zaterdag, juli 08, 2006

VAKANTIE, EVEN RUST ! (meditatie)



A L L E E N..., L E K K E R ?




Jezus... week uit naar een afgelegen plaats, waar hij alleen kon zijn. Matteüs 14 : 13

Vakantietijd. De mensen zwermen alle richtingen uit. Als een zwerm bijen, op zoek naar nectar in de bloemen.
Wat is jouw bestemming? Ga je ver weg? Of zoek je het deze keer in eigen land? Daar kun je het óók treffen met het weer per slot van rekening.
Vakantie. Het is je gegund. Want het leven vraagt al genoeg. Soms kan de stress te groot worden. En raak je zo langzamerhand opgebrand. Dan ben je écht aan vakantie toe.



Misschien heb je in het gewone leven veel met mensen te maken. Misschien ben je er aan toe, eens even een poosje géén mensen te ontmoeten. Geen andere mensen dan je gezin, bedoel ik. Dan moet je vakantie niet naar een beroemd toeristenoord leiden. Want daar kom je van de regen in de drup! Nee, dan wil je wat ánders. Dan ben je toe aan berg- of boswandelingen. In gebieden, waar je amper iemand tegenkomt. Waar alleen de natuur is. Dáár kun je tot jezelf komen!





Alleen zijn, daar hebben veel mensen een grote hekel aan. Ze schrikken ervan, als ze de klok horen tikken! Alleen is maar alleen. De meesten zijn gewend aan (veel) mensen om zich heen. In elk geval aan de bekende, vertrouwde mensen. Als die wegvallen, dan moet dat verwerkt worden. Als een man zijn vrouw verliest, als de vrouw alleen achterblijft, dat valt niet mee!



Alleen zijn, je moet leren, ermee te leven. Maar éigenlijk went het nooit. En verreweg de meesten zijn dan ook erg blij met elk bezoekje. Dan kun je eens even je verhaal kwijt, zie je! Daarom is de vakantietijd voor veel alleengaanden een extra moeilijke tijd. En kun je voor eenzame mensen veel meer betekenen dan je denkt, eenvoudig door een kaartje te sturen vanaf je vakantieadres.









Alleen zijn, in een verlaten gebied je vakantie doorbrengen, het trekt veel mensen dan ook niet. Die gaan het liefst naar een gezellig volle camping. En ze vinden 't niet erg, als het strand "dichtbevolkt" is. Als het maar gezellig is! Een gezellige tijd hebben, daar draait het om.
Nou ja, ieder zijn meug, zeiden ze vroeger.

Jezus zoekt wél de eenzaamheid. Hij heeft gehootd, dat Johannes de Doper dood is. Vermóórd, door Herodes, moet je eigenlijk zeggen. En Johannes, dat was de voorloper van de Messias. Zijn dood is voor Jezus erg in- en aangrijpend. Dat moet Hij wél verwerken. Daarom gaat Hij naar een eenzame plek. Hij wil alléén zijn.

Dat lukt voorlopig niet. De mensen vinden hem tóch weer. En daar komt het werk weer op hem af: zieken worden aangedragen en vragen om genezing. Maar die heling van het lichaam moet verkláárd worden. Dat Hij niet alleen het lichaam heelt, maar heel de méns. Dat geweldige nieuws moet Hij verkondigen.

Hij biedt ook nog zorg aan wat wij "de inwendige mens" noemen, maar waarmee we in de regel de maag bedoelen. Jezus geeft een hele schare te eten.

Maar dán stuurt Hij de mensen naar huis. En de leerlingen moeten vooruit gaan naar de overkant van het meer. En dán pas komt de Heiland aan zichzelf toe. Hij vindt de eenzaamheid, de afzondering. En die benut Hij voor contact met de Vader. Bij hem vindt Jezus weer kracht en moed om verder te gaan.





Zó wil ook ónze vakantie zijn. Een soort pompstation. Maar niet om benzine te tanken. Maar nieuwe kracht, nieuwe moed. Energie om er weer tegenáán te kunnen. En wáár je dan bent, dat dóet er eigenlijk niet toe. Want overal is die "benzine", die brandstof om vérder te kunnen, te krijgen. Ja, letterlijk: te krijgen. Helemaal voor noppes!




God gééft die namelijk dolgraag, aan u, aan jou. Dan moet je er wél om vragen. Dan moet je contact met God zoeken, óók in vakantietijd!





Dát belóóft wat, wat ik je brom! Dat wordt genieten in de vakantie. En kracht opdoen voor daarna!





Zingen/bidden:







Gij dak boven mijn hoofd.


ik schuil onder uw zegen;


mijn vuur wordt niet gedoofd,


mij deert geen ruige regen.





Gij steunbalk in de rug,


Gij muur om op te leunen,


al val ik vaak terug-


Gij blijft mij ondersteunen.





Gij steen om op te staan,


geen dag zou ik begroeten


kon ik op U niet gaan,


o grond onder mijn voeten.







Gij handpalm om mij heen,



behoed mij, doe mij hopen,



Gij dak, Gij steun, Gij steen,



mijn toekomst doet Gij open.




(A.F Troost, uit Zingende Gezegend)

maandag, mei 22, 2006

KOLONISTEN (meditatie, rond Hemelvaartsdag)


KOLONISTEN
(rond Hemelvaartsdag)

"Maar wij hebben ons burgerrecht in de hemel..." Filippenzen 3:20

Denk je wel eens aan de hemel?
Aan hemelvaartsdag denken we dezer dagen in elk geval wél eens, neem ik aan. We hopen dan op mooi weer. Want het is een vrije dag, zie je. En dan is het wéér toch wel erg belangrijk.

Maar buiten dat, denk je wel eens aan de hemel zélf? Misschien zegt u of jij: "De hemel? Zegt me totaal niets. Want ik heb helemaal niks met God -als Hij al bestaat. En geloven, dat is voor mij dus ook een vér-van-mijn-bed-show".

Of je bent wél gelovig, zeg je. Gelovig in de zin van: er zal wel iets zijn. Iets, dat op één of andere manier met deze aarde en deze mensen te maken heeft. Misschien denk je aan een leven na dit leven. In één of andere vorm dan. In de vorm van geesten misschien. Of in de zin van een nieuw bestaan, weer: op één of andere manier. Met “iets”van licht en vreugde en geluk of zo.

