral in de breedste zin van het woord. Wat en hoe dan ook maar. Maar daar zit het probleem meteen ook. Want dat wordt van ons ook verwacht. Dat we open staan voor van alles en nog wat, rijp en groen, op zichzelf zinnige dingen én complete onzin. Dat we ons nergens over verbazen, en helemaal niets afwijzen.

En als we naar de Bijbel willen leven, dan moet dat soms wel terdege. En dat valt vaak niet in goede aarde. “Die christenen weer”, hoor je dan. Of: “Daar heb je die fundamentalisten weer, die fijnen”.


Daarom kunnen ook jij en ik moed en kracht gebruiken. Moed, om voor onze mening, voor de waarheid van de bijbel, úit te komen. Door ánders te zijn, in ons spreken, in ons doen en laten. Ook door te laten zien, waar onze prioriteiten liggen. Wat we belangrijk en minder belangrijk vinden. Wat ons drijft. Waar ons hart is, bijvoorbeeld bij God of bij god goud en god geld. Ja, moed hebben we elke dag nodig.

En ook kracht. Kracht, om staande te blijven in het geloof. Blijven staan, terwijl zoveel dingen ons willen verleiden tot zonde. God heeft de mens veel gegeven. Maar die gaven zijn tegelijkertijd evenzoveel ópgaven. Om die gaven niet te misbruiken. Om er een gepast gebruik van te maken. Denk maar aan Internet. Want wat liggen daar een grote gevaren. Bijvoorbeeld om daar geen tijd aan te verspillen. Tijd, die heel erg nodig is voor iets anders. Of het gevaar, verkeerde sites te bezoeken.

Kracht en moed. Om blij en moedig elke dag in te gaan. Terwijl er misschien zoveel is, wat we zo graag anders zouden wensen. Omdat je leven zo beperkt is. Omdat je moet missen, wat anderen als vanzelfsprekend beleven.


Kracht en moed om te leven. Terwijl er zoveel pijn, zoveel verdriet is in je leven. Terwijl je hem of haar zo mist. Terwijl je zo opziet tegen de toekomst. Tegen het afscheid moeten nemen. Tegen het afstand moeten doen.

En dan: Jezus nam afscheid. We zien Hem en zijn werk soms nergens in ons leven. En we leven in een wereld, waarin we steeds weer afscheid moeten nemen en afstand in acht moeten nemen en moeten doen. We hebben onze Helper zo nodig!

Maar Hemelvaart zegt: Jezus is er wél! Denk aan het geheim van de afgezanten van Jezus. Ze hadden moed en kracht. Hun geheim was: die zegenende handen! Die spreken. Die zeggen: Ik ben er heus wel, hoor. Ik Ben hier boven. Om jou telkens weer op te tillen.
------

Ik ben in het gelukkige bezit van een noem het maar “elektrische” fiets. Een fiets met elektromotor. Mijn noodzakelijke hulp is dat. De accu daarvan kan ik via de adapter telkens opladen. Moet ik niet vergeten, de adapter en zo de accu aan te sluiten aan het elektriciteitsnet natuurlijk. Nu, zo laadt Jezus ons geloof op via zijn Geest. Daar moet je Hem wel om vragen, dat begrijp je wel.
Jezus zegt: Ik ben jullie Hoofd. Ik ben nu in de hemel. Maar Ik blijf nauw verbonden aan jullie. Ik kan en wil je niet missen, hoor! Nooit! Ik houd ook jou vast. Zeer zeker. Altijd!
Dát is het houvast, dat Hemelvaart biedt. En daar kunnen we 't mee doen! Dat is zelfs reden tot grote vreugde! Mijn liefje, wat wil je nog meer! Halleluja!

Amen.

Orde van dienst:

Eventueel vooraf: Psalm 47:3,4
Na votum en groet: Gez. 235
Gebed

Schriftlezing: Luc. 24:36-52
Zingen: Zingende Gezegend 178:1,3,4,5.

Preek over Luc.24:51a
Gez. 234

Gebeden, inzameling van de gaven

Gez.230:1,4,5,6
Zegen
-----

In de gebeden na de preek:

bidden, dat we allen in deze wereld tóch het hoge peil van vreugde mogen bereiken. Bidden om de aansluiting aan Gods “vreugde-net” voor ons.
Maar het gebed voor deze wereld met wonden en breuken niet vergeten.
Danken voor Jezus' troonsbestijging en zijn voorbede en werk voor ons nu.
God prijzen!