Maar dan denk je inderdaad niet aan de hemel. Want die komt in de bijbel voor. Dat is de woonplaats van God. Van de "god, die jou niks zegt". Of waar je wel heel vage ideeën over hebt.

Mensen, die vanuit de bijbel
toch wel wat méér weten, denken wel degelijk aan de hemel. En ze willen er allemaal graag kómen. Maar de meeste van hen denken: Jazeker, maar straks, na dit leven. Dus: láter pas. Sommigen denken: als het éven kan: véél later. Want al is er veel ellende, dit leven hier is toch de moeite waard. En die hemel, je weet er zo weinig van, zie je.

Er zijn óók mensen, die naar de hemel verlangen. Dán is weer de vraag: waarom verlangt u naar de hemel? Is dat alléén, omdat er in uw leven zoveel verdriet, ziekte, pijn en dergelijke is. Of is er méér?

Nu is er voor de mensen, die de hemel op zichzelf wel zien zitten
goed nieuws.
Want de hemel is binnen bereik gekomen. Jezus, de Christus, leed en stierf. Maar stond ook op uit de dood. Van tussen de lijken ging Hij terug naar het leven en de levenden. En Hij is naar de hemel gegaan. Het pad naar de hemel ligt open. Ook voor mensen.

We kunnen dus naar de hemel, na dit leven. Die mogelijkheid is er ook voor u en jou. Maar wat betekent dat nu voor ons leven hier?

Wij hebben ons burgerrecht
in de hemel, schrijft Paulus aan de gemeente in Filippi. Niet: we zullen eens in de hemel komen, en daarmee uit. Nee, we hebben dat recht , hier en nu. Wat betekent dat?

U moet weten: de inwoners van de stad Filippi waren Romeinse kolonisten. Ze wóónden ver van hun vaderland. Maar ze waren wél echte Romeinen gebleven. De tradities en gewoonten van Rome bleven hun leven bepalen. En de wétten natuurlijk ook. Want hun regeringscentrum was Rome.

Onze Koning troont in de hemel, wil Paulus zeggen. En wij zijn hier op de aarde. En we verwachten zijn komst hier. Zijn wederkomst. Want Hij komt terug, zoals Hij weggegaan is. Dan zullen hemel en aarde (nieuw, gelukkig maar!) ook zichtbaar één worden. Dan gaat ook die aarde er uitzien als een deel van het rijk van God. Dan zal ieder Hem gehoorzamen. Zijn regering aanvaarden. Naar zijn wetten leven.

Maar ook nu al
is Jezus onze Koning. Ook hier al gelden voor ons zijn wetten. Tenminste, als je je onderdaan van Hem noemt.

Dus: graag in de hemel willen komen, op zichzelf niks op tegen. Maar dan niet alleen, om van alle ellende af te zijn -al kun je daar soms bijna in stikken. Het gáát erom, de Koning te ontmoeten. En voor altijd helemaal naar zijn wetten te leven.

Maar ja, als dát een diepe wens van je is, dan weet je ook, dat je je burgerrecht in de hemel hebt. Dan ben je nu al kolonist van de hemel. Tijdelijk gedetacheerd op aarde. Maar dan probeer je ook hier en nu zijn bewind tot zijn recht te laten komen in je leven. Want dan wil je het de Koning steeds méér naar de zin maken

Is dat zo bij u en jou?

Want er zijn ook mensen,
die ándere "idols" hebben (en idool betekent letterlijk: afgodsbeeld, afgod!). Paulus zegt: van sommigen geldt, dat de buik hun God is. Het eten of niet eten van bepaald voedsel, dáár verwachten ze het heil van. Dat bepaalt hun leven. Zulke mensen -en zouden ze er vandaag niet bij bosjes op deze aarde rondlopen?- komen niet in de hemel terecht, als het zo blijft. Nee, hun wacht het verderf, de ondergang (vers 19). Ze zijn burgers alleen van de áárde. En daarom houden ze zich aan de regels, die hier gelden. En die soms lijnrecht tegen die van God en zijn Rijk ingaan.

Onderdanen van dat rijk van beneden kúnnen eigenlijk ook niets met de hemel, die Christus bereikbaar heeft gemaakt. Ze voelen zich bij die hemelwetten niet thuis. En in de hemel zouden ze bepááld niet thuis zijn. Ze willen immers zélf de dienst uitmaken?

Maar wie zich op en top happy voelt in de dienst van God, voor die is de hemel het einde. Of eigenlijk: dan begint het pas goed!

Zingen/bidden: Gez. 232

woensdag, mei 17, 2006

PREKEN (LEZEN), DE MOEITE WAARD?


PREKEN (MAKEN) DE MOEITE WAARD?
(na) Pinksteren

"... op die dag breidde het aantal leerlingen zich uit met ongeveer drie duizend." Handelingen 2 : 41b

Beleggen, aandelen aanschaffen
is een tijdlang erg populair geweest. Zodra je wat geld op je spaarrekening had, gingen mensen er over denken. dat te beleggen in aandelen. Want met de stijgende beurskoersen leverde dat heel wat op, zie je. Het rendement was hoog. En daar gáát het toch maar om, waar of niet. Slapende rijk worden, daar dromen veel mensen van. In elk geval: van veel geld verdienen, op gemakkelijke manier.

Toen was er een periode, dat het met de koersen heel wat minder ging. Dat leverde sommige mensen een flinke strop op. Hun aandelen zijn gekelderd. Zijn soms half zoveel waard geworden. Géén rendement dus. Integendeel! En nu lijkt het weer de goede kant op te gaan. En wordt beleggen misschien weer een rendabele business.

Preken,
preken houden, preken schrijven, is dát eigenlijk rendabel? Levert dat wat op? Of kun je je energie maar beter in wat anders steken. De hoorders en lezers, doen ze er wat mee? En de vraag, die er aan voorafgaat: is die preek zó, dat die mensen ráákt? En dat er wat gebeurt met hem of haar. Dat hij of zij zich bekéért? Dat hij zich voor het eerst naar God toekeert. Of de banden met God weer nauwer aanhaalt?

Kortom: is de preek rendabel. Komt er vrúcht tot stand?

Op het Pinksterfeest
in Jeruzalem, het eerste Pinksterfeest "nieuwe stijl", was dat duidelijk wél het geval. Drie duizend mensen werden toegevoegd aan de groep van gelovigen. Drie duizend!

Drie duizend mensen, die Jezus aanvaardden als hun Redder. En die in een lange file stonden, om gedoopt te worden. Eenvoudig, omdat dat niet gebeurd was, toen ze baby's waren. Toen waren ze besneden. Dat was het teken van het verbond, van de verbinding aan God en zijn beloften tóen. Nu is er de doop, door Jezus bevolen. En...filevorming vóór het doopwater, kóm er eens om!

Dát was de reactie op wat de apostelen namens hun Heer doorgaven. Apostelen, voor alle duidelijkheid, zijn mensen, die met Jezus hadden geleefd. En door Hem uitgezonden waren, om zijn boodschap door te geven. Die waren op dit Pinksterfeest aan het woord. In feite spraken álle volgelingen van Jezus, de vrouwen incluis. Maar de apostelen voorop. En het was met name Petrus, die verkondigde. Een preek hield, zeg maar.

Dat was blijkbaar een erg goede preek. En waaróm was het een goede preek? Natuurlijk, vooral omdat hij sprak, vervuld met de Heilige Geest. Dus: echt enthousiast. Want enthousiast is dat God in je is. Dat je vol van God bent.

En dat is altijd wezenlijk
voor een goede preek: dat de mensen horen, voelen, dat de preker zelf volop áchter zijn preek staat. Dat hij preekt niet alleen met zijn mond en zijn verstand. Dát moet ook. Maar het moet ook en allereerst uit zijn hart komen.

Maar als je enthousiast en vurig spreekt, en de boodschap is hol en leeg, dan kom je er natuurlijk nóg nooit een millimeter verder mee. Dus de inhoud is ook belangrijk. Die moet goed zijn.

Nu, als we bij Petrus te rade gaan, dan blijkt een goeie preek een paaspreek te zijn. De toespraak van Petrus gaat helemaal en alleen over Jezus. Jezus, die door zijn Vader naar de aarde was gezonden. Jezus, die zijn Geest naar zijn gemeente heeft gezonden. Jezus, die dood geweest is. Maar die lééft. En die door te lijden en te sterven en op te staan, rédding brengt.

En Petrus verkondigt, hoe dat vervulling is van wat profeten, brengers van Gods woord in oude tijden, al zeiden. Bijvoorbeeld Joël. U kunt er in Petrus' preek in Handelingen 2 van lezen.

Dáár gaat Petrus' preek over. Jezus, de levende Jezus, heeft vanuit de hemel zijn Geest uitgestort. Zoals je een volle bak water in één keer omkeert en leegstort. Daarom: bekeer je. Ga naar die Jezus toe. En laat je redden. Dat is samengevat de preek van Petrus.En die preek levert een hoog rendement op.

Drie duizend mensen
gehoorzamen en laten zich daadwerkelijk redden. Drie duizend! Dat zijn er véél! Drie duizend. die tot geloof komen als gevolg van één preek! Als die "score" op het bord zou komen bij alle preken van alle prekers... Stel je voor! In een mismoedige bui denken “prekers” vandaag wel eens: 3000 tot geloof komen door één preek? Tegenwoordig moet je 3000 preken houden, wil er één mens gered worden.

Drie duizend, het rendement van één preek! Als dat vandaag eens gebeurde! Dat ging in de miljarden lopen! Dan werden er geen kerken meer afgebroken. Of als expositieruimte of theater gebruikt. Dan was ieder kerkgebouw hard nodig! En moest er volop bij gebouwd worden

Drie duizend, dat is erg veel. Maar dat waren niet álle hoorders. Anderen bleven spotters. “Die lui? Die hebben te diep in 't glaasje gekeken”, zeggen ze. “Dát is de verklaring”. Anderen hadden totaal geen belangstelling voor de boodschap.

Nog weer anderen vonden, dat ze er nog maar eens een paar nachtjes over moesten slapen. Dit was zó afwijkend. En het ging per slot van rekening over een dode. Die was opgestaan. En die zou de Redder zijn? Dat gooide hun hele leven in de war. Nee, wacht eventjes, zeg! Nog even de beroemde kat uit de beruchte boom kijken...

Ja, drieduizend is véél.
Maar dat de boodschap, die Petrus en de anderen brengen, aanvaard wordt, is en blijft niets anders, niets minder dan een wonder. De boodschap van redding aanvaarden is op zichzelf al een wonder. Is werk van de Heilige Geest.

Drie duizend keer zorgt Hij ervoor, dat de pijl van de goede boodschap een mens raakt. Dat die hem, haar midden in het hart treft. Dat is best pijnlijk. Misschien wéét u dat. Heb jij dat ook ervaren in je leven. Maar misschien is er ook wel iemand in je omgeving, je kind, een vriendin, aan wie je dat toch graag zou gunnen.

Want je weet: het doet zéér. Maar het is heilzaam. Zoals een medische ingreep soms erg pijn kan doen. Maar wél nodig is. En genezing tot gevolg heeft. Zo is het met de pijl van de boodschap van God. Nu, die kan ráák zijn, óók vandaag nog. U, jij mag er om vragen. Voor jezelf, voor die ander. Om getróffen te worden door de pijl van het Woord. Midden in je hart. In het centrum van je leven.

Ja, dat evangelie doet zéér.
Ook toen bij die Joden daar in Jeruzalem. Want het gaat over en om die Ene, die zij verworpen hebben. Die zij méé naar het kruis hebben geschreeuwd. Die ze hebben uitgejouwd en bespot. Die Ene, die lééft. En die de Redder is.

Die eigenlijk heel simpele boodschap treft drie duizend. Zij aanváárden die tijding. En in dat woord, daar zit iets van gretigheid in. Want ze mogen dan geraakt, getroffen, gewond zijn - dat bericht is een blij bericht. Van heling, genezing, redding. Hij, die zij hebben veroordeeld, biedt vrijspraak aan hén !

Dat is te zien: ze worden gedoopt. Ze gaan ónder in het graf van het water. En ze staan er uit óp. Ze sterven. Maar ze leven. Ze erkennen, dat ze schuldig zijn. Dat ze schuldig staan, ook en vooral tegenover Jezus. En ze beseffen: alleen Hij kan me redden. Zóver, tot die moeilijke erkentenis, brengt de Geest hen.

Zó worden ze toegevoegd tot de mensen, die gered worden. Dat staat in de lijdende vorm. Dat komt niet, omdat ze beter zijn, of slimmer dan de anderen. Nee, het is pure genade. Gave, geschenk betekent dat. Maar het wordt gegeven aan wie horen en gehoorzamen, als Jezus verkondigd wordt.

Die dag begon met 120 geredden. En eindigde met 3120. Wát een werfkracht!


En nu, vandaag?
Ja, het is een andere tijd en situatie. Toen, op de eerste Pinksterdag, was er een stroomversnelling. Nu wordt de Heilige Geest niet meer uitgestort. Hij is uitgestort. Dat is een eenmalig feit. En nu is de kerk in rustiger vaarwater gekomen. En verreweg de meeste preken zijn gericht tot mensen, die al geloven.

Maar toch: de Geest is aan de kerk en aan de gelovige gegeven. Hij wérkt. Maar tegelijk vraag ik me af: wérkt Hij wel werkelijk nog in de kerk en door mij? Want er is sprake van verontrustende slijtage aan de werfkracht van de kerk! Ja, zélfs krimpen ledentallen. Kerken worden gesloten. De kerk kan soms de mensen niet vasthouden.

Zo is het toch? Er wordt gepreekt. En al is dat misschien niet altijd en overal het geval, er wordt ook vol gloed én inhoud gepreekt. Daar is vast vaak wat op aan te merken. En voorgangers moeten steeds weer hun preken kritisch bezien. Beoordelen op inhoud en vorm. Preek ik wel met verstand en hart? Is er gevoel in? Is er een vonk, die kan overspringen?

Daar ligt één van de oorzaken, dat je je afvraagt soms: is preken rendabel?

Maar er is méér. De vraag is toch óók: wordt er goed geluisterd? Hoe staat het ervoor met het horen van het Woord?

Er staat in het Evangelie
een gelijkenis. Jezus sprak die uit. Moet u toch misschien eens (weer) lezen. Zoek dan het Evangelie naar Mattheus, hoofdstuk 13 maar eens op. We kennen die als de gelijkenis van de zaaier. Maar misschien is een titel, die de bedoeling beter weergeeft. Namelijk: de gelijkenis van het horen. Want het gaat over de gesteldheid van de bodem, waarin het zaad valt.

Daar kan het één en ander aan mankeren, zie je! Ik bedoel: er kan het één en ander mis zijn bij u, bij jou, die dit leest of hoort. In de gelijkenis noemt Jezus een paar zaken.

Zo zijn er kapers
op de kust. Vogels, die het gestrooide zaad oppikken. Je vindt het allemaal maar moeilijk, die preek, die bijbel. Je moet je er zo voor inspannen, om het te begrijpen, zie je!. Het klinkt wel goed. Maar het leven is zó toch ook wel aardig? Waarom dan de moeite doen, om Jezus in je leven te krijgen. Allemaal veel te moeilijk, hoor. Laat maar zitten!

Een andere groep vindt die boodschap maar bijzonder geweldig. Dat is het helemáál, hoor! Yesss! Die Jezus, supercool.! Je gaat helemaal uit je dak van vreugde. Enthousiast tot en met!

Maar… Na een poosje ontdek je, dat het toch wat tegenvalt allemaal. Eigenlijk valt het smérig tegen. Want de mensen spreken je er op aan, zie je. “Zo, hoor jij nu bij dat clubje? Had ik niet van je verwacht. Ja, je moet het zelf weten, hoor. Maar het lijkt me helemaal niks. Want je mag helemaal geen leuke dingen meer, wel?”

Ja, en bepaalde mensen gaan je mijden. En achter je rug gniffelen ze wat. “Weet je ’t al? Hij is vroom geworden, hoor! Je kunt helemaal geen lol meer met hem hebben.” Nee. Het valt tegen. En dat allemaal door die boodschap, die preken over Jezus. Nee, toch niks voor mij. Ik zie er maar van af.

Er komt ook zaad
tussen de dorens terecht. Je hoort een preek. En wéér vind je het wel oké. Dat is wel wat voor mij. Die redding door Jezus, die vergeving, dat geluk, geweldig! Maar…

Maar ja, je wilt ook léven, hè. Je leeft hier op aarde. En leven zit vol met van allerlei zaken. Je hebt te zorgen voor je kinderen. En dat vréét energie. En je maakt je zorgen om je kinderen. U weet wel: kleine kinderen, kleine zorgen, grote kinderen idem zorgen. En dat kan je eigenlijk helemaal in beslag nemen.

En bijbellezen doe je er snel even tussendoor. En van echt bidden, echt contact met God, komt niet zoveel terecht. Of je bent heel druk met de studie. Of je doet alles wat je kunt, om je carrière wat glans te geven. En daar ben je dan druk mee. Maar het levert wél wat op, zie je. En een mooier en ruimer huis zou wel erg goed uitkomen. Dus… Dat slokt je helemaal op. En daarom kan die dominee in zijn preken het wel mooi vertellen. Maar in de praktijk kun je je er niet al te veel van aantrekken.


Of preken rendabel zijn?
Preken, aansprekend preken is moeilijk. En luisteren is in de praktijk ook heel erg moeilijk. Daarom lijken preken vaak helemaal niet rendabel. De dominee wordt er soms mismoedig van. Waar doe ik het eigenlijk voor?! En de kerkganger (of die dit leest) denkt soms: het zegt me allemaal geen spat. Waar dóe ik het voor? Het levert niets op!

Nou, dat klinkt dus allemaal vrij negatief, om het maar voorzichtig te zeggen. Is het zo somber? Toch niet. Want het is Pinksteren geweest. De Geest van Christus wil ook vandaag nog volop aan het werk. De preekheer enthousiast, vol van God en van zijn blijde tijding maken. En de harten van de luisteraars bewerken. Zodat ze open staan voor die boodschap.

Vraag er maar om. Dan zul je wat beleven! Dan gaat de preek (nog) meer vol van Jezus worden. Omdat de preker vol van Hem is. Dan komt de luisteraar vol van de Heiland. Dan wordt je leven vol heil. Dan leef je uit de vergeving. Dan leef je meer en meer voor God!

Preken rendabel? Ja, zeker wel. Zó wel!
Amen.
-----

Voorstel voor een liturgie:

Eventueel intochtlied: Psalm 118 : 7,9
Na stil ge
bed, votum en groet: Ps. 119 : 40, 49

[In de ochtenddienst als schuldbelijdenis en bemoediging: Lezen Luc. 18 : 9-13 en zingen Psalm 51 : 2
Lezen Luc. 18 : 14 en zingen Psalm 32 : 2
Gods wil: Gal. 5 : 13-26 en zingen Psalm 32 : 3]
Gebed
Schriftlezing: Hand.2 : 37-42
Zingen Gezang 304
Verkondiging over Hand. 2 : 41
Zingen: Gez. 328
Dienst der gebeden: Dankzegging, voorbeden, lofprijzing, stil gebed, Onze Vader (samen)
Dienst van het offer
Zingen: Gez. 255 : 1 (in middagdienst geloofsbelijdenis van Nicea) en 4
Zegen
-----

Dienst der gebeden:
Voorbede voor allen, die het Woord verkondigen: enthousiasme,
ijver bij de bestudering van het Woord ;
die het Woord horen: open harten, oren.
Gebed om het werk van de Geest;
werfkracht voor de kerk
Vergeet niet, de grote problemen in de wereld bij God te brengen!

woensdag, april 26, 2006

ZEG EENS HET GRAF VOORGOED VAARWEL! (Preek)


“Graf, zeg maar dag met het handje !”

"De graven werden geopend en de lichamen van veel gestorven heiligen werden tot leven gewekt..." Matt. 27 : 52

Jongens en meisjes:
Vinden jullie het ook zo fijn, jarig te zijn? Ja, hé? Ja, natuurlijk! Want dan krijg je cadeautjes! En een mooi cadeautje krijgen, daar zijn we allemaal wel voor ín!

God, de Vader in de hemel, heeft ons óók een cadeau gegeven. Wel veel méér cadeaus eigenlijk. Want je kent dat liedje wel misschien: “Alles wat ik heb, dat heb ik van mijn Vader”. Nou, dat is wáár. We leven van geschenken, die God ons elke dag weer geeft.

Eén van de mooiste
en beste en belangrijkste geschenken van God aan ons is de bijbel. En waaróm is die bijbel dan zo mooi en goed en belangrijk voor ons? Het is per slot van rekening alleen maar een boek. Er zijn zoveel boeken, die mooi en goed en belangrijk zijn! Wat is Gods bedoeling met en in die bijbel?

Die bedoeling is niet, ons informatie te geven over allerlei dingen. De bijbel is geen encyclopedie. Een boek, dat je kunt opslaan om even te kijken, hoe het is. Hoe het zal gaan in de toekomst bijvoorbeeld. Nee, de bijbel is openbaring van God. Hij zegt, wie God is. En vooral, hóe Hij is. Wat Hij doet en geeft. Hij heeft zelfs zijn eigen Zoon gegeven. Ja, Jezus is eigenlijk HET geschenk van God.

Die Jezus is geboren, heeft hier op aarde rondgewandeld. En Hij heeft geleden en is gestorven aan het kruis.

Nu zijn er toen Jezus werkelijk stierf,
bijzondere dingen
gebeurd. Eén van die dingen wordt beschreven in het vers boven deze preek. En dat gebeurt dus, om jou, u en mij iets te openbaren, dat God betreft. Ons te vertellen, wat Hij in Jezus gedaan heeft en zal doen. Niet álles wordt ons verteld. Maar wát verteld wordt, ook wat in de tekst staat, dat heeft betekenis voor ons. Dat is góed voor ons, om te weten.
We willen samen kijken. En vooral luisteren.


“De graven werden geopend”.
Ja, dát staat er! Vindt u dat gewoon? Dat gebeurt toch nooit? O ja, bij ons wordt soms een graf open genaakt, om het lichaam nader te onderzoeken, of om DNA te vinden in verband met een misdaad. Maar daar daarna wordt het lijk weer snel weggestopt. En na zoveel jaar wordt het graf geruimd wegens ruimtegebrek.

Maar deze graven werden geopend, om er ménsen uit te laten. UIT de graven, wonder boven wonder! Inwoners van Jeruzalem werden daar uiteraard begraven. Maar ook anderen wilden graag daar begraven worden. Want Jeruzalem is “de heilige stad”. Dat betekent: apart gezet, voor een bepaald doel afgezonderd, voor Gód apart gezet. Jeruzalem was de stad van de Here God. Nu, wie wil dáár niet begraven worden! Het is fijn, ook dán dicht bij God te zijn.

De graven toen waren
rotsgraven,
in de rotsen uitgehouwen. Met een grote ronde steen werd de ingang afgesloten. En slechts met verenigde kracht kon die steen voor die opening weggerold worden. Nu worden ze geopend. Hoe en door wie? Er is maar één antwoord te geven: dat doet God zélf.

Maar Hij gebruikt daar middelen voor. Want er vond een aardbeving plaats. En als gevolg daarvan scheurden de rotsen. En werden de graven geopend. Sómmige graven. Die van gestorven heiligen, die daar begraven waren. Heiligen zijn heilig zoals Jeruzalem heilig is. Heiligen zijn dus mensen, die bij God horen. Die aan Hem verbonden zijn. Echte gelovigen, niet meer, niet minder.

Hun graven gingen open, als gevolg van wat God deed, mede door middel van het beven van de aarde. En die heiligen werden ook gewekt. Zoals ’s morgens moeder of vader de kinderen wakker kan maken. Nou ja, mocht dat al nodig zijn. Als de kinderen ’s avonds op tijd naar bed gaan, dan gebeurt het vaak andersom. Dan maken ze hun ouders wakker.

Maar goed, hier staat het woord, dat ook gebruikt wordt voor dát wakker maken. De opwekking van deze gelovigen is: wakker maken uit de slaap van de dood. Zoals ook hun sterven hier “ontslapen” genoemd wordt. Hun begrafenis was eigenlijk ook een “te slapen leggen”.

In dat geloof
hadden ze geleefd. In dat geloof waren ze gestorven. “Straks word ik in die spelonk, dat uitgehouwen graf in de rotsen, te slapen gelegd. En eens word ik weer wakker gemaakt”. Hier blijkt, dat die maar tijdelijk is, die doodsslaap. Aan het eind van de nacht van de dood worden Gods kinderen wakker gemaakt. Dat kon je toen op Golgotha zien.

Het staat er eigenlijk heel koel en nuchter, realiseer ik me. Alsof het de gewoonste zaak van de wereld is. Maar dat is het natuurlijk allerminst. Het is een geweldig wonder! Het is wéér zo’n machtig geschenk van de Vader in de hemel. De bijbel zegt immers, dat we de dood voorgoed verdiend hebben, dubbel en dwars! En dan dit! Ontslapen. Inslapen. En weer wakker gemaakt, opgewekt worden.

U moet het zich maar even heel concreet voorstellen. U hebt vast wel ooit aan het graf van een geliefde gestaan. Van uw moeder misschien. En stel u nou eens voor: op een dag staat ze zo maar voor je neus. En dat zonder die dementie, die haar laatste jaren tekende. Zonder elk gebrek.Vernieuwd, verheerlijkt. Stel je voor!

Wat een wonder!
Niet te geloven! Het gebeurt nu, in onze tijd, dan ook niet en nooit. Er is niets van te zien. Wat daar, toen Jezus stierf, op Golgotha gebeurde, was een téken. Een soort ANWB-bord, dat ons ergens héén wijst: in dit geval naar de toekomst.

In het Oude Testament, het eerste onderdeel van de bijbel, lezen we over de tekenen, die hier te zien zijn: die duisternis bijvoorbeeld. En in het boek Daniël lezen we, dat velen, die slapen in de aarde, in het stof, zullen ontwaken (12:2). En in het tweede onderdeel van de bijbel, het Nieuwe Testament lezen we, dat dit zal gebeuren. Bijvoorbeeld in 1 Thess. 4 en 5 wordt duidelijk gezegd, dat de doden uit de graven zullen gaan. En dat de gelovigen dan zullen leven met hun Heer, voorgoed.

Niet te geloven, zei ik. Nou, veel mensen vandaag –en het worden er steeds meer- geloven het dan ook niet.
Dood is dood,
dus nu plukken wat er te plukken valt. Daar moeten we ’t mee doen. En u en jij? Geloof je in een opgewekt worden uit het graf? Of heb je er moeite mee?

Ik wél. Ik heb er grote moeite mee. Ik ben dominee, maar toch. Ik geef het maar eerlijk toe.Je moet je voorstellen, wat er overblijft -of juist niet overblijft- van een menselijk lichaam, als het lange tijd in het graf ligt.
En dán geloven, dat eens de graven openbreken en mensen óp zullen staan, alsof ze hebben liggen slapen? Onvoorstelbaar toch?

Ik heb er moeite mee.
En tóch gelóóf ik het. Ik geloof het vást. Omdat ik vast vertrouw op en geloof in Hem, die ons de bijbel cadeau heeft gegeven. Hij belooft ons dit. En daarom zal het gebeuren. Hoe ongelooflijk en onvoorstelbaar het ook is. En ik zeg tegen u en jou: geloof God maar. Stop met die menselijke gedachten. Vertrouw op zijn woord, als een kind.. Want dit wordt werkelijkheid!

Het gaat hier immers om Jezus en zijn werk. Hij kwam op aarde om iets te doen aan het probleem van de zonde en de gevolgen daarvan. Om die zonden te verzoenen. En de gevolgen van de zonde totaal op te ruimen.

En nu blijkt, dat
die arbeid gedaan, volbracht
is, áf is. En zie, het was goed! Kijk maar naar wat op Golgotha gebeurt. En kijk naar de tempel: het zware gordijn, dat de toegang tot God blokkeerde, is stuk gescheurd. De toegang naar Gods troon ligt helemaal open. En de gráven gaan open. Dat zegt: Jezus is niet ten onder gegaan. Nee, Hij heeft de duivel en de dood er onder gekregen. Hij is niet dood, Hij lééft. Want Hij heeft overwónnen, hoera, beter: halleluja! Dat betekent: loof de HEER!

Het gaat om Jezus,
niet om die heiligen, die uit de graven gingen. We weten gelukkig ook maar weinig van hen. Niet, wie ze waren. Alleen, dat hun graven open gingen. Dat ze uit hun graven kwamen, op de derde dag. Na Jezus dus. En dat ze door veel mensen gezien werden. “Ze maakten zich aan velen bekend”, zo vertaalt de Nieuwe Bijbelvertaling.

Dat kan. Maar letterlijk staat er: ze werden zichtbaar gemaakt aan velen. Dat staat er na de opstanding ook verschillende keren van Jezus. Net als Jezus hadden ze dus niet een gewoon menselijk lichaam. En leefden ze niet onder de mensen in Jeruzalem. Nee, ze hadden een nieuw, verheerlijkt lichaam. Een lichaam, dat zich kon vertonen, maar ook weer inzichtbaar worden. Ze waren er dus maar tijdelijk, heel korte tijd. Ze hadden geen aards lichaam. Ze woonden hier niet meer. Ze hadden hun thuis bij de Heiland. Maar Des te meer: onbegrijpelijk voor ons. Totaal onbegrijpelijk!

Maar duidelijk is hier: Jezus leeft.
En die gelovigen leven. En dat in een verheerlijkt lichaam. En ieder die gelooft in Jezus, staat dát te wachten. Zo is het beloofd. “Dit zegt God, de HEER: mijn volk, ik zal jullie graven openen, ik laat jullie uit je graven komen… Ik zal jullie mijn adem geven, zodat jullie weer tot leven komen.” Zo staat het in Ezech. 37. God spreekt en totaal uitgedroogde menselijke botten worden weer levende mensen!

En wéér wil ik wel “Halleluja” zeggen. Want wat is dit heerlijk! Heerlijk ook voor u en jou, als je Jezus niet kunt missen. Dit zegt: de dood heeft niet het laatste woord. De dood is niet de grote overwinnaar. Nee, dat is de Heiland! En daarom komt er een grote, wereldwijde opstanding van de doden. Gaan álle graven open, En raken álle graven leeg. Elk kind van God zegt: “Tot nooit meer ziens, graf, ik zeg je vaarwel, voorgoed!”

Dát belooft God hier.
Gelooft u dat? Ja, ik weet het, want ik ervaar het letterlijk aan den lijve: het is moeilijk, zover te komen. Je over te geven aan God en wat Hij belooft. Ik ervaar: het is zwaar, dat vol te houden, als de zorgen groot en veel zijn. Als de beperkingen van je lichaam je steeds meer plagen. Als de ouderdom steeds hogere tol eist. Als je rondom in deze wereld de dood grote overwinningen ziet behalen. In Bagdad. In Afrika. In je familiekring. Om dan toch te blijven vertrouwen op Jezus’ overwinning.

En toch: die overwinning was groot en beslissend. En de gevolgen zijn geweldig. En ze zijn zeker. Voor ieder, die zijn vertrouwen richt op deze belofte. Die zich als het ware vast klauwt aan deze Overwinnaar. De vervulling van deze beloften, van dit teken, ik verlang er in mijn beste momenten wel eens erg naar!

Dan zul je wat beleven!
Onvoorstelbare dingen. Uit het graf, met verheerlijkte lichamen. Elkaar zien, met eigen ogen, groot van verwondering. Dan mag je zelfs Jezus zien. De gestorvene, die verheerlijkt is en lééft.

Ja, dan zul je wat beleven! Onzegbare, onvoorstelbare, onbeschrijfelijke dingen. Dan zul je wat beleven!

Zul jij dat beleven? Omdat Jezus het helemaal voor je is?
Dan neem je me het vast niet kwalijk, als ik nog één keer zeg: Halleluja, prijs God!

Amen.

Voorstel van een liturgie:

Eventueel vooraf: Gez. 288: 1,3
Na votum en groet: Gez. 288:4,8

[In ochtenddienst: Lezen: Ezech.18:30-32
Zingen: Ps.25:3
Gods wil: Luc. 6:27-31 en 36-38
Zingen: Ps.25:2]

Gebed
Schriftlezing Oude Testament: Ezech. 37:1-10
Zingen: Gez.300:4,5,6
Schriftlezing Nieuwe Testament: Matth. 27: 30-33
1 Cor. 15:50-57
Zingen: Zingende Gezegend 154 (of eventueel Gez.279:2,6)
Preek over Matt. 27 : 52
Zingen: Zingende Gezegend 175 (of eventueel Ps. 68:7

Gebeden
Zingen: Ps. 103:1 (in middagdienst: geloofsbelijdenis en) 2



Handvaten voor de dienst der gebeden:

Dank U wel voor de cadeaus, die U ons geeft; voor de bijbel, voor de Heer Jezus, zijn liefde, de vergeving van onze schuld door zijn lijden en sterven, voor het léven, dat Hij ieder van ons wil geven; voor het graf, dat niet een gevangenis, maar een poort blijkt.

Help ons, de bijbel te lezen zó, dat we u (beter) leren kennen. Geef ons uw Geest daarvoor.

Geef ons overgave aan U. Zodat we in vertrouwen elke avond gaan slapen. Maar ook eens ons hoofd neerleggen om te ontslapen. In vertrouwen: de Vader roept me straks wakker.
Dank U wel voor de toekomst. Voor het geheelde leven op een geheelde aarde.

Help ons te geloven, dat de graven open gaan. Kom ons in ons ongeloof te hulp.

Lofprijzing voor zóveel goeds!


(april ’06)
-----------------------------------------------------------------------------------------------------

Wij zingen God ter ere in grote dankbaarheid
daar Hij ons leven leidt en weet wat wij ontberen.
Hij maakte ons genegen te zorgen voor elkaar.
Zo zien wij jaar na jaar zijn goedheid en zijn zegen.

Al krimpen mijn gedachten en raak ik woorden kwijt,
verlies ik taal en tijd, uw woord is levenskrachtig.
Er zijn herinneringen, uw hartslag in mijn oor,
als ik uw klanken hoor en psalmen mee kan zingen.

O Christus,man van smarten, herhaal in ons gemis
dat er verwachting is. Wij hopen zo van harte
eens recht van lijf en leden te lopen in uw licht.
Met jeugd en vergezicht zult U ons nieuw bekleden.

In geven en ontvangen is ons de Heer nabij.
Van hand tot hand geeft Hij de zorg, die wij verlangen.
Nu loven wij U, Here, die onze handen vult
met lijden en geduld: U brengt uw werk tot ere.
(Ria Berkent, uit: Zing met de hemelboden)
(eventueel te zingen op de melodie van Psalm 92)

woensdag, april 05, 2006

DE OPGESTANE IS HERDER (meditatie, Paasfeest)



DE OPGESTANE IS HERDER

“Hij is verschenen aan Kefas” 1 Korintiërs 15:5 NBV

Er is heel wat nagedacht
over de ontmoeting, die boven deze meditatie vermeld staat. Want die “Hij”, die hier verschijnt, dus zich laat zien, is Jezus. De Jezus, die doodgemarteld is. Die heeft gehangen tussen hemel en aarde, genageld aan een kruis. Wiens lichaam in een graf gelegd is, met een enorm grote, ronde steen vóór de opening van het in de rotsen uitgehouwen gerold. De Jezus, van wie geen enkele twijfel overgelaten was: Hij was dood. Punt, uit!
Maar nu dus: niks niet “punt uit”. Hij laat zich zien. Hij lééft!

En die andere heet Kefas. Zo op het oog een grote onbekende. Maar hij is de bijbellezers zeer bekend. Want het is Hebreeuws voor: Petrus. Dit is de leerling van Jezus, die altijd vooraan stond. Die zoveel uitstraling had, dat hij door iedereen als leider werd erkend. Maar die wel zó vreselijk door de mand gevallen was! Niet normaal gewoon. Hij had Jezus namelijk verloochend.

Hij was zó bang
tijdens het proces-Jezus! Daar was hij in de marge bij aanwezig namelijk. En toen had hij drie keer verzekerd, in antwoord op vragen: “Of ik bij die verdachte hoor? O nee, geen sprake van. Ik ken hem niet”. Niet best dus. De leider van de leerlingen liet het helemaal afweten. Zijn naam was haas!

En nu komt de uit de dood, van tussen de lijken opgestane Meester die leerling opzoeken. Dát wordt een pittig gesprek, dacht ik zo!

Nou, dat zál dan wel.
Dat kan best het geval geweest zijn. Maar ik mag dan zo mijn gedachtes hebben. Maar dat is uiteraard totaal onbelangrijk. Belangrijk is alleen, wat de bijbel daar over zegt. En dat is: helemaal niets. Daar wordt geen woord, geen letter, aan gewijd. En de enige conclusie is daarom, dat ik en jij en u daar niet éne snars mee te maken hebben.

Want als je over dat tweegesprek iets gaat zeggen, dan loop je vlak langs het randje van een afgrond. En dat is gevaarlijk. Dan kun je zómaar vallen. Dan kun je vastlopen met je meditatie-schip op zandbanken. Dan kun je verzeilen in leuk gevonden, maar zelfbedachte fantasieën.. En daar heeft niemand wat aan!

Nee, God vindt het niet nodig, ons daarover te informeren. Als hij ons er iets door wilde leren, dan had Hij het wel op laten tekenen. Maar Hij gaf ons de bijbel niet, om puur onze nieuwsgierigheid te bevredigen. Maar dit blijkt privé-terrein. Dus houden we onze wijsneus er maar buiten.

Wél is belangrijk, dat de opgestane koning, de Levensvorst zich láát zien. Dat Hij mensen opzoekt. Mensen, die vertwijfeld zijn na zijn dood aan het kruis. Mensen, die nog twijfelen. Die nog niet vast geloven, dat Hij leeft. Mensen, die zitten met wat voordien gebeurd is in hun leven, zoals Petrus.

Die zoekt Hij op.
In pastorale, herderlijke zorg. Zorg, die toegespitst is op de enkeling. Zoals een herder in de kudde ook heeft te zorgen voor elk schaap van zijn grote kudde. Als er één kreupel is. Of een ander mankement heeft. Die neemt hij apart, om er wat aan te doen. Zó besteedt de opgestane Jezus ook persoonlijke aandacht aan ieder, die bij hem hoort.

Zo had Petrus
óók verzorging nodig. En nog wel dringend ook. Want Jezus was naar hem toe gekomen, nog op de dag van de opstanding, die zondag. Dat kunt u nalezen in het evangelie van Lucas. (hoofdstuk 24). Als de zogenaamde Emmaüsgangers hun ontmoeting met Jezus willen vertellen, krijgen ze dat te horen: “De Heer is werkelijk uit de dood opgewekt en Hij is aan Simon (de oude naam van Petrus) verschenen”.
Jezus, de Levende, heeft er haast mee gemaakt, om Petrus te spreken. Dat had deze apostel nodig. Omdat ook hij getuige moest zijn van het feit, dat Jezus uit de dood verrezen was. Ook Petrus kon zeggen: “Mensen, Jezus lééft, hoor. Echt. Ik heb Hem zelf in levenden lijve gezien”.

Om dat getuigenis te geven is het één en ander nodig. Daar moet je voor toegerust worden. En Petrus was blijkbaar door de verloochening zó aangeslagen, dat een ontmoeting nodig was. Een extra gesprek onder vier ogen. Maar wat daar precies besproken is, dat mocht en moest privé blijven. Het diende, om Petrus toe te rusten.

Want getuige zijn
van de opstanding van Jezus, dat is niet bepaald een fluitje van een eurocent. Dat dóe je niet zomaar even. Dat moet je kunnen en durven. Want dat willen velen niet horen. Daar zitten de mensen niet op te wachten. Daarom moet je vrijmoedigheid hebben. En die wil Jezus geven, ook aan Petrus. Vandaar dat pastorale gesprek.

En dat bleef niet zonder gevolg. Jazeker, er volgde ook nog een tweede gesprek. Maar dan met de anderen erbij. Als een soort openbare rehabilitatie (zie Joh. 21). Maar dat was waarschijnlijk meer voor de ánderen. Hoewel dát gesprek wel degelijk confronterend was.

Maar als het Pinksterfeest wordt en de Geest allen vervult, is Petrus de eerste en belangrijkste woordvoerder.

Jezus is de Levende,
horen wij hier in de tekst boven deze meditatie. Het is Jezus met een verheerlijkt lichaam. Hij komt en gaat zoals en waar en wanneer en hoe Hij dat wil. Een verheerlijkt lichaam heeft Hij. Maar het is toch Dezelfde. Vóór zijn dood zei Hij, dat Hij de goede herder was. En dat wás Hij metterdaad.

Hij was de herder, die elk van zijn schapen kende en leidde. Dat liet Hij zien op vele manieren. Nog wel het duidelijkst, door zijn leven te geven voor de schapen.

Maar Hij is nóg de goede herder. Die wéér en nóg elk lid van zijn kudde de aandacht en zorg geeft, dat het nodig heeft.

Ook dát is Pasen.
We hebben een levende Koning. Hij leeft. En dat om pastorale zorg te bieden.

Misschien zit u in de knoei. Heb jij je in de nesten gewerkt. Of hebt u klappen opgelopen. Want dit leven is zeker geen lolletje. De Opgestane wil gráág bij u zijn. Wil je dolgraag helpen. Wilt u dat ook?

De agenda kan wel vol zijn. Maak ruimte voor Hem. Want we hebben aandacht en zorg nodig. Hij wil die geven. Hij heeft altijd álle tijd voor je. Geen wachtlijst. Maar alle nodige zorg, nu en hier! Dus…?

Zingen/bidden: Gez. 